XVIII.

--Het geeft je toch niet of je mij al vertelt, dat je braaf gaat

worden, riep Lord Henry, terwijl hij zijne witte vingers doopte in een

rood koperen kom met rozewater. Je bent uitstekend zooals je bent.

Verander dus niets aan jezelf.

Dorian Gray schudde het hoofd.

--Neen Harry, ik heb te veel slechts gedaan in mijn leven. Ik ga mijn

leven beteren. Gisteren ben ik er mee begonnen.

--Waar was je gisteren?

--Buiten. Ik logeerde heel alleen in een klein logementje.

--Maar jongenlief, iedereen kan braaf zijn buiten. Daar is niet de

minste verleiding. Dat is ook de reden, waarom buitenmenschen zoo

ongecivilizeerd zijn. Civilizatie is niet zoo gemakkelijk te bereiken.

Je kunt er op twee manieren aan komen. Door ontwikkeling en door

zedenbederf. Buitenmenschen kennen geen van beiden, dus blijven zij

staan.

--Ontwikkeling en zedenbederf, herhaalde Dorian. Ik heb van beide iets

gekend. Ik vind het verschrikkelijk, dat ze altijd samen moeten gaan.

Want ik heb een nieuw ideaal, Harry. Ik ga me beteren. Ik geloof, dat

ik al goed op weg ben.

--Je hebt me nog niet verteld, wat je brave daad van gisteren was. Of

heb je er meer dan één gedaan? vroeg Lord Henry, en hij stapelde op

zijn bord eene kleine pyramide van aardbeien, besneeuwde ze met

suiker.

--Ik zal het je vertellen, Harry. Het is niet iets wat ik aan een

ander zeggen zoû. Ik heb iemand gespaard. Het klinkt erg ijdel, maar

je weet wat ik er meê bedoel. Ze was heel mooi, heel lief. Ze leek op

Sibyl Vane. Ik geloof, dat mij dat het eerst tot haar aantrok. Je

herinnert je Sibyl nog, niet waar? Wat schijnt dat lang geleden! Nu,

Hetty was niet van onzen stand natuurlijk. Ze was een boerenmeisje.

Maar ik hield waarlijk van haar. Ik weet zeker, dat ik van haar hield.

De heele mooie maand Mei, ging ik twee-, driemaal in de week naar haar

toe. Gisteren wachtte zij mij op in den kleinen boomgaard. De

appelbloesems regenden over haar heen en zij lachte. Wij zouden van

morgen vroeg zijn weggeloopen. Op eens besloot ik haar te verlaten,

zooals ik haar gevonden had, rein als een bloem.

--Ik geloof gaarne, dat de nieuwigheid van die emotie je een prettig

gevoel gegeven moet hebben, Dorian, viel Lord Henry in. Maar ik kan de

idylle voor je afmaken. Je gaf haar een goeden raad en brak meteen

haar hart. Dat is nu het begin van je hervorming.

--Harry, je bent onverdragelijk! Je moet zulke akelige dingen niet

zeggen, Hetty's hart is volstrekt niet gebroken. Natuurlijk huilde

zij, en zoo wat meer. Maar er ligt geen schande op haar. Zij kan als

Perdita voortleven in haar hof van kruizemunt en goudsbloemen.

--En treuren over een trouweloozen Florizel, lachte Lord Henry. Dorian

je kan verschrikkelijke naïeve idees hebben. Denk je nu werkelijk, dat

het kind ooit tevreden zal zijn met iemand uit haar stand. Ze zal wel

eens trouwen met een ruwen karrevoerder of een grinnekenden boer. Maar

het feit alleen, dat ze je ontmoet heeft en dat ze van je gehouden

heeft, zal haar leeren haar man te minachten en zal ze diep ongelukkig

worden. Uit een zedelijk oogpunt kan ik nu niet zeggen, dat ik je

opoffering heel bizonder vind. Zelfs voor een begin heeft het weinig

te beteekenen. Buitendien, hoe weet je, dat Hetty nu op dit moment

niet drijft in een plas met sterren boven haar en mooie waterlelies om

haar heen, als Ofelia.

--O, Harry! Je bespot eerst alles en dan haal je de grootste tragedies

op. Het spijt me nu, dat ik het je vertelde. Het kan mij niet schelen,

wat je ook beweert. Ik voel, dat ik goed deed. Arme Hetty! Toen ik van

morgen de boerderij voorbijreed, zag ik haar wit gezichtje aan een

raam, als een bleek jasmijnentakje. Laat ons er niet meer over praten

en tracht nu maar niet te bewijzen dat mijn eerste goede daad, de

eerste opoffering, die ik mij sedert jaren getroostte, eigenlijk weêr

een soort van zonde is. Ik wil beter worden. Ik zal beter worden.

