XVI.

Een week later zat Dorian Gray in de serre van Selby Royal te praten

met het aardige hertoginnetje van Monmouth, die met haar echtgenoot,

een vermoeiden man van zestig jaar, onder zijne gasten was. Het was

theetijd, en het zachte schijnsel van de groote, met kant gesluierde

lamp op de tafel verlichtte het porcelein en het zilver van het

theeservies, waarover de hertogin prezideerde. Hare witte handen

bewogen zich met gratie tusschen de kopjes en haar volle roode lippen

glimlachten over iets, dat Dorian fluisterde.

Lord Henry, achterover in een, met zijde gedrapeerden, stoel lag hen

gade te slaan. Lady Narborough deed of zij luisterde naar de

beschrijving, die de hertog haar gaf van den Braziliaanschen kever,

dien hij aan zijne verzameling had toegevoegd. Drie jongelui in

elegante smokings prezenteerden gebakjes aan de dames. Het gezelschap

bestond uit twaalf personen en den volgenden dag werden er meer

verwacht.

--Waar hebben jullie het over? vroeg Lord Henry, bij de tafel komend

om zijn kopje neêr te zetten. Ik hoop, dat Dorian je verteld heeft van

mijn plan om alles te herdoopen, Gladys. Zoû je het geen aardig idee

vinden?

--Maar ik heb geen lust herdoopt te worden, Harry, antwoordde de

hertogin, hem aanziende met haar oogen vol charme. Ik ben heel

tevreden met mijn naam, en Mr. Gray zeker ook met den zijne.

--Gladyslief, ik zoû geen van die twee namen willen veranderen. Ze

zijn beide uitstekend. Ik dacht voornamelijk aan bloemen. Gisteren

plukte ik een orchidee voor mijn knoopsgat. Het was een prachtige

gevlekte, bijna zoo mooi als een van de zeven doodzonden. Op een

ondoordacht oogenblik vroeg ik den tuinman, hoe ze heette. Hij zei zoo

iets van Robinsoniama of iets dergelijks barbaarsch. Het is treurig,

maar we schijnen verleerd te hebben de dingen mooie namen te geven. En

een naam is alles. Ik vecht nooit tegen feiten. Ik vecht alleen tegen

namen. Dat is ook de reden, waarom ik niet van realisme hoû in

literatuur. De persoon, die een spâ, een spâ noemt, moest veroordeeld

worden er zelf een te gebruiken. Dat is het eenige, waarvoor hij

geschikt is.

--Hoe zouden wij jou dan wel moeten noemen, Harry? vroeg zij.

--Prins Paradox, zei Dorian.

--Ja uitstekend, riep de hertogin uit.

--Ik wil er niets van weten, hoor, lachte Lord Henry, neêrzinkend in

zijn stoel. Een bijnaam raak je nooit kwijt. Ik weiger den titel.

--Vorsten mogen geen afstand doen, waarschuwden een paar aardige

lipjes.

--Moet ik dus mijn troon verdedigen?

--Ja.

--Ik heb meer hoop op de waarheden van de toekomst.

--Ik prefereer de mindere perfectie van het heden, antwoordde zij.

--Je ontwapent me, Gladys, riep hij, in haar dartelheid komend.

--Alleen van je schild, Harry: je hebt nog je speer.

--Die hef ik nooit op tegen schoonheid.

--Dat is juist een fout van je, Harry, geloof me. Je hecht veel te

veel aan uiterlijk schoon.

--Hoe kan je dat zeggen? Ik geef toe, dat ik liever mooi ben dan

braaf. Maar daarentegen zal ik de eerste zijn om toe te stemmen, dat

braafheid nòg beter is dan leelijkheid.

--Leelijkheid is dus een van de zeven doodzonden? riep de hertogin.

Wat wordt er dan van je symbool van de orchidee?

--Leelijkheid is een van de zeven hoofddeugden, Gladys. Jij, als een

goede Tory, móet ze waarlijk niet minachten. Bier, de Bijbel en de

zeven hoofddeugden hebben Engeland gemaakt wat het is.

--Je houdt dus niet van je land? vroeg zij.

--Ach, ik leef er in.

--Om er zelf over te kunnen oordeelen?

--Woû je dan, dat ik de opinie van heel Europa er over raadpleegde?

