Degene, die door den koning het meest gewaardeerd wordt, is Aeschere,
des konings
alvertrouwde en raad verstrekker tevens. (1349)
Bij de oprichting van Beowulfs grafheuvel worden deskundigen in den
arm genomen:
Zij wierpen eenen wal er om, zoo deugdelijk
Als 't hoogst ervaren mannen konden vinden. (2276)
Niet alleen bij de ouderlingen, maar ook bij de jongeren werd wijze
bezadigdheid op prijs gesteld. Hrodgar vat Beowulfs aanspraken op
vermaardheid in twee woorden samen:
Gestadig waakt gij op dit alles, sterkte
En wijsheid van gemoed. (1738)
Is het dus te verwonderen dat de welsprekendheid zoo hoog aangeschreven
stond bij deze ernstige mannen?
Eene wijze rede wordt op ééne lijn gesteld met het kostbare goud:
Beowulf «opent de schatten des woords» (261) en verzoekt om met
Hrodgar «den woordenschat te mogen wisselen.» (367)
Voor deze «barbaren» bestond het ideaal van den held niet alleen
in lichaamskracht, maar ook in de evenredige ontwikkeling van hart
en geest!
Op meer dan eene plaats wordt dit uitgesproken.
De kustwachter zegt:
Ja, een scherpe schildman
Van beide weet bescheid, van woord en werken.
Hrodgar reikt aan Beowulf het volgende getuigschrift uit:
Van geenen man nog hoorde
Ik op die jonge jaren rijper rede.
Gij zijt aan krachten sterk, aan geest verstandig,
Aan woorden wijs. (1884-87)
Welke diepe kloof ligt er niet tusschen dezen held en de ridders
van het leenwezen, die ijzervreters, wier bekrompen verwaandheid
de domme kracht alleen huldigde, zoodat de dichter van Reinaert,
ons Nederlandsch volksepos, ze in Bruin den beer aan de kaak heeft
gesteld tot lachwekkend schouwspel voor alle eeuwen!
Al de redevoeringen munten uit door eenen ernstigen, kalmen, waardigen
toon, welken de Engelsche letterkunde niet meer heeft afgelegd.
Niet minder dan de welsprekendheid staat de dichtgave hoog
aangeschreven, de kunst om (882) «naar eisch gerangschikt nieuwberijmde
woorden» d. i. stafrijmen te vinden.
Wij gelooven niet, dat Hrodgar er eenen hofnar op zou nagehouden
hebben, doch hij bezat iets beters, den hofdichter, den thyled of
spreker, die niet alleen aangesteld was om de daden der beroemde helden
te bezingen, maar ook om het gezellige onderhoud gaande te houden.
Dit ambt vervult Unferd. Hij behoort tot het gevolg des konings en is,
wat edele geboorte en dapperheid betreft, de evenknie van den besten
onder zijne wapenmakkers. Zelfs kunnen wij zeggen, dat hij boven al
de overigen gewaardeerd wordt, want zijne plaats is aan de voeten
des konings, d. i. op de derde eereplaats na Hrodgar en Beowulf.
Evenals het ambt van hofdichter zoo stond ook de dichtkunst zelve in
hooge eer. Zij speelt eene rol in al de omstandigheden des levens,
in lief en leed, bij feestmalen en begrafenis.
In dit opzicht heeft het Oudengelsch gedicht eenige overeenkomst met
dat der Finnen, de Kalewala, bij welke de macht der poëzie schering
en inslag is van het volksepos.
Halen wij eenige voorbeelden aan tot staving van het gezegde.
Hildeburg treurt bij den brandstapel van de in den strijd gesneuvelde
dierbaren:
De ontroostbre vrouwe treurde bij den schouder
In klaaggezang. (1130)
Hredel heeft zijnen oudsten zoon op noodlottige wijze verloren en
vindt nog alleen vertroosting in de poëzie: