XIX.

Het was een heerlijke avond zoo warm, dat hij zijn jas over zijn arm

nam, en zelfs de zijden das niet om zijn hals sloeg. Terwijl hij naar

huis wandelde, een cigarette rookend, gingen twee jongelui in rok hem

voorbij. Hij hoorde ze fluisteren:

--Dat is Dorian Gray.

Hij herinnerde zich hoe heerlijk hij het vroeger vond, wanneer men

naar hem wees, hem aankeek of over hem sprak. Nu was hij moê van zijn

eigen naam te hooren. Een groote bekoring van het kleine dorpje, waar

hij den laatsten tijd zoo vaak geweest was, was dat niemand daar zijn

naam wist.

Hij had het meisje, dat hij betooverd had hem lief te hebben, verteld,

dat hij arm was, en zij had hem geloofd. Hij had haar eens gezegd, dat

hij heel slecht was, en zij had gelachen en geantwoord, dat slechte

menschen altijd oud en leelijk zijn. Wat klonk haar lach! als het

geparel van een leeuwerik. En hoe lief zag zij er uit in haar katoenen

japonnetje en grooten strooien hoed. Ze wist niets, maar zij bezat

alles, wat hij verloren had.

Thuis vond hij den knecht nog op hem wachten. Hij zond hem naar bed,

en wierp zich neêr op de bank in zijn bibliotheek en dacht na over wat

Lord Henry gezegd had.

Zoû het waar zijn, dat een mensen nooit veranderen kan? Hij gevoelde

een intens verlangen naar de smettelooze reinheid zijner jeugd, zijner

bloesemblanke jeugd, zooals Lord Henry eens gezegd had. Hij wist, dat

hij zichzelven had bezoedeld, zijn geest had verdorven, zijn

verbeelding had wanschapen en dat hij een duivel was geweest voor

anderen; en dat hij er een helsch genot in had gevonden dat te zijn,

en dat hij de schoonste, de bloeiendste levens, die hij had ontmoet,

tot schande had gebracht. Maar was dit alles dan onherroepelijk? Was

er dan geen hoop meer voor hem!

Oh! in welk monsterachtig oogenblik van ijdelheid en passie had hij

dan gebeden, dat het portret den last zijner dagen zoû torsen, opdat

hijzelve de vlekkelooze glorie der eeuwige jeugd zoû dragen. Dat was

de schuld van alles. Het ware hem beter geweest zoo iedere zonde in

zijn leven de straf onverbiddelijk met zich had meêgesleept. Daar was

reiniging in straf. De mensch moest niet bidden: Vergeef ons onze

zonden, maar kastijd ons voor onze ongerechtigheden!

De fijn gebeeldhouwde ivoren spiegel, dien Lord Henry hem gegeven had,

jaren geleden, stond op de tafel, en de blanke amortjes dartelden er

om rond als altijd. Hij nam dien op, zooals hij deed den avond van

afschuw, toen hij voor het eerst de verandering bemerkt had op het

noodlottig portret, en nu blikte hij met vochtige oogen in de

gepolijste diepte.

Hem was eens een wanhopige brief geschreven door iemand die hem

afgodisch liefhad, en die brief eindigde met de opgewonde woorden: de

wereld is verouderd, omdat jij van goud en ivoor bent; door jouw

lippen wordt de historie weêr opnieuw geschreven.

Die zin drong zich bij hem op en hij herhaalde ze telkens en telkens

weêr. Toen vervloekte hij zijn eigen schoonheid en den spiegel op den

grond smijtend, vertrapte hij hem met den voet tot zilveren gruizels.

Zijne schoonheid had hem ten onder gebracht, zijne schoonheid en

jeugd, voor welks behoud hij gebeden had. Zonder deze twee factoren

zoû zijn leven vrij zijn gebleven van iederen smet. Zijne schoonheid

was hem slechts een masker, zijn jeugd een narrenpak geweest.

Wat was jeugd? Een tijd van groene wrangheid, een tijd van kleine

verlangens, van ziekelijke gedachten. Waarom had hij dan die liverei

gedragen? Zijn jeugd had hem bedorven.

