Hrodgar beveelt alsdan Wulfgar, hem de hooge vreemdelingen voor te
stellen. Deze spoedt zich weer naar buiten en deelt Beowulf mede,
dat zijn verzoek om pleeggehoor is ingewilligd. De wellevendheid
vordert nochtans, dat zij hunne schilden en lansen buiten laten
staan. Onder den blinkenden helm en in het klinkende harnas stapt
Beowulf met zijne mannen achter Wulfgar de zaal binnen en nadat hij
staande den koning begroet en dezes antwoord ontvangen heeft, wordt
hem eene eereplaats aangewezen.
Het gebruik eischte, dat elke gast de zitplaats innam, die met zijnen
rang overeenkwam.
Daarom verwaarloost Beowulf niet, als hij later bij Hygelac is
teruggekeerd en deze hem «op heusche wijs» ondervraagt, op deze voor
hem belangrijke omstandigheid te wijzen:
Dra wees de hooggeroemde zoon van Healfdeen
Mij naast zijn zoon een zetel, bij 't vernemen
Van mijn ontwerp. (2062-64)
Niet te vergeten is ook de eerbied, waarmede het gevolg den
koning toespreekt. Weidsche benamingen als «de hooge heerscher,
de wijdvermaarde vorst, de schuts der Schyldings» enz. worden hem
toegezwaaid; nochtans hebben zij niets vernederends, niets kruipends,
niets wat naar de vleierij van hovelingen zweemt.
Kenteekenend is hier vooral de toespraak van de koningin Wealchtheow
tot haren heer en gemaal:
Ontvang, o mijn gebieder, dezen beker,
O goudbegever. Wees nu wel te moede,
O schatvriend van de schaar. Spreek toe uw Gooten
Met milden mond. (1189-92)
Deze taal is verre van vertrouwelijk en gemeenzaam, doch zoo vorderde
het de voorname toon van het hof.
Immers wordt niet van haar gezegd:
Dan Wealchtheow naakte,
Zij Hrodgars gade, 't hofgebruik indachtig.
Zij groette, goudgekleed, de hallegasten.
Dan reikte zij het eerst der Denen rijksheer,
De hooggeboren vrouwe, toe den beker. (624-28)
Daarom wordt ook van Hygd, Hygelacs gade, gezegd, dat zij vriendelijk
en mild was voor de krijgers, doch niet gemeenzaam. (1979)
Bij het feestmaal, aan de overwinnaars geschonken, wordt uitdrukkelijk
vermeld, dat de gasten zich aan tafel als welopgevoede, welgemanierde
edellieden gedroegen:
'k Vernam, dat nooit een stam, zoo rijk aan strijders,
Zich beter hield in 't bijzijn van den schatheer. (1025-26)
Zij dronken met waardigheid:
Terwijl hun magen bij den vollen maaltijd
Hun hart ophaalden, menig medebeker
Met waardigheid ontvingen. (1028-30)
Deze innemende gezelschapstoon treedt zelfs in fijne schakeeringen
te voorschijn.
Zoo hoopt Beowulf, na de inbraak van Grendels moeder, dat Hrodgar
goed geslapen heeft, ofschoon hij van het tegendeel overtuigd is;
doch dit vergde de wellevendheid.
Zoo bedankt hij Unferd voor het hem geleende zwaard, dat hem niet
dienstig is geweest; doch hij wacht zich wel van zulk ongunstig
oordeel er over uit te spreken, maar prijst het integendeel:
Hij schatte dit geschikt een kampvriend
En strijdbestand; niet laakte hij het lemmer
Van 't staal met woorden. (1851-53)
Zal niet ieder lezer moeten bekennen, dat eene maatschappij, welke
zoozeer aan plichtplegingen, aan heuschheid in al haar doen en laten
gehecht is, onder het oogpunt van de beschaving des geestes eene
zekere hoogte moet bereikt hebben, en voorzeker niet op eene lijn
dient gesteld te worden met de overige Germaansche volken?
Men zou kunnen opwerpen, dat deze uiterlijke vormen nog geen bewijs
zijn van de ware, van de innerlijke beschaving, die van het gemoed;
dat zij niets meer zijn dan een schoone tint, een vernis, waaronder
de aangeboren woestheid van den Germaanschen natuurmensch zich
verbergt. Daarom zal het noodig zijn ons eene voorstelling te maken
van de zedelijke ontwikkeling der helden, van de drijfveeren, die
hen deden handelen.