Vertel me maar iets over jezelven. Wat gebeurt er hier in de stad? Ik

ben in dagen niet meer naar de club geweest.

--Ze hebben het nog erg druk over de verdwijning van Basil.

--Ik begrijp niet, dat ze daar nog niet genoeg van hebben, zei Dorian,

terwijl hij zich een glas wijn inschonk, en zijn voorhoofd rimpelde.

--Jongenlief, ze praten er pas zes weken over, en het Britsche publiek

is heusch niet in staat om meer dan één onderwerp in de drie maanden

te bepraten. In den laatsten tijd hebben ze het erg druk gehad. Eerst

mijn divorce, toen de zelfmoord van Alan Campbell en nu de

geheimzinnige verdwijning van een voornaam artist. Scotland Yard houdt

vol, dat de man in den grijzen ulster, die den 9den Nov. met den

nachttrein naar Parijs vertrok, Basil was, en de Fransche politie

verklaart, dat Basil nooit in Parijs is aangekomen. Over een dag of

veertien zullen ze vertellen, dat hij in San Francisco gezien is. Het

is zeker een heerlijke stad, met al de attracties van de wereld

hiernamaals.

--Wat denk jij, dat er met Basil gebeurd is? vroeg Dorian, zijn

Bourgonje tegen het licht houdend, zelve verwonderd, dat hij zoo kalm

over de zaak kon spreken.

--Ik heb er niet het minste idee van. Als Basil plezier heeft zich

schuil te houden, gaat het mij niet aan, en als hij dood is, dan denk

ik er liefst zoo min mogelijk aan. Dood-gaan is het eenige waar ik

bang voor ben. Ik vind het iets verschrikkelijks.

--Waarom? vroeg Dorian moê.

--Omdat, sprak Lord Henry, je tegenwoordig alles kunt overleven,

behalve juist dat eene. Dood en vulgariteit zijn de twee eenige

dingen, die je in onze eeuw niet kan wegcijferen. Laat ons in de

muziekkamer onze koffie drinken. Je moest eens wat Chopin voor me

spelen. De man, met wien mijn vrouw wegliep, speelde Chopin

verrukkelijk. Arme Victoria! Ik mocht haar wel. Het huis is

uitgestorven zonder haar. Het huwelijksleven is niets dan een

gewoonte. Maar de mensch is zoo, dat hij zelfs het verlies van zijn

slechtste gewoonten regretteert. Misschien die wel het meest. Ze zijn

zoo een deel van je persoonlijkheid.

Dorian antwoordde niet, maar stond van tafel op en zette zich in de

kamer voor de piano, de vingers dwalende over het zwart en wit ivoor

der noten; toen de koffie was binnengebracht, stond hij op en,

omziende naar Lord Henry, zeide hij:

--Harry, is het ooit bij je opgekomen, dat Basil vermoord kon zijn?

Lord Henry gaapte.

--Basil was heel populair en hij droeg altijd een Waterburyhorloge.

Waarom zoû hij vermoord zijn? Hij was niet knap genoeg om vijanden te

hebben, O, hij had een prachtig talent voor schilderen. Maar je kan

wel zoo mooi schilderen als Velasquez en toch aartsvervelend zijn. En

Basil was heel vervelend. Hij heeft mij maar eens geïnteresseerd, en

dat was toen hij me, jaren geleden, vertelde van zijn passie voor jou.

--Ik hield heel veel van Basil, sprak Dorian, een klank van

treurigheid in zijne stem. Maar wordt er niet verteld, dat hij

vermoord is?

--O ja, sommige couranten beweren het. Maar ik vind het niet

waarschijnlijk. Ik geef toe, dat er in Parijs gevaarlijke buurten

zijn, maar Basil was niet iemand om daar heen te gaan. Hij was niets

nieuwsgierig, dat was trouwens zijn grootste fout.

--Harry, wat zoû je er van zeggen, als ik je vertelde, dat ik Basil

vermoord had? vroeg Dorian.

Hij zag Lord Henry strak aan.

--Beste kerel, ik zoû zeggen, dat je pozeert voor iets, waar je niet

geschikt voor bent. Iedere misdaad is banaal, evenals iedere

banaliteit een misdaad is. Het zit niet in je, Dorian, om een moord te

begaan. Het spijt me als ik je ijdelheid hiermeê een knak geef, maar

ik verzeker je, dat het zoo is. De misdaad komt uitsluitend van het

volk. Ik veroordeel ze er ook niet om. Ik geloof, dat het voor hun

hetzelfde is, als voor ons kunst; niets anders dan een manier om

buitengewone emoties te ondervinden.

--Een manier om emoties te ondervinden? Denk je dan, dat een man, die

eens een moord beging, diezelfde daad nog eens over kan doen? Dat zal

je toch niet beweren?

--O, alles wordt een genot als je het maar dikwijls genoeg doet,

lachte Lord Henry. Dat is een van de grootste geheimen van het leven.

Ik voor mij geloof, dat een moord altijd een vergissing is. Je moet

nooit iets doen, waarover je na het diner niet praten kan. Maar laat

ons nu Basil laten rusten. Ik woû, dat ik gelooven kon, dat hij een

zoo romantisch einde heeft gehad, als je beweert, maar ik geloof het

niet. Ik denk eerder, dat hij boven van een omnibus in de Seine viel,

en dat de conducteur de zaak doodzweeg. Ja, dat geloof ik bepaald. Ik

zie hem al liggen op zijn rug in dat vuile, groene water, terwijl

zware booten over hem heen varen en lange wurmen zich in zijn haren

hechten. Ik geloof niet, dat hij in staat was nog iets moois te

leveren. De laatste tien jaren is zijn kunst erg achteruit gegaan.

Dorian zuchtte diep, en Lord Henry liep de kamer door en begon den kop

van een Javaanschen papegaai te krauwen, een groote grijze vogel met

roode borst en staart, die wiegelde op een bamboestokje.

Toen zijne puntige vingers het dier aanraakten sloot het de witte

oogleden over de zwarte kralen van oogen en wiegde heen en weêr.

--Ja, ging hij voort; zijn kunst is erg achteruit gegaan. Het is net

of er iets aan mankeerde, of het zijn ideaal verloren had. Toen jullie

ophielden intieme vrienden te zijn, hield hij op een groot artist te

wezen. Wat is er eigenlijk tusschen jullie gebeurd? Verveelde hij je?

Dat zal hij je nooit vergeven hebben. Dat is een eigenschap van

vervelende lui. A propos, wat is er toch geworden van dat mooie

portret, dat hij van jou gemaakt heeft? Ik geloof niet, dat ik het

ooit weêr gezien heb. O, ik herinner me, dat je me jaren geleden

vertelde het naar Selby gezonden te hebben, en dat het onderweg zoek

is geraakt. Heb je het nooit teruggekregen?! Jammer! Het was een

meesterstuk. Ik herinner me, dat ik het koopen wilde. Had ik het maar

gedaan! Het was een van Basils beste stukken. Na dien tijd is zijn

werk een mengelmoes geworden van slecht schilderen en goede

bedoelingen, het kenmerk van een Engelsch artist. Heb je er onderzoek

naar gedaan? Dat moest je toch doen!

--Ik weet het niet meer, zei Dorian; ik geloof het wel. Maar ik gaf

niet veel om het ding. Het spijt me nog, dat ik er voor gezeten heb.

De herinnering alleen is mij al hatelijk. Waarom spreek je er over?

Het herinnerde mij altijd aan die regels uit ... Hamlet, geloof ik ...

hoe was het ook weêr:

Een gelaat zonder een hart.

Ja, daar had het veel van.

Lord Henry lachte.

--Als je het leven artistiek opneemt, zit je hart in je hersens,

antwoordde hij, in een stoel zinkend.

Dorian Gray schudde het hoofd en sloeg een paar tonen aan op de piano.

--...Een gelaat zonder een hart! herhaalde hij.

Lord Henry lag achterover en zag naar hem met half gesloten oogen.

--Dorian, vroeg hij na een stilte; welk nut heeft de mensch of hij de

geheele wereld wint en ... hoe was het ook weêr ... zijn eigen ziel

verliest?

De muziek vervalschte en Dorian schrikte op en staarde zijn vriend

ontzet aan.

--Waarom vraag je me dat, Harry?