Het was beter niet te denken aan het verleden. Niets kon dat

veranderen. Hij moest aan zichzelven en aan zijn toekomst denken.

James Vane lag in een onbekend graf in het kerkhof van Selby Royal.

Alan Campbell had zich dood geschoten in zijn laboratorium, maar het

geheim, dat hij gedwongen was geweest te kennen, niet geopenbaard. De

drukte over Basil Hallwards verdwijning zoû weldra voorbij zijn. Ze

was nu reeds verflauwd. Hij was volmaakt veilig. Bovendien was het ook

niet Basils dood, die hem het meest drukte. Het was de levende mummie

zijner ziel, die hem het zeerst verontrustte. Basil had het portret

geschilderd, waardoor zijn leven bedorven was. Hij kon hem dat niet

vergeven. Het portret was de schuld van alles. Basil had harde dingen

tegen hem gezegd, en toch had hij ze lijdzaam aangehoord. De moord was

de opgewondenheid geweest van één oogenblik.

En Alan Campbells zelfmoord was diens eigen zaak. Hij had het zoo

gewild. Daar kon hij, Dorian, niets aan doen.

Een nieuw leven! Dat was wat hij wenschte.

Daar wachtte hij op. Hij was immers al begonnen. Een onschuldig

schepsel had hij gespaard. Hij zoû de onschuld niet meer verleiden.

Hij zoû braaf worden. Denkend aan Hetty, vroeg hij zich af, of het

portret boven in de gesloten kamer ook veranderd zoû zijn. Het kon

toch zoo afschuwelijk niet meer wezen. Misschien, zoo zijn leven rein

werd, zoû hij iederen trek van wreede passie op het gelaat kunnen

uitwisschen. Wellicht was er al iets verzacht. Hij zoû gaan zien.

Hij nam de lamp van de tafel en sloop naar boven. Terwijl hij de deur

opensloot, verlichtte een glimlach van genot zijn vreemd jong gezicht

en verwijlde even om zijn lippen. Ja, hij zoû goed worden, en het

ding, dat hij steeds verborgen hield, zoû geen schrik meer voor hem

zijn. Het was hem of al een gewicht van hem werd afgenomen.

Hij trad snel binnen, sloot de deur achter zich, volgens gewoonte, en

rukte het purperen gordijn voor het portret weg. Hij stiet een kreet

van verontwaardiging uit. Hij zag geene verandering, dan dat er in de

oogen iets geslepens blonk en een rimpel van veinzerij zich om den

mond krulde. Het was nog altijd een ding van afschuw--zoo mogelijk nog

terugstootender dan vroeger--en het roode zweet, dat parelde op de

hand scheen heller en was als pas gestort bloed. Hij beefde. Was het

dan ijdelheid geweest, die hem die goede daad had doen begaan? Of was

het zucht geweest naar nieuwe sensatie, zooals Lord Henry beweerd had

niet zijn lach vol spot. Of was het die passie tot comedie spelen,

welke ons vaak een rol doet spelen, edeler dan ons-zelven? Of was het

misschien dat alles te zamen? En waarom was de roode vlak grooter dan

te voren? Ze scheen als een melaatschheid te vreten over de gerimpelde

vingers. Zelfs op de voeten lag bloed als was het daarop neêrgedrupt,

zelfs bloed op de hand, die het mes niet had vastgehouden. Bekennen?

Zoû het meenen, dat hij zijn misdaad moest bekennen? Zichzelven

aangeven en ter dood doen veroordeelen? Hij lachte. Hij gevoelde, dat

de gedachte alleen reeds onmogelijk was. Buitendien, zelfs al bekende

hij, wie zoû hem gelooven? Van den vermoorde man was geen spoor meer

te vinden. Alles wat hem behoorde was vernietigd geworden. Wat er

beneden van hem gebleven was, had hij verbrand. De wereld zoû hem gek

verklaren. Men zoû hem opsluiten, zoo hij volhield ... toch was het

zijn plicht te bekennen, openlijk zijne schande te lijden, openlijk

zijn straf te ondergaan. Er was een God, die de menschen opriep om

hunne zonden te belijden voor de aarde en voor den hemel. Niets kon

hem meer zuiveren vóór hij zijne zonden beleden had. Zijne Zonde! Hij

haalde de schouders op.

