Vooral trekt de aanvoerder zijne aandacht; want zijn edel uiterlijk
heeft niets gemeen met dat van eenen dorper:
'k Ontwaarde nooit ter wereld koener krijger
Dan uwer een, dien ridder in de rusting.
Voorwaar geen huisman is 't, gedost in 't wapen,
Tenzij 't gelaat, die leest, die eenge, liege. (251-54)
Met welke voorkomendheid bejegent hij niet de vreemdelingen, nadat
zij het doel hunner reis hebben blootgelegd! Hij doet hun een eind
weegs uitgeleide en belooft een wakend oog te houden op hun schip.
Aan het hof gekomen moeten de bezoekers eerst om gehoor vragen,
alvorens bij den koning toegelaten te worden.
Wulfgar komt hun te gemoet en doet de gebruikelijke vragen, want hij
is Hrodgars bode of liever ceremoniemeester, volgens onze hedendaagsche
begrippen.
Daarna treedt hij weder binnen, om hen in gepaste, eerbiedige taal
aan te dienen; hij plaatst zich niet recht voor den koning, maar ter
zijde, aan zijnen schouder, want: