XVII.

Den volgenden dag ging hij het huis niet uit, en was hij meest alleen

in zijne kamer, zielsbang om te sterven en toch onverschillig voor het

leven zelve. De gedachte, dat hij nagespoord, achtervolgd werd, hing

als een donkere wolk steeds over hem. Als de gordijnen in de wind heen

en weêr bewogen, begon hij te beven. De doode blaren, die tegen de

ruiten opgezwiept werden, waren hem als zijn eigen verwaaide

voornemens en berouwvolle buien. Sloot hij zijne oogen, dan zag hij

weêr voor zich het gelaat van den matroos, dat gluurde door het

beslagen glas en angst scheen weêr zijne hand te leggen op zijn hart.

Maar misschien was het slechts verbeelding, die de wraak had

opgeroepen en folterstraffen voor zijne oogen deed verrijzen! Het

leven was een chaos, maar er was zoo iets verschrikkelijk logisch in

de verbeelding. Het was de verbeelding, die het berouw aanhitste op de

zonde! Het was de verbeelding, die iedere misdaad bevruchtte met

misvormd gebroedsel. In het gewone leven der feiten werd de zonde niet

gestraft, noch de deugd beloond. De sterke overwon, de zwakke moest

het onderspit delven. Dat was al. Buitendien, als een vreemde zoo

geslopen had om het huis, zoû hij toch gezien zijn door de tuinlui of

de opzichters. Hadden er voetstappen gestaan op de bloemperken, dan

zouden de tuinlui het aangegeven hebben. Ja, het was zuivere

verbeelding; Sibyl Vane's broêr was niet teruggekomen om hem te

vermoorden. Hij was weggezeild op zijn schip en ergens op zee. Voor

hem was hij in ieder geval veilig. De man wist immers niet wie hij

was, kon het ook nooit weten. Het masker der jeugd had hem gered. Maar

al was het ook slechts een spel der verbeelding geweest, hoe

verschrikkelijk was het toch te denken, dat het geweten zoo

afschuwelijke spoken kon oproepen, ze een vorm kon geven, ze kon doen

bewegen, voor ons heen! Wat zoû zijn leven zijn, zoo die spooksels

zijner zonden hem bij dag en nacht uit stille hoekjes aangluurden, hem

uit schuilplaatsen uitlachten, hem in het oor fluisterden als hij aan

een diner zat, en hem wekten met ijzige vingers, als hij sliep.

Terwijl deze gedachte in zijn brein kroop, werd hij bleek van

ontzetting; de atmosfeer om hem heen scheen te verkillen. O! in een

uur van krankzinnigheid had hij zijn vriend vermoord! Spookachtig was

de herinnering aan die scène. Hij zag het alles weêr. Iedere

kleinigheid kwam met wreede juistheid bij hem op. Uit de zwarte

spelonk van den tijd rees het beeld zijner zonde, als een purper

fantoom van ontzetting. Toen Lord Henry om zes u bij hem kwam vond hij

hem snikken, als zoû zijn hart breken.

Den derden dag eerst durfde hij naar buiten gaan. Er was iets in de

heldere, dennengeurende lucht van dien wintermorgen, dat hem

vroolijkheid en levenskracht scheen terug te geven.

Na het ontbijt wandelde hij een uur langer met de hertogin in den

tuin, en reed toen door het park om zich bij de jagers te voegen.

Heele fijne ijzel lag als zout op het gras. De lucht was een klok van

blauw metaal. Een dun vliesje ijs voor aan de rieten boorden van het

meer. Aan den hoek van een dennenbosch zag hij Sir Geoffry Clouston,

den broêr der hertogin, die een paar geketste kogels uit zijn geweer

haalde. Hij sprong van zijn wagentje af, beval den groom naar huis te

gaan, en baande zich een weg naar zijne gasten, door het verdorde

hakhout.

--Goede jacht, Geoffry? vroeg hij.

--Niet al te best, Dorian. Ik denk, dat de vogels allemaal naar het

open veld zijn getrokken. Het zal na het lunch wel beter gaan, als we

op het nieuwe terrein jagen.