--Wat zeggen ze dan van ons?

--Dat Tartuffe is overgestoken naar Engeland en er een winkel heeft

opgezet.

--Is die van jou, Harry?

--Je mag hem hebben.

--Ik zoû hem toch niet kunnen gebruiken. Hij is te waar.

--O, daar behoef je niet bang voor te zijn; de Engelschen herkennen

zichzelve nooit in een beschrijving.

--Ze zijn er te practisch voor.

--Ze zijn meer geslepen dan wel practisch. Als ze hun grootboek

opmaken, laten ze stomheid opwegen tegen beleid, en slechtheid tegen

veinzerij.

--En toch hebben we groote dingen gedaan.

--Groote dingen zijn ons toegeworpen, Gladys.

--Wij hebben dan toch den last ervan gedragen.

--Nu ja, maar ook niet verder dan de effectenbeurs.

Zij schudde het hoofd.

--Ik heb nog al vertrouwen in het ras, riep zij.

--Het reprezenteert de opkomst van parvenu's.

--Het bezit vooruitgang.

--Ik hoû meer van verval.

--Wat denk je dan van kunst? vroeg ze.

--Een ziekte.

--Illuzie.

--Godsdienst?

--Een moderne plaatsvervanger van geloof.

--Je bent een sceptikus.

--Nooit! Scepticisme is het begin van geloof.

--Wat ben je eigenlijk?

--Beschrijven is begrenzen.

--Geef mij een draad, een kluwen.

--Draden breken. Je zoû verdwalen in een labyrinth.

--Je bent vermoeiend! Laat ons over iets anders spreken.

--Onze gastheer is een verrukkelijk onderwerp van gesprek.

--Jaren geleden is hij gedoopt als: Tooverprins.

--O, herinner mij daar niet aan! riep Dorian Gray.

--Onze gastheer is niets aardig van avond, antwoordde de hertogin met

een kleur. Ik geloof, dat hij denkt, dat Monmouth mij alleen getrouwd

heeft om het beste exemplaar te bezitten van een moderne kapel.

--Nu, ik hoop, dat hij u niet met spelden zal prikken, lachte Dorian.

--O, dat doet mijn kamenier al, als ze boos op mij is.

--En waarom is zij dan boos op u?

--Om de kleinste kleinigheid, dat verzeker ik u. Meestal omdat ik tien

minuten voor negenen thuis kom, en haar dan zeg, dat ik om half negen

klaar moet zijn.

--Hoe onredelijk van haar. Ik zoû haar den dienst opzeggen.

--Ik durf niet, Mr. Gray. Verbeeldt u, ze verzint hoeden voor mij.

Herinnert u zich den hoed, dien ik droeg op de garden-party van Lady

Hilstone? U is hem glad vergeten, maar het is toch aardig van u, dat u

doet alsof u het weet. Nu, die heeft ze uit niets gemaakt. Alle goede

hoeden worden gemaakt uit niets.

--Evenals goede reputaties, Gladys, viel Lord Henry in. Ieder effekt

kost je een vijand. Om populair te zijn moet je een middelmatigheid

wezen.

--Niet bij de vrouwen, zeide de hertogin het hoofd schuddend; en

vrouwen regeeren de wereld. Ik verzeker je, dat wij middelmatigheden

niet kunnen uitstaan. Wij vrouwen hebben lief met onze ooren, zooals

jullie mannen liefhebt met je oogen, als jullie tenminste ooit lief

hebben.

--Ik geloof, dat wij nooit iets anders doen, murmelde Dorian.

--O! maar dan zal u nooit werkelijk liefhebben, Mr. Gray, antwoordde

de hertogin met grappige treurigheid.

--Mijn lieve Gladys! riep Lord Henry. Hoe kan je dat zeggen? lederen

keer, dat je van iemand houdt, is die weêr de eenige, dien je

liefhebt. Wij kunnen in het leven hoogstens ééne groote ondervinding

doen, en het geheim is juist, die ondervinding te herhalen, zoo

dikwijls het mogelijk is.

--Zelfs wanneer je er door verwond bent geweest, vroeg de hertogin na

eene pauze.

--Dan juist, antwoordde Lord Henry.

De hertogin wendde zich om en zag naar Dorian Gray, met vreemde

uitdrukking in haar oogen.

--Wat zegt u daarvan, Mr. Gray? vroeg zij.

Dorian Gray aarzelde even. Toen wierp hij het hoofd terug en lachte.

--Ik ben het altijd eens met Harry.

--Zelfs als hij ongelijk heeft?

--Harry heeft nooit ongelijk.

--En maakt deze filozofie u gelukkig?

--Daar heb ik nooit naar gestreefd. Wie wil nu gelukkig zijn? Ik heb

genot gezocht.

--En gevonden?

--Dikwijls. Te dikwijls.

De hertogin zuchtte.

--Ik streef naar vrede, zeide zij; en als ik mij nu niet ga kleeden,

zal ik dien van avond niet vinden.

--Mag ik u een paar orchideeën halen, hertogin? vroeg Dorian Gray,

terwijl hij vlug opstond en naar de oranjerie liep.

Je flirt schandelijk met hem, zei Lord Henry tot zijn nichtje. Je mag

wel oppassen. Hij kan je direkt inpalmen. Hij heeft veel charme.

--Als hij dat niet had, zoû er geen aardigheid aan zijn.

--Het zijn dus Grieken tegen Grieken?

--Ik ben aan de zijde van de Trojanen. Die vochten om een vrouw.

--Ze werden verslagen.

--Er bestaan erger dingen dan verslagen te worden, antwoordde zij.

--Je galoppeert met een lossen teugel.

--Zoo een galop brengt je bloed in beweging.

--Ik zal het van avond in mijn journaal opschrijven.

--Wat!

--Dat een kind, dat zich ééns gebrand heeft, liefst met vuur speelt.

--Ik ben niet eens geschroeid. Mijn vleugels zijn nog heel.

--Je gebruikt ze voor alles behalve om te vliegen.

--De moed is van de mannen overgegaan op de vrouwen. Het is niets

nieuws voor ons.

--Je hebt een rivale.

--Wie?

Hij lachte.

--Lady Narborough! fluisterde hij. Ze is dol op hem.

--Je maakt me bang. Een beroep op de oudheid is altijd noodlottig voor

ons romantisten.

--Romantisten? Je bent van alles wat.

--De mannen hebben ons opgevoed.

--Maar nooit doorgrond.

--Beschrijf ons eens als sekse, daagde zij uit.

--Sfinxen zonder geheimen.

Zij zag hem aan en glimlachte.

--Wat blijft Mr. Gray lang weg. Willen wij hem gaan helpen? Ik heb hem

nog niet de kleur van mijn toilet gezegd.

--O, die moet je regelen naar zijn bloemen, Gladys. Dat zoû een

voorbarige overgave zijn.

--Romantische kunst begint bij het toppunt.

--Ik moet een uitweg open houden.

--Zooals de Parthen?

--Die waren veilig in de woestijn. Dat kan ik niet zijn.

--Vrouwen wordt niet altijd een keus gelaten, antwoordde hij ... maar

pas had hij dit gezegd of van het andere einde van de serre kwam het

geluid van een onderdrukt gekreun, gevolgd door den doffen slag van

een zwaren val. Ieder schrikte op. De hertogin stond bewegingloos van

vrees. Met angst in de oogen vloog Lord Henry langs de wuivende palmen

en vond Dorian Gray doodsflauw liggen, het gelaat op den grond.

Hij werd dadelijk in den blauwen salon gedragen en op een der sofa's

gelegd. Spoedig kwam hij bij en zag verbaasd rond.

--Wat is er gebeurd? vroeg hij. O, ik weet het al weêr. Ben ik hier

veilig, Harry?

En hij begon te sidderen.

--Je bent even flauw geweest, Dorian, anders niet. Je hebt je zeker

oververmoeid. Je moest maar niet aan het diner komen. Ik zal je plaats

wel innemen.

--Neen, ik kom beneden, sprak hij, moeilijk oprijzend. Ik kom liever

beneden. Ik moet niet alleen blijven.

Hij ging naar zijn kamer en kleedde zich.

Hij was luidruchtig vroolijk aan tafel, maar nu en dan liep er een

straal van angst over hem, als hij zich herinnerde hoe hij tegen een

ruit van de serre, als een witten doek, het gelaat van James Vane had

gezien, die hem bespiedde.

Het portret van Dorian Gray · 第 18 / 22 题