Wij zagen reeds, dat het dienstgevolgschap nog altoos bloeit, eene
instelling, welke op trouw en aanhankelijkheid en niet, zooals het
latere leenstelsel, op louter zelfzucht berust, en derhalve alleen
mogelijk is bij eene maatschappij, welke een hoog zedelijk peil
heeft bereikt.
Hrodgar is niet alleen de beschermer, maar ook de vriend der
Schyldings. Hij is het hoofd van het groote gezin. Eene vaderlijke
bezorgdheid koestert hij voor zijne mannen en dit is de reden, waarom
hij zich door het geheele epos zoo weekhartig voordoet; zoodat hij
veel heeft van eenen door leed en jaren suf geworden huilebalk.
Grendel heeft twaalf jaren lang eene schromelijke slachting onder de
Denen aangericht, en gedurende al dien tijd
broeide hij voortdurend,
De zoon van Healfdeen, zorgen voor het heden; (192-93)
want hij
had der trouwen,
Der dierbre mannenschaar weer des te minder. (492-93)
Het sneven van Grendel schenkt hem slechts eene kortstondige
verademing, daar Grendels moeder Aeschere «des konings meest beminden
kamper» doodt. Deze tweede slag verplettert hem gansch:
Naar welstand vraag me niet. De nood is weder
Vernieuwd den Denenlieden. Dood is Aeschere,
Hij Yrmenlafes eerstgeboren broeder. (1346-48)
Groot is dan ook zijne dankbaarheid jegens zijnen redder en hij weet
er niets beters op te vinden, dan hem tot zoon aan te nemen. Als
eindelijk het uur der scheiding geslagen is, neemt hij onder tranen
van hem afscheid, want een voorgevoel zegt hem, dat hij hem nimmer
zal weerzien:
Hierop kuste
De hooggeboren vorst, de heer der Schyldings,
Der helden besten, zijnen hals omvattend.
Den zilvergrijze zegen neer de tranen. (1914-17)
Geene mindere genegenheid voor zijne mannen legt Beowulf aan den dag.
Hij alleen waakt in Heorot, terwijl zijne onversaagde makkers zich aan
den slaap overleveren, vol vertrouwen als ze zijn op zijne machtige
hoede, al zijn ze er dan ook zeker van, dat voor hen geen tweede
morgen zal dagen:
Niemand hunner hoopte
Van hier nog 't dierbaar heim en 't volk te groeten,
Of 't burgslot, waar zij waren opgewassen. (705-7)
Op het punt van in 't grondelooze meer te springen drukt hij Hrodgar
wel op het hart, om in zijne plaats de tochtgenooten tot vader te
strekken, mocht hij er het leven bij inschieten:
Indien ik eens in uwen dienst het leven
Verlaat, dat gij voor mij, den overledene,
Voortaan vervullen zult de plaats van vader.
O, Wees de wachter van de wapenlieden,
Mijn handgezellen, zoo de kamp mij heenrukt. (1505-9)
Alvorens te sterven geeft hij aan Wiglaf zijne eigen wapenrusting
tot aandenken, als het kostbaarste pand, dat hij hem kon overlaten.
Niet alleen is de koning een vriend en vader voor zijne mannen,
maar ook een weldoener. Wij zagen reeds, op welke wijze hij den
wapendienst vergeldt.
Vrijgevigheid is een der hoofddeugden van den Germaanschen vorst,
terwijl de gierigheid naast den overmoed als oorzaak van zijnen
ondergang wordt aangemerkt; dit wordt bij Heremod bewaarheid.
En geen wonder, want door mildheid kon hij zich alleen eene uitgelezen
schaar aanwerven; rijkdom was voor hem een onontbeerlijke hefboom
van het gezag.
Hij heet dan ook de goudvriend, de schatheer, de gever van het goud;
de troonzaal is de giftstoel, de goudzaal.