Dorian wandelde naast hem voort. De scherp gekruidde lucht, de bruine

en roode lichtjes, die in het bosch schitterden van tijd tot tijd, de

kreten der drijvers en daarop het knallen der geweren, deed hem

aangenaam aan, vervulde hem met zalig gevoel van vrijheid. Hij werd

overheerscht door eene zorgeloosheid van geluk, door de

onverschilligheid van het genot.

Op eens sprong er uit een hoopje verdord gras, enkelen afstand voor

hem uit, een haas, de zwartgestipte ooren steil overeind, de lange

achterpooten rechtuit gestrekt. Hij vluchtte naar een elzenboschje.

Sir Geoffrey legde aan, maar er was iets in de gracieuze bewegingen

van het dier, dat Dorian bekoorde, en hij riep:

--Niet schieten, Geoffrey, laat hem!

--Wat een nonsens, Dorian! lachte de ander, en toen de haas in het

boschje sprong, vuurde hij. Twee kreten werden gehoord, de kreet van

een haas in pijn, die verschrikkelijk is, de kreet van een mensch in

doodsnood, die vreeslijker klinkt.

--Groote God! Ik heb een van de drijvers getroffen, riep Sir Geoffrey

uit. Wat een ezel ook om voor de geweren te komen. Hoû op met

schieten! riep hij zoo hard mogelijk; er is iemand geraakt!

De opperjager kwam aanloopen, een stok in de hand.

--Waar meneer? Waar is hij? riep hij uit. Tegelijkertijd hield het

vuren overal op.

--Hier, antwoordde Sir Geoffry ontstemd, ijlend naar het boschje.

Waarom hoû je je menschen toch niet uit den weg? Mijn geheele dag is

er door bedorven.

Dorian volgde hen met den blik toen zij in het elzenboschje drongen en

de buigzame, dunne takken op zij schoven. Spoedig verschenen zij weêr,

zij trokken een lichaam achter zich voort, in het zonlicht. Hij keerde

zich om in afschuw. Het was hem of het ongeluk hem volgde waar hij

ging. Hij hoorde Sir Geoffry vragen of de man waarlijk dood was; toen

het ja van de jager. Het was hem of het bosch begon te leven, als met

vele gezichten. Hij hoorde het getrappel van duizenden voeten, het

doffe gemurmel van stemmen. Een groote fazant, met koperkleurige

borst, fladderde door de takken boven hen.

Na eenige oogenblikken, eindelooze uren van marteling, voelde hij een

hand op zijn schouder. Hij schrikte, en zag om.

--Dorian, zei Lord Henry; zoû ik maar niet zeggen, dat de jacht van

daag moet ophouden. Het staat niet om er meê door te gaan.

--Ik woû, dat ze nooit meer jaagden, Harry! antwoordde hij bitter. Het

is verschrikkelijk wreed. Zoû de man waarlijk ...

Hij kon zijn zin niet voleindigen.

--Ik vrees van ja, hernam Lord Henry. Hij kreeg het volle schot in de

borst. Hij moet bijna onmiddelijk dood geweest zijn. Kom, ga meê naar

huis.

Zij liepen samen in de richting van de laan, en spraken geen woord.

Eindelijk zag Dorian Lord Henry aan, en, met een zucht:

--Het is een slecht teeken Harry, een slecht voorteeken.

--Wat? vroeg Lord Henry. O, dit ongeluk zeker. Maar kerel, daar kon

niemand iets aan doen. Het was zijn eigen schuld. Waarom kwam hij ook

voor de geweren? Buitendien, hebben wij er heelemaal niets meê te

maken. Het is natuurlijk heel vervelend voor Geoffrey. Je mag zoo maar

geen drijvers schieten. En de menschen zullen zeggen, dat hij een

slecht jager is. Nu dat is niet zoo. Geoffrey mikt uitstekend. Maar

het geeft niets of we daar nu al over spreken.

Dorian schudde het hoofd.

--Het is een slecht voorteeken, Harry. Ik heb een gevoel of er iets

vreeselijks gebeuren zal met iemand van ons. Misschien met mij, voegde

hij er bij, en streek zich met de hand langs de oogen als had hij

pijn.

Lord Henry lachte.

--Het eenige vreeselijke in de wereld is je te vervelen, Dorian. Dat

is de eenige zonde, waarvoor geen vergeving is. Maar daar zullen wij

geen last van hebben, als ze er tenminste niet over kakelen aan het

diner. Ik zal ze zeggen, dat ze er niet over moeten spreken. En dan,

er bestaan geen voorteekens. Het noodlot zendt heusch geen herauten

uit. Trouwens, wat zoû jou nu kunnen gebeuren? Je hebt alles wat een

mensch maar verlangen kan. Iedereen zoû met je willen ruilen.

--En ik zelf zoû met den eerste den beste willen ruilen, Harry, lach

niet. Ik zeg de waarheid. De stakkerd die pas doodgeschoten is, is er

beter aan toe dan ik. Ik ben niet bang voor den dood zelf. Het is het

aankomen van den dood, dat me zoo akelig maakt. Het is of ik zijn vale

vleugels hoor wapperen in de zware lucht om mij heen ...! Groote God!

Zie je daar niemand achter de boomen, die mij beloert?

Lord Henry zag in de richting die de trillende hand wees.

--Ja, zeide hij, met een glimlach; ik zie den tuinman. Hij zal je

moeten vragen, welke bloemen je van avond voor je tafel hebben wilt.

Wat ben je toch nerveus. Je moet maar eens met me meêgaan naar mijn

dokter als we weêr in de stad zijn.

Dorian slaakte een zucht van verlichting toen hij den tuinman naderbij

zag komen. De man kwam even aan zijn hoed en zag aarzelend naar Lord

Henry. Toen haalde hij een brief te voorschijn, dien hij zijn meester

overhandigde.

--De hertogin zei mij, op antwoord te wachten, fluisterde hij.

Dorian stak den brief in zijn zak.

--Zeg aan de hertogin, dat ik zoo thuis kom, zei hij koel. De man

keerde terug naar het huis.

--Wat kunnen vrouwen toch gewaagde dingen doen! lachte Lord Henry. Het

is een van haar kwaliteiten, die ik het meest bewonder ... Een vrouw

zal met den eersten den besten man flirten, zoolang er maar iemand is,

die er op let.

--En wat kan jij gewaagde dingen zeggen, Harry. Op het oogenblik ben

je glad mis. Ik vind het hertoginnetje heel aardig, maar ik hoû niet

van haar.

--En het hertoginnetje houdt heel veel van jou, maar vindt je niet

bizonder aardig, dus jullie staan gelijk.

--Je spreekt kwaad, Harry, en kwaadsprekerij is altijd ongegrond.

--De bazis van ieder schandaaltje is een onzedelijke zekerheid, zei

Lord Henry, een cigarette opstekend.

--Je ontziet niemand of niets, als het je te doen is om een epigram,

was het antwoord.

--Ik woû, dat ik kon liefhebben! Maar ik schijn de passie verloren en

den lust er toe vergeten te hebben. Ik ga te veel op in mijzelven.

Mijn eigen persoon is mij een last geworden. Ik wil weg, ver weg, en

vergeten. Het was dom van me hier te komen. Ik zal Harvey

telegrafeeren om mijn yacht uit te rusten. Op een schip ben je pas

veilig.

--Veilig waarvoor? Dorian? Je zit in moeilijkheid. Waarom zeg je mij

het niet? Je weet, ik zoû je helpen.

--Ik kan het je niet zeggen, Harry, antwoordde hij treurig. En

misschien is het ook maar verbeelding van me. Dit ongeluk heeft mij

overstuur gemaakt. Ik heb een afschuwelijk voorgevoel, dat zoo iets

ook met mij zal gebeuren.

--Wat een nonsens!