Basils dood scheen hem van weinig beteekenis toe. Het was een

onrechtvaardige spiegel, de spiegel van zijn ziel, waarin hij blikte.

IJdelheid? Veinzerij? Was er dan niets anders geweest in zijne

zelfonthouding? Ja, er was meer geweest. Ten minste, hij meende het.

Maar wie kon het zeggen?... Neen. Er was niets meer in geweest. Uit

ijdelheid had hij haar gespaard. Uit huichelarij had hij het masker

van braafheid gedragen. Uit nieuwsgierigheid had hij die

zelfonthouding beproefd. Dat zag hij nu alles in.

Maar die moord, zoû die hem zijn geheele leven achtervolgen? zoû zijn

verleden steeds als een last op hem blijven drukken?

Moest hij waarlijk bekennen? Nooit! Slechts één bewijs bestond er

tegen hem. Het portret, dat was het bewijs. Hij zoû ook dit

vernietigen. Waarom het zoo lang bewaard? Eens had hij er genoegen in

gevonden het te zien veranderen en verouderen. Sinds lang was dit

genoegen voorbij. Het hield hem 's nachts wakker. Als hij weg was

geweest, had hij angsten gevoeld, dat andere oogen het zouden zien.

Het had melancholie gebracht over zijne passies. De herinnering er aan

had hem menig oogenblik van genot vergald. Het was hem geweest als een

geweten. Ja, het was zijn geweten zelve. Hij zoû het vernietigen.

Hij zag rond en bemerkte het mes waarmeê Basil Hallward vermoord was.

Hij had het vele malen schoongemaakt, tot er geen smetje meer op

bleef. Het was schoon en het glinsterde. Zooals het den schilder

gedood had, zoo zoû het nu ook zijn werk vernietigen en alles wat

daarmeê samenhing. Het zoû het verleden dooden, en was dat eenmaal

dood, dan was hij vrij. Het zoû dat gruwelijk leven van zijn ziel

vermoorden en zonder die afgrijselijke waarschuwing, zoû hij tot rust

komen. Hij greep het mes en stootte naar het portret.

Er klonk een kreet en een val. De schreeuw klonk zoo verschrikkelijk,

als in doodsangst, dat de bedienden wakker schrikten en uit hunne

kamers slopen. Twee heeren, die op straat voorbij gingen, stonden stil

en zagen op naar het groote huis. Zij liepen door tot zij een agent

ontmoetten en brachten hem meê terug. De agent belde eenige malen,

maar er kwam geen antwoord. Behalve het licht boven voor een der

zoldervensters, was het geheele huis donker. Na een pooze ging hij

terug en zette zich onder een portiek dicht bij, en zag toe.

--Wie woont daar? vroeg de oudste der twee heeren.

--Meneer Gray, meneer, antwoordde de agent.

Zij zagen elkaâr aan en liepen verder, een trek van minachting op het

gelaat. Binnen stonden de half gekleede bedienden bij elkaâr en

fluisterden zacht. De oude Mrs. Leaf schreide en wrong de handen.

Francis zag zoo bleek als een doek.

Na een kwartier sloop hij met den koetsier en een van de knechts naar

boven. Zij klopten ... geen antwoord. Ze riepen ... alles bleef stil.

Eindelijk, daar de deur niet ontsloten kon worden, klommen zij over

het dak en kwamen zoo op het balcon. De ramen gingen gemakkelijk open,

de grendels waren oud.

Toen zij binnenkwamen vonden zij tegen den muur een portret van hun

meester, in al zijne schoonheid en jeugd, zooals zij hem het laatst

gezien hadden. Op den grond lag een doode man in rok, met een mes door

het hart. Zijn gelaat was verwrongen, gerimpeld en leelijk. Zij

herkende hem alleen aan zijn ringen.

DEN HAAG, Febr. '93.

Het portret van Dorian Gray · 第 21 / 22 题