--Maar mijn beste jongen, zei Lord Henry, verbaasd de wenkbrauwen

optrekkend; omdat ik dacht dat jij er misschien het antwoord op zoû

kunnen geven. Dat is alles. Verleden Zondag liep ik door het Park, en

vlak bij Marble Arch stond een troepje arme lui te luisteren naar een

gewonen straatprediker. En toen ik voorbij ging hoorde ik den man dien

zin uitgillen. Het frappeerde me als iets dramatisch. Je vindt in

Londen meer zulke effectjes. Een regenachtige Zondag, een onsmakelijke

Christen in een regenjas, een kring van ziekelijk witte gezichten

onder het gebroken dak van druipende parapluies, en een vreemden tekst

uitgegalmd door schrille hysterische lippen, dat was een aardig

effect, zoo alles bij elkaâr, iets als een suggestie. Ik dacht er nog

over den profeet te vertellen, dat de kunst wèl een ziel, maar de

mensch er geen heeft. Maar ik was bang, dat hij me toch niet begrepen

zoû hebben.

--Harry, schei uit! De ziel is een realiteit, die verschrikkelijk is.

Je kunt haar koopen, verkoopen, verdobbelen. Je kunt haar vergiftigen

of je kunt er iets heel moois van maken. In ieder van ons is een ziel.

Dat voel ik.

--Ben je daar wel heel zeker van, Dorian?

--Heel zeker.

--Dan is het een illuzie. De dingen, waar je zoo heel zeker van bent

zijn nooit waar. Dat is het noodlottige van Geloof en de canon van het

Romantisme. Wat ben je ernstig! Dat moet je niet zijn. Wat hebben jij

of ik te maken met het bijgeloof van onze eeuw! Neen, wij gelooven

immers niet meer aan een ziel. Speel eens wat. Een nocturne, Dorian,

en vertel me dan onder het spelen, zachtjes, wat je gedaan hebt, om

zoo jong te blijven. Daar moet je toch een geheim voor hebben. Ik ben

maar tien jaar ouder dan jij, en ik ben gerimpeld en uitgeteerd en

geel. Je bent bepaald een wonder, Dorian. Je hebt er nooit zoo goed

uitgezien als van avond. Je herinnert me aan den eersten keer, toen ik

je zag. Je was wat bleu, wat schichtig en zoo geheel en al iets buiten

model. Je bent verandert, natuurlijk, maar niet in je uiterlijk. Ik

woû, dat je mij je geheim vertelde. Om mijn jeugd terug te krijgen,

zoû ik alles kunnen doen, behalve beweging nemen, vroeg opstaan en

solide leven. Jong te zijn! Daar gaat toch niets boven. Het is

bespottelijk om te praten over de onwetendheid van de jeugd. De eenige

opinies waar ik naar luister, zijn de opinies van de jongeren. Zij

zijn op ons vooruit. En de ouderen spreek ik altijd tegen. Dat doe ik

uit principe. Als je hun opinie vraagt over iets, dat gisteren gebeurd

is, geven ze je heel plechtig idees ten beste uit 1820, toen de

menschen hooge hakken droegen, en alles geloofden en niets wisten. Wat

is dat mooi, wat je daar speelde. Zoû Chopin het gecomponeerd hebben

op Majorca met het weenen van de zee om zijn villa heen, en het zoute

gesprinkel op de glazen? Het is iets bijzonder moois. Wat een geluk,

dat er nog één kunst is, die het nabootst. Schei nog niet uit. Ik heb

behoefte aan muziek van avond. Ik stel me zoo voor, dat jij Apollo

bent, ik Marsyas, die naar je luistert. Ik heb veel verdriet, Dorian,

verdriet van mijzelven, waar jij niets van weet. De tragedie van den

ouderdom is niet, dat je oud wordt, maar dat je jong bent. Ik sta soms

verbaasd over mijn eigen openhartigheid. O, Dorian, wat ben jij

gelukkig! Wat heb jij een heerlijk leven gehad! Je hebt van alles

genoten. Je hebt de druif tegen je verhemelte plat gedrukt. Niets is

je verborgen gebleven. En dat alles is niets meer voor je geweest dan

de klanken van muziek. Je bent er niet door bezoedeld, je bent

dezelfde gebleven.

--Ik ben niet dezelfde, Harry.

