Rookwolken vermengd met treurzangen verheffen zich boven Beowulfs
brandmijt:
Zij klaagden lustverstoken
Hun hartekwaal, den dood des krijgerkonings.
Ook zong alzoo de jonkvrouw jammerspreuken
Om Beowulf, zij met saamgebonden lokken,
Door zorgen aangezet enz. (3262-66)
Is eindelijk de lijkheuvel opgeworpen, dan rijden de zonen van de
twaalf rijksgrooten rond het gedenkteeken:
Zij wilden weder klagen, weer gewagen
Van hunnen koning, weder spreuken konden
En nopens hem verhalen al het goede. (3286-88)
Bij de drinkgelagen, welke het grootste gedeelte van den dag tot laat
in den nacht duurden, werd de luidruchtige vroolijkheid, scherts en
lach afgewisseld door het zingen van oude sagen met begeleiding van
de harp.
Zoo laat de inlasscher den dichter het scheppingsverhaal voordragen,
zoo luisteren de aanzittenden met gespannen aandacht naar de
Finn-episode, het krijgslied van de onverzoenbare wraakzucht.
Ziehier het tafereel, dat Beowulf aan Hygelac ophangt van de gezellige
bijeenkomsten aan het Denenhof; wij zien er uit, dat de Germanen,
zoo zij zich ook aan den drank te buiten gingen, desniettegenstaande
bevrediging schonken aan de hoogere eischen van het dichterlijk gevoel.
Daar was gezang en scherts. De grijze Schylding
Vertelde uit vroeger tijd, naar menig vorschend.
Hij tokkelde af en toe, de kampgeduchte,
De zoete harp, het hout der vriendenvreugde.
Te met ontspon hij sproken waar en weevol,
Ofwel de grootgezinde koning zette
Een wonderbaar verhaal uiteen naar waarheid.
Dan weer begon de grijze wapenvoerder,
Door ouderdom gekluisterd, naar de kampkracht
Te zuchten zijner jeugd. Hem bruiste 't binnenst,
Wanneer, door winters oud, hij 't aantal nadacht. (2160-70)
Zelfs in omstandigheden, waar de dichterlijke voordracht alles behalve
gemakkelijk kan geschieden, wordt dit zoo geliefkoosde tijdverdrijf
niet vergeten. Terwijl het moedig gezelschap van het meer terugkeert,
waar zij het spoor van den gewonden Grendel gevolgd hebben, en de
paarden stapvoets gaan, haalt een hunner de sage van Sigmund op,
terwijl hij zelfs, en dit is merkwaardig genoeg, Beowulfs wapenfeit,
dat den vorigen dag heeft plaats gehad, voor de vuist bezingt en met
dien held der dichterlijke overlevering in verband brengt. Ziedaar een
sprekend voorbeeld van het ontstaan der sage, die haren oorsprong neemt
uit een werkelijk feit en dit met eenen mythischen held samenvlecht.
Een ander bewijs voor de verstandelijke ontwikkeling der Oudengelsche
wereld zouden wij kunnen vinden in de beschrijving van den veldslag
tusschen de Gooten, onder Hadcyn en Hygelac, van den eenen, en
Ongentheow, den koning der Zweden, van den anderen kant. (3025 vlg.)
Het is geen ordelooze kamp, maar een geregeld gevecht, dat getuigt
van een voor dien tijd niet gewoon krijgsbeleid.
Ongentheow doet eenen uitval uit zijne versterkte stelling, drijft
Hadcyn terug en sluit hem in het Ravenbosch in; den volgenden morgen
daagt Hygelac tot ontzet op, verslaat Ongentheow en werpt hem terug
in zijne verschansing.
Hier hebben wij met geregelde krijgsbewegingen te doen; doch nog meer:
De Zweden worden uit hunne stelling verjaagd en slaan op de vlucht,
doch Ongentheow wordt tot staan gebracht. Op welke wijze dit zich
toegedragen heeft, wordt niet gezegd, maar het zal niet al te gewaagd
zijn te veronderstellen, dat een gedeelte der Gooten den vijand in
den rug heeft aangetast.
Doch wij willen liever bij een ander punt stilstaan, dat het helderste
licht werpt op de ontwikkeling van deze zoogenaamde barbaren.
Het zijn de beschaafde vormen, de heusche manieren, ja zekere
voorgeschreven plichtplegingen, welke aan het hof van Hrodgar den
toon geven.
De hoffelijkheid was, niet minder dan de moed, eene eigenschap van
den edelman, en de helden rekenden het zich tot eene eer, door hun
gedrag te toonen, dat zij geene vreemdelingen waren in de kennis
der hofgebruiken.
Het zijn allen in meer dan een opzicht echte «gentlemen,» al is het
woord dan ook van latere Engelsche vinding.
Vriendelijkheid, welwillendheid, onderlinge waardeering drukken hunnen
stempel op het dagelijksch verkeer.
Als de Gooten, die met Beowulf koers zetten naar de Deensche kust,
aan wal gestapt zijn, vraagt de kustwachter naar hunne afkomst en
bedoelingen. Dit doet hij in beleefde taal.