--Ik hoop het niet, maar ik voel het toch. O! daar is de hertogin; ze

ziet er uit als Artemis in een tailor made toilet. U ziet, we zijn

terug, mevrouw.

--Ik weet er alles van, Mr. Gray, antwoordde zij. Die arme Geoffrey is

er heel naar onder. En het schijnt, dat u hem net nog vraagde, niet te

schieten, niet waar? Hoe vreemd!

--Ja, het was heel vreemd. Ik weet niet, hoe ik daartoe kwam. Een

gril, denk ik. Het beestje zag er zoo aardig uit. Maar het spijt me,

dat ze u verteld hebben van dien man. Het is een verschrikkelijke

geschiedenis.

--Een verschrikkelijke geschiedenis! viel Lord Henry in. Het heeft

niet de minste psychologische waarde. Als Geoffrey het expres gedaan

had, zoû het veel interessanter zijn. Ik woû, dat ik iemand kende, die

een moord begaan had.

--Harry, je bent verschrikkelijk! riep de hertogin. Vindt u ook niet,

Mr. Gray? Harry, Mr. Gray wordt weêr niet wel! Hij zal flauw vallen.

Dorian overheerschte zich en glimlachte.

--Het is niets, murmelde hij; mijn zenuwen zijn wat in de war. Dat is

alles. Ik heb zeker te ver geloopen van morgen. Ik heb niet gehoord

wat Harry zei. Was het erg slecht? U moet het mij bij gelegenheid

vertellen. Ik denk, dat ik nu wat zal gaan liggen. U excuseert me,

niet waar?

Ze hadden de breede trap bereikt, die van de serre leidde naar het

terras. Toen de deur zich achter Dorian sloot, zag Lord Henry de

hertogin aan met zijne half geloken oogen.

--Hoû je erg veel van hem? vroeg hij.

Zij antwoordde eerst niet, en staarde naar het parkgezicht buiten.

--Ik woû, dat ik het wist, zei ze ten laatste.

Hij schudde het hoofd.

--Kennis is noodlottig. Onzekerheid bekoort. In een schemerlicht zijn

de dingen veel mooier.

--Maar je kan dan verdwalen.

--Alle wegen komen op het zelfde punt uit, Gladys-lief.

Welk punt?

--Desilluzie.

--Dat was mijn debuut in het leven, zuchtte zij.

--Het kwam gekroond tot je.

--Ik heb genoeg van fleurons.

--Ze staan je toch goed.

--Alleen in het publiek.

--Je zoû ze missen.

--Ik zal ook geen blaadje weg doen ...

--Pas op, Monmouth zal hooren ...

--De ouderdom is hardhoorig.

--Is hij nooit jaloersch geweest?

--Ik woû het.

Hij zag rond als zocht hij iets.

--Wat zoek je? vroeg zij.

--Het dopje van je floret, antwoordde hij. Je hebt het laten vallen.

Zij lachte.

--Ik heb mijn masker nog.

--Dat maakt je oogen nòg mooier.

Zij lachte weêr. Hare tanden waren als de blanke pitten in een

purperen vrucht.

In zijne kamer lag Dorian Gray op een bank, terwijl een angst tintelde

in iedere zenuw van zijn lichaam. Het leven was hem plotseling te

zwaar geworden. De dood van den ongelukkigen drijver scheen hem een

noodlottig teeken toe. Hij was bijna flauw gevallen bij wat Lord Henry

zei in cynische scherts.

Om vijf uur belde hij den knecht, gaf zijne orders om in te pakken

voor den nachttrein naar Londen, en bestelde den brougham voor half

negen. Hij wilde geen nacht langer in Selby Royal slapen. Het was een

noodlottige plaats. De dood wandelde hier rond in den zonneschijn. Het

gras in het bosch was gedrenkt met bloed.

Toen schreef hij aan Lord Henry, dat hij naar de stad ging om zijn

dokter te consulteeren en vroeg hem tevens de honeurs waar te nemen

bij zijne gasten. Terwijl hij het briefje in een enveloppe schoof,

werd er geklopt en kwam de knecht zeggen, dat de opperjager hem

spreken wilde. Zijn voorhoofd rimpelde zich en hij beet zich op de

lip.

