Hij gaat naar 't rustvertrek en zingt een rouwlied. (2530)

Rookwolken vermengd met treurzangen verheffen zich boven Beowulfs

brandmijt:

Zij klaagden lustverstoken

Hun hartekwaal, den dood des krijgerkonings.

Ook zong alzoo de jonkvrouw jammerspreuken

Om Beowulf, zij met saamgebonden lokken,

Door zorgen aangezet enz. (3262-66)

Is eindelijk de lijkheuvel opgeworpen, dan rijden de zonen van de

twaalf rijksgrooten rond het gedenkteeken:

Zij wilden weder klagen, weer gewagen

Van hunnen koning, weder spreuken konden

En nopens hem verhalen al het goede. (3286-88)

Bij de drinkgelagen, welke het grootste gedeelte van den dag tot laat

in den nacht duurden, werd de luidruchtige vroolijkheid, scherts en

lach afgewisseld door het zingen van oude sagen met begeleiding van

de harp.

Zoo laat de inlasscher den dichter het scheppingsverhaal voordragen,

zoo luisteren de aanzittenden met gespannen aandacht naar de

Finn-episode, het krijgslied van de onverzoenbare wraakzucht.

Ziehier het tafereel, dat Beowulf aan Hygelac ophangt van de gezellige

bijeenkomsten aan het Denenhof; wij zien er uit, dat de Germanen,

zoo zij zich ook aan den drank te buiten gingen, desniettegenstaande

bevrediging schonken aan de hoogere eischen van het dichterlijk gevoel.

Daar was gezang en scherts. De grijze Schylding

Vertelde uit vroeger tijd, naar menig vorschend.

Hij tokkelde af en toe, de kampgeduchte,

De zoete harp, het hout der vriendenvreugde.

Te met ontspon hij sproken waar en weevol,

Ofwel de grootgezinde koning zette

Een wonderbaar verhaal uiteen naar waarheid.

Dan weer begon de grijze wapenvoerder,

Door ouderdom gekluisterd, naar de kampkracht

Te zuchten zijner jeugd. Hem bruiste 't binnenst,

Wanneer, door winters oud, hij 't aantal nadacht. (2160-70)

Zelfs in omstandigheden, waar de dichterlijke voordracht alles behalve

gemakkelijk kan geschieden, wordt dit zoo geliefkoosde tijdverdrijf

niet vergeten. Terwijl het moedig gezelschap van het meer terugkeert,

waar zij het spoor van den gewonden Grendel gevolgd hebben, en de

paarden stapvoets gaan, haalt een hunner de sage van Sigmund op,

terwijl hij zelfs, en dit is merkwaardig genoeg, Beowulfs wapenfeit,

dat den vorigen dag heeft plaats gehad, voor de vuist bezingt en met

dien held der dichterlijke overlevering in verband brengt. Ziedaar een

sprekend voorbeeld van het ontstaan der sage, die haren oorsprong neemt

uit een werkelijk feit en dit met eenen mythischen held samenvlecht.

Een ander bewijs voor de verstandelijke ontwikkeling der Oudengelsche

wereld zouden wij kunnen vinden in de beschrijving van den veldslag

tusschen de Gooten, onder Hadcyn en Hygelac, van den eenen, en

Ongentheow, den koning der Zweden, van den anderen kant. (3025 vlg.)

Het is geen ordelooze kamp, maar een geregeld gevecht, dat getuigt

van een voor dien tijd niet gewoon krijgsbeleid.

Ongentheow doet eenen uitval uit zijne versterkte stelling, drijft

Hadcyn terug en sluit hem in het Ravenbosch in; den volgenden morgen

daagt Hygelac tot ontzet op, verslaat Ongentheow en werpt hem terug

in zijne verschansing.

Hier hebben wij met geregelde krijgsbewegingen te doen; doch nog meer:

De Zweden worden uit hunne stelling verjaagd en slaan op de vlucht,

doch Ongentheow wordt tot staan gebracht. Op welke wijze dit zich

toegedragen heeft, wordt niet gezegd, maar het zal niet al te gewaagd

zijn te veronderstellen, dat een gedeelte der Gooten den vijand in

den rug heeft aangetast.

Doch wij willen liever bij een ander punt stilstaan, dat het helderste

licht werpt op de ontwikkeling van deze zoogenaamde barbaren.

Het zijn de beschaafde vormen, de heusche manieren, ja zekere

voorgeschreven plichtplegingen, welke aan het hof van Hrodgar den

toon geven.

De hoffelijkheid was, niet minder dan de moed, eene eigenschap van

den edelman, en de helden rekenden het zich tot eene eer, door hun

gedrag te toonen, dat zij geene vreemdelingen waren in de kennis

der hofgebruiken.

Het zijn allen in meer dan een opzicht echte «gentlemen,» al is het

woord dan ook van latere Engelsche vinding.

Vriendelijkheid, welwillendheid, onderlinge waardeering drukken hunnen

stempel op het dagelijksch verkeer.

Als de Gooten, die met Beowulf koers zetten naar de Deensche kust,

aan wal gestapt zijn, vraagt de kustwachter naar hunne afkomst en

bedoelingen. Dit doet hij in beleefde taal.

Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien · 第 15 / 137 题