--Ja, dat ben je wel. Hoe zal je verder leven zijn. Bederf het niet

door onthoudingen; op het oogenblik ben je een type. Bederf niets aan

jezelven. Je bent nu zonder fout. Je hoeft zoo niet je hoofd te

schudden, je weet het zelf ook. Buitendien, Dorian, bedrieg jezelven

niet. Je kunt het leven niet regeeren met wil of met bedoelingen. Het

leven is een kwestie van zenuwen en spieren, en langzaam opgebouwde

celletjes, waarin de gedachte schuilhoudt en de passie zijn droomen

droomt. Je voelt je zeker van jezelven, je denkt sterk te zijn. Maar

Dorian, ik zeg je, ons leven hangt af van een kleinigheid, een nuance,

die je ziet in een lucht of in een kamer, een parfum, dat je eens lief

was, dat nu wazige heugenissen in je optoovert; een regel uit een lang

vergeten gedicht, dat je toevallig weêr ontmoet; een cadenz uit een

stuk, dat je niet meer speelt. Er zijn momenten dat de geur van witte

seringen over mij heen strijkt, en ik de vreemdste maand uit mijn

leven weêr opnieuw moet doorvoelen. Ik woû, dat ik met je ruilen kon,

Dorian. De wereld heeft veel over ons beiden gesproken, maar jou heeft

ze toch altijd aangebeden. En dat zal ze je altijd blijven doen. Je

bent het type van wat onze eeuw zoekt en wat ze vreest gevonden te

hebben. Ik ben blij, dat je nooit iets gedaan hebt, nooit een beeld in

marmer gehouwen, nooit een schilderij geschilderd, nooit iets

geschapen hebt, behalve jezelven. Het leven is je kunst geweest. Je

hebt jezelven op muziek gezet. Sonnetten zijn je levensdagen.

Dorian stond van de piano op, en streek zich met de hand door het

haar.

--Ja, het leven is voor mij geweest als een exquize kunst, en toch

Harry, zal ik niet meer dat zelfde leven leven. En je moet niet zoo

overdreven tot me spreken. Je weet niet alles van me. Ik geloof, dat

zoo je alles wist, zelfs jij je van mij af zoû wenden. O, je lacht.

Lach niet Harry!

--Waarom speel je niet meer, Dorian? Toe, speel die nocturne nog eens

over. Zie die groote gele maan daar hangen in een lucht van mist. Ze

wacht, dat je haar bekoren zal, en als je speelt zal ze dichter bij de

aarde komen. Wil je niet? Ga dan meê naar de club. Het is een

gezellige avond geweest en we zullen hem ook prettig eindigen. Daar is

iemand bij White, die erg verlangend is kennis met je te maken: de

jonge Lord Poole, de oudste zoon van Bournemouth. Hij draagt al

dezelfde dassen als jij, en vroeg mij hem aan je voor te stellen. Hij

is een charmante jongen--en laat me wel wat aan jou denken.

--Dat hoop ik niet, zei Dorian, met een treurige blik in de oogen.

Maar ik ben wat moê, Harry. Ik ga liever niet meê naar de club. Het is

bij elven, en ik ga vroeg naar bed.

--Kom, blijf nog wat op. Je hebt nooit zoo mooi gespeeld als van

avond. Je hadt in je aanslag een uitdrukking, die ik er nooit van te

voren in gehoord heb.

--Dat komt misschien omdat ik braaf ga worden, antwoordde hij met een

glimlach. Ik ben al een beetje veranderd.

--Voor mij kan je nooit veranderen, Dorian. Wij zullen altijd vrienden

blijven.

--En toch heb je me eens vergiftigd met een boek. Dat kan ik je niet

vergeven. Harry, beloof me, dat je dat boek nooit aan een ander zal

leenen. Het maakt slecht.

--Jongenlief, je begint waarachtig te moralizeeren, en dat moet je

niet doen: je bent er veel te amusant voor. En wat geeft het. Jij en

ik zijn wat we zijn en zullen dat ook altijd blijven. En dat je

vergiftigd bent door een boek, dat is onmogelijk. Kunst heeft geen

invloed op je handelingen. Het vernietigt integendeel je kracht tot

handelen. De boeken, die de wereld immoreel vindt, zijn die, welke de

wereld haar eigen schande toonden. Dat is alles. Maar laat ons niet

over litteratuur praten. Kom je morgen bij me? Ik ga om elf uur

rijden. We kunnen dan samen gaan dejeuneeren bij Lady Branksome. Ze is

een aardige vrouw en ze woû je raadplegen over een paar gobelins, die

ze koopen wil. Zal je komen? Of wil je liever lunchen met ons

hertoginnetje. Heb je misschien genoeg van Gladys? Ik kan het me best

begrijpen. Haar vlug tongetje werkt op je zenuwen. Enfin, kom in ieder

geval om elf uur.

--Is het bepaald noodig, Harry?

--Natuurlijk. Het Park is nu beeldig. Ik geloof, dat de seringen in

jaren niet zoo prachtig gebloeid hebben.

--Nu ik zal komen, zei Dorian. Goeden nacht, Harry.

Bij de deur aarzelde hij even, als had hij nog iets te zeggen.

Het portret van Dorian Gray · 第 20 / 22 题