--Laat hem binnenkomen, sprak hij na korte aarzeling.

Zoodra de man binnenkwam, nam Dorian zijn cheque-boek uit een lade, en

legde het open vóór zich.

--Je komt zeker voor dat ongeluk van van morgen, Thomson? zei hij,

eene pen opnemend.

--Ja meneer.

--Was de arme kerel getrouwd? Laat hij familie achter? Dan zal ik ze

geld zenden, zooveel als je denkt, dat ze noodig hebben.

--Wij weten niet, wie hij is, meneer. Dat kwam ik u juist zeggen.

--Weet je niet wie hij is? vroeg Dorian mat.

--Wat meen je? Was hij dan niet een van de drijvers?

--Neen, meneer. Niemand heeft hem vroeger ooit gezien, hij lijkt wel

een matroos of zoo iets.

De pen viel Dorian uit de hand; het was of zijn hart plotseling stil

stond.

--Een matroos? riep hij uit. Een matroos, zeg je?

--Ja meneer. Ik geloof het wel, hij is tenminste getatoueerd op beide

armen.

--Is er iets bij hem gevonden? zei Dorian voorover leunend en den man

gejaagd aanziend.

--Iets waaruit je zijn naam kan opmaken?

--Wat geld, meneer, niet veel en een revolver. Daar was geen naam op

of iets. Hij ziet er vrij fatsoenlijk uit, wat ruw. Ik geloof zeker

een matroos.

Dorian sprong op. Een machtige hoop fladderde door hem heen.

Hij klampte er zich aan vast.

--Waar is het lijk? riep hij. Gauw, ik moet het zien.

--Het ligt in een leêge stal in de Home Farm. De menschen willen zoo

iets liever niet in huis hebben. Ze zeggen, dat een lijk ongeluk

aanbrengt.

--De Home Farm! ga gauw vooruit, ik kom dadelijk. Zeg aan den groom om

mijn paard te zadelen. Neen het hoeft niet. Ik zal zelf naar de

stallen gaan. Dat gaat gauwer.

In minder dan een kwartier galoppeerde Dorian Gray zoo hard hij kon de

lange laan door. De boomen zweefden als een spectrale processie langs

hem heen, en wilde schaduwen wierpen zich voor hem neer op het pad.

Het paard schrikte voor een wit hek en wierp hem bijna af. Hij

ranselde het met zijn karwats. Het doorkliefde de lucht als een pijl.

De steenen vlogen onder zijn hoeven weg.

Hij bereikte Home Farm. Twee mannen stonden in den hof. Hij sprong uit

het zadel en wierp ze zijn teugels toe. In den versten stal glinsterde

een lichtje. Er was iets, dat hem zeide, dat daar het lijk lag, en hij

ging naar de deur en legde de hand op den knop.

Toen aarzelde hij even, voelende, dat hij iets ontdekken zoû, waaraan

zijn leven hing. Daarna wierp hij de deur open, en trad binnen.

Op een hoop zakken, in een hoek, lag het lijk van een man, gekleed in

een grof hemd en een blauwe broek. Een gevlekte zakdoek was over het

gezicht gespreid. Een kaars in een flesch spatterde er naast.

Dorian Gray rilde. Hij voelde, dat zijne hand dien zakdoek niet weg

kon nemen en riep een van de boerenknechts om bij hem te komen.

--Neem dat ding van het gezicht weg. Ik wil hem zien, sprak hij, en

pakte de deurpost als steun.

Toen de knecht het gedaan had, trad hij wat vooruit. Een jubelkreet

kwam over zijne lippen. De man, die in het boschje was doodgeschoten,

was James Vane.

Hij bleef nog eenige oogenblikken staren op het lijk. Toen hij naar

huis reed, stonden zijn oogen vol tranen; hij wist, dat hij nu veilig

was.

Het portret van Dorian Gray · 第 19 / 22 题