De gevolgsman draagt er niet weinig roem op, eenen milden heer
te dienen:
Dan kan aan 't goud der Gooten vorst erkennen,
De zoon van Hredel, zoo hij ziet de schatten,
Dat ik een meer dan milden goudbegever
Gevonden heb en hield, zoolang ik leefde. (1512-15)
Het geschenk moet den gever en den begiftigde waardig zijn, zoodat
niemand er iets op af te dingen heeft:
Zoo ridderlijk vergold met goud en rossen
Het kampgeraas de wijdberoemde koning,
De schatheer van den stam; gelijk geen stervling,
Die waarheid spreekt naar recht, het zal berispen. (1060-63)
Hetzelfde oordeel wordt uitgesproken over de aan Wulf en Eofor
toegekende belooning. (3101)
Hrodgars geschenken dragen integendeel de goedkeuring weg van Beowulfs
mannen:
Onderwege
Werd dikwerf goedgekeurd de gift van Hrodgar. (1930)
De drie hoedanigheden, welke Beowulf tot toonbeeld maken van den
Oudengelschen heerscher, zijn vervat in de slotverzen:
Zij zeiden, dat hij was der wereldvorsten,
Der mannen mildste, 't minzaamst voor de menschen,
Het liefste voor het volk, het lofbegeerigst.
Gaan wij nu de verhouding na van den gevolgsman tot zijnen gevolgsheer.
Hier treedt de onverbreekbare trouw overal op den voorgrond.
't Is waar, de latere Romaansche volksdichten, alsmede het
Nibelungenlied, steken luide de loftrompet over de trouw van den
leenman tot zijnen leenheer; doch de Beowulf is hen voor geweest in
de verheerlijking dezer ridderlijke eigenschap, welke uit het volle
Germaansche gemoed is gegrepen.
De wederzijdsche verknochtheid van heer en dienstman wordt
volgenderwijze uitgesproken:
Aan Hygelac, den weerbren in 't geworstel,
Aan dezen was de neef geheel genegen.
Elk hunner was des andren heil gedachtig. (2226-28)
Deze verkleefdheid toont de gevolgsman eerst en vooral op het slagveld:
'k Vergold aan Hygelac de kostbaarheden,
Die deze mij verstrekt had, in het strijdperk
Door 't lichtend lemmer, naar het mij verleend was. (2562-64)
Wiglaf drukt in zijne gloeiende rede hetzelfde uit. (2715 vlg.).
Deze gehechtheid aan den vorst is niet het uitvloeisel van de hebzucht,
van het verlangen naar eene rijke belooning, maar van een hooger
beginsel, het plichtgevoel; al is het dan ook waar, dat een geschenk
steeds welkom is.
Hiervoor pleit Beowulfs gedrag, die de hem door Hrodgar geschonken
kostbaarheden aan Hygelac en dezes gade afstaat, ja zelfs het
onwaardeerbare halssieraad, het eenige in zijne soort.
Hrodgar roept Beowulfs hulp in, door hem te bezweren bij het leven
van Hygelac:
Mij bad de koning leedvol bij uw leven,
Dat 'k waagde een ridderwerk in 't golfgewentel. (2188-89)
De verknochtheid aan den koning der Denen, waarvan de held blijk
geeft, (hij belooft hem zelfs uit zijn land te hulp te komen, zoo
het noodig is), weegt niet op tegen die aan Hygelac. Daarom verzoekt
hij den vorst, alvorens het gevecht aan te gaan met Grendel, zijne
wapenrusting aan Hygelac te zenden, zoo hij er het leven laat.
Maar zend dan, zoo het strijdgewoel mij wegrukt,
Naar Hygelac het puike pantser henen,
Dat mijne borst beschut, het schoonste krijgskleed. (455-57)
Vóór den kamp op den bodem van het meer boezemen dezelfde gevoelens
hem de woorden in:
En zend dan insgelijks, mijn lieve Hrodgar,
De mij geschonken schatten heen aan Hyglac. (1510-11.)
Dezelfde trouw, welke Beowulf voor zijnen heer aan den dag legt,
wordt hem op zijne beurt door zijne eigen krijgers bewezen.
Denken wij aan het tooneel op den oever van het Nikkermeer, waar de
Gooten Beowulfs terugkomst reikhalzend te gemoet zien. Een bloedstraal
schiet te voorschijn. Het wachten moede aanvaarden de radelooze Denen
den terugtocht; de anderen nochtans blijven ter plaatse met den dood
in het hart.
De vreemden zaten droef van zin en tuurden
Naar 't water heen. Zij wisten noch zij waanden
Hem zelven nog te zien, den vriend en heerscher. (1635-37).
Er is nog een ander held, die zijnen meester in den drakekamp trouw
ter zijde staat. Het is de jonge Wiglaf, van wien de dichter zegt: