XV.

Een koude regen begon te vallen en de doffe straatlantarens flikkerden

spookachtig in den druipenden mist. De herbergen werden juist gesloten

en vage mannen en vrouwen verdrongen zich om de deuren. Uit enkele

kroegen klonk een akelig gelach; dronken lui vloekten en schreeuwden.

Achterover in den hansom, zijn hoed diep in de oogen, bezag Dorian

Gray lusteloos die vuile schande van de groote stad, en nu en dan

herhaalde hij de woorden, die Lord Henry eens tot hem gezegd had. De

ziel te genezen door de zinnen, de zinnen door de ziel, Ja, dat was

het geheele geheim. Vaak had hij het beproefd, nu zoû hij het weêr

beproeven. Er waren opiumkitten, waar men vergetelheid kon koopen;

holen vol gruwel, waar de herinnering aan oude zonden uitgewischt

wordt door den hartstocht van nieuwe.

De maan hing laag in de lucht als een geel doodshoofd. Van tijd tot

tijd strekte een kolossale misvormde wolk een langen arm uit en

verborg haar. De gaslantarens werden zeldzamer, de straten nauwer en

somberder. Eens reed de koetsier verkeerd en moest hij den halven mijl

terugrijden. Damp steeg van het paard op, terwijl het ploeterde door

de plassen. De raampjes van den hansom waren beslagen als met een waas

van grijs flanel.

De ziel te genezen door de zinnen, de zinnen door de ziel! Hoe zongen

die woorden in zijne ooren! Waarlijk zijne ziel was ziek, tot stervens

toe. Was het waar, dat de zinnen haar konden genezen? Er was

schuldeloos bloed vergoten. Wat kon dat goed maken? O! daar was geen

herstel voor; maar waar vergeving onmogelijk was, was nog vergetelheid

te vinden, en hij had besloten te vergeten, het uit zich weg te

trappen, zooals men een adder, die gestoken heeft, trapt. Welk recht

had Basil gehad tot hem te spreken als hij gedaan had? Wie had hem tot

rechter over anderen gesteld? Hij had dingen gezegd, die afschuwelijk

wreed en niet te verdragen waren geweest.

De hansom zwoegde voort en het was hem of hij steeds langzamer ging.

Hij boog zich naar buiten en riep den koetsier toe harder te rijden.

Een snerpende honger naar opium begon in hem te bijten. Zijne keel

verschroeide en zijne fijne handen trokken zenuwachtig samen. Boos

sloeg hij naar het paard met zijn stok. De koetsier lachte en zette

het dier wat aan. Hij lachte ook en de man zweeg stil.

De weg scheen oneindig en de straten waren als een zwart spinneweb. De

eentonigheid werd onverdragelijk, en terwijl de mist dikker en dikker

werd, voelde hij zich bang worden. Zij gingen voorbij eenzame

steenvelden. De mist was hier veel lichter en hij kon de vreemde,

fleschachtige steenovens zien met hun oranje, waaiervormige

vuurtongen. Een hond blafte, terwijl zij voorbij gingen, en ver weg in

de donkerte, krijschte een verdwaalde zeemeeuw. Het paard strompelde

in een goot, zwaaide weêr op zij en zette het toen op een galop.

Na een poosje verlieten zij den kleiweg en ratelden weêr over ruw

bekeide straten. De meeste vensters waren donker, maar nu en dan

silhouetteden zich een paar schaduwen af op gordijnen. Hij staarde er

naar. Ze bewogen zich als reusachtige marionetten en zij maakten

gebaren als levende wezens. Hij haatte ze. Een stille woede raasde in

zijn hart. Toen zij den hoek omreden, gilde een vrouw ze uit een open

deur iets toe en twee mannen liepen den hansom lang na. De koetsier

sloeg naar ze met zijn zweep.

Eensklaps hield hij op, met een ruk, aan het eind van een donkere

laan. Boven de lage daken, de uitgekartelde schoorsteenen, de zwarte

masten der schepen. Flarden witte mist hingen als spookzeilen aan de

masten.

--Hier ergens, meneer? vroeg de koetsier schor door het luikje.

Dorian schrikte op, zag naar buiten.

--Hoû hier maar op, antwoordde hij; hij stapte haastig uit, gaf den

koetsier wat hij beloofd had en liep vlug in de richting van de kade.

Hier en daar glom een lantaren in den masttop van eea grooten

koopvaarder. Het licht wiebelde en glinsterde in de plassen. Een roode

gloed kwam van een buitenlandschen steamer, die kolen laadde. De

modderige weg glom als nat gutta-percha.

Hij spoedde zich voort, keek nu en dan om als werd hij achtervolgd.

Binnen acht minuten bereikte hij een klein, smerig huisje, tusschen

twee kolossale fabrieken. Voor een van de ramen boven was een lamp.

Hij stond stil en gaf een bizonderen klop. Na een poosje hoorde hij

stappen in de gang en werd de ketting opgelicht. De deur ging zachtjes

open en hij trad binnen, zonder een woord voor den gebochelden vorm,

die in de schaduw van de deur neêrhurkte. Aan het einde van de gang

hing een vuil groen gordijn, dat in den wind heen en weêr zwaaide. Hij

trok het op zij in een lange, lage kamer, die er uitzag als een

gemeene danszaal.

Schel flikkerende gasvlammen brandden aan de muren en werden dof en

verdraaid weêrkaatst in vuile spiegels. Vettige reflectors van geribd

tin hingen er achter en vormden trillende schijven van licht. De grond

was bedekt met geelachtig zaagsel, hier en daar tot modder getrapt.

Een paar Maleiers hurkten bij een klein kolenvuurtje en speelden met

beenen penningen; ze toonden hunne witte tanden, terwijl zij spraken.

In een hoek lag een matroos over de tafel heen, het hoofd in de armen

verborgen; bij de gemeen bont geschilderde toonbank, stonden twee

verloopen vrouwen een ouden man uit te lachen, die zich met walging de

mouwen veegde.

--Hij denkt dat er roode mieren op zitten, lachte een van haar, toen

Dorian voorbijging. De man zag haar als in vrees aan en begon te

huilen. Aan het eind van de kamer was een trap, die naar een donkere

kamer leidde. Terwijl Dorian de drie wankelende trapjes opsnelde, kwam

zware geur van opium hem tegen. Hij haalde diep adem en zijne

neusvleugels trilden van genot. Toen hij binnenkwam, zag een jonge man

met glad geel haar op van de lamp, waaraan hij een lange dunne pijp

stak en knikte hem aarzelend toe.

--Jij hier, Adrian? mompelde Dorian.

--Waar zoû ik anders zijn? antwoorde hij lusteloos. Niemand wil meer

met me spreken.

--Ik dacht, dat je Engeland verlaten hadt.

--Darlington is niet van plan iets te doen. Mijn broêr heeft den

wissel betaald. George spreekt ook niet tegen mij ... het kan me ook

niet schelen, voegde hij er bij met een zucht. Zoolang als je dit goed

hebt, heb je geen vrienden noodig. Ik geloof, dat ik er te veel gehad

heb.

Dorian huiverde. Groteske vormen lagen op gescheurde matrassen. De

verdraaide ledematen, de open monden, de starende oogen bekoorden hem.

Hij wist in welke vreemde hemelen zij nu leden, welke hellekrochten

hun het geheim van een nieuw genot leerden. Zij waren er beter aan toe

dan hij. Hij was gevangen in gedachte. Zijne ziel werd als door eene

afschuwelijke ziekte weggevreten: door herinnering. Van tijd tot tijd

was het hem of de oogen van Basil Hallward hem aanstaarden. Hij

voelde, dat hij hier niet blijven kon. De tegenwoordigheid van Adrian

Singleton hinderde hem. Hij wilde ergens zijn, waar niemand hem kende.

Hij wilde zichzelven ontvluchten.

--Ik ga ergens anders, zei hij, na stilte.

--Op de werf?

--Ja.

--Die dolle kat zal daar zeker weêr zijn. Ze willen haar hier niet

meer hebben.

Dorian haalde de schouders op.

--Ik ben beu van die verliefde vrouwen. Een vrouw, die je haat, is

veel interessanter. Bovendien is de opium daar beter.

--Vrij wel hetzelfde.

--Ik vind die andere beter. Ga meê wat drinken. Ik moet iets hebben.

--Ik wil niets hebben, mompelde de jonge man.

--Kom!

Singleton stond lusteloos op en volgde Dorian naar de toonbank. Een

kleurling, met een gescheurden tulband, in een vuilen ulster, grijnsde

hem een groet toe, terwijl hij een flesch brandy en twee glazen

toeschoof. De vrouwen kropen bij elkaâr en begonnen te kakelen. Dorian

keerde ze den rug toe en fluisterde Adrian Singleton iets toe.

Een verwrongen glimlach striemde over het gelaat van een der vrouwen.

--Wat zijn we trotsch vandaag! krijschte zij.

--Spreek in Gods naam niet tegen me! riep Dorian, op den grond

stampend. Wat wil je hebben? Geld? Hier heb je het. En spreek nu nooit

meer tegen me!

Twee roode vonkjes flikkerden even in hare verglaasde oogen, en

doofden weêr uit. Zij schudde het hoofd en pakte met begeerige vingers

het geld van de toonbank. Haar kameraad zag haar jaloersch aan.

--Het geeft niets, zuchtte Adrian Singleton. Het kan me niet schelen

om terug te gaan. Wat doet het er toe? Ik ben hier heel tevreden.

--Zal je mij schrijven, als je wat noodig hebt, sprak Dorian na een

stilte.

--Misschien.

--Goeden nacht dan.

--Goeden nacht, antwoordde de jonge man, terwijl hij de trap weêr

opging en zijn verdroogden mond veegde met een zakdoek. Dorian ging

naar de deur, een trek van pijn op het gelaat. Toen hij de gordijn

wegtrok, brak een afschuwelijke lach over de geverfde lippen van de

vrouw, die zijn geld had aangenomen.

--Daar gaat het zoontje van den duivel, lachte zij schor.

--Vervloekt! riep hij uit. Noem mij zoo niet!

Zij knipte met de vingers.

--Tooverprins, dat heet je liever, hé! jouwde zij hem achterna. De

slapende matroos sprong op, toen zij dat zeide en zag woest rond. Hij

hoorde de gangdeur dichtvallen. Hij vloog hem achterna.

Dorian Gray spoedde zich in den druipenden regen langs de kade. Zijne

ontmoeting met Adrian Singleton had hem geroerd, en hij vroeg zich af

of het verlies van dat jonge leven waarlijk zijn schuld was, zooals

Basil Hallward hem zoo beleedigend had verweten. Hij beet zich op de

lippen en een paar seconden was er treurigheid in zijne oogen. Maar

wat kon het hem eigenlijk schelen. Het leven was te kort om nog de

schuld van anderen op zich te nemen. Ieder mensen leefde zijn eigen

leven, en betaalde er den prijs voor. Het was alleen jammer, dat men

zoo dikwijls voor dezelfde fout moest betalen. In zijn zaken met den

mensch, sluit het noodlot nooit zijn boeken.

En ongevoelig, de zinnen gezet op zonde, met een besmetten geest, eene

ziel in opstand, haastte Dorian Gray zich voort, versnelde zijn stap,

maar terwijl hij afsloeg in een donkere poort,--een kortere weg naar

het beruchte hol,--voelde hij zich op eens beetgepakt van achteren, en

vóór hij zich had kunnen verweren, was hij gekwakt tegen den muur door

een forsche hand om zijn nek.

Hij vocht als een dolle om zijn leven, en met geweldige inspanning

rukte hij de knellende vingers weg. Dadelijk hoorde hij het overhalen

van een haan en zag hij een loop blinken vlak tegen zijn voorhoofd,

zag hij een korten, breeden man voor zich.

--Wat moet je? steunde hij.

--Hoû je stil, sprak de man. Als je je verroert, schiet ik.

--Je bent gek. Wat heb ik je gedaan?

--Je verwoestte het leven van Sibyl Vane, was het antwoord. Sibyl Vane

was mijn zuster. Ze heeft zich van kant gemaakt. Ik weet het. En dat

is jouw schuld. Ik heb gezworen, dat ik jou op je beurt vermoorden

zoû. Ik zoek je al jaren. Ik wist heelemaal niet hoe je er uitzag. De

twee menschen, die je hadden kunnen beschrijven, zijn dood. Ik wist

niets van je dan den naam, dien zij je gaf. Ik hoorde dien van nacht

bij toeval. Bid God, want van nacht zul je sterven.

Dorian Gray werd ziek van angst.

--Ik heb haar nooit gekend, stamelde hij; ik heb nooit van haar

gehoord. Je bent gek.

--Je deed beter alles te bekennen, want zoo waar ik James Vane heet,

ik schiet hoor!

Het was een verschrikkelijk oogenblik. Dorian wist niet wat hij doen

of zeggen zoû.

--Op je knieën, donderde de man. Ik geef je een minuut om je zonden te

bedenken, geen seconde meer. Ik ga van nacht onder zeil naar Indië, ik

moet hiermeê klaar zijn. Eén minuut en dan uit.

Dorians armen vielen slap langs zijn lijf. Verlamd van schrik wist hij

niet meer wat te doen. Op eens schoot een radelooze hoop door zijn

brein.

Hoû op, riep hij. Hoe lang is het geleden, dat je zuster stief? Gauw,

zeg op.

--Achtien jaar, sprak de man. Waarom vroeg je dat? Wat doen de jaren

er toe!

--Achtien jaren! lachte Dorian Gray, triomf in zijne stem! Achtien

jaar! Zet me onder die lantaren en kijk me eens goed aan!

James Vane aarzelde, niet begrijpend wat hij wilde. Toen pakte hij

Dorian Gray beet, en sleurde hem weg uit de poort. Flauw en flikkerend

als het verwaaide lichtje was, toch toonde het hem genoeg zijne

vergissing, zooals het scheen, want het gelaat van den man, dien hij

had willen dooden, was nog frisch en jong. Hij scheen een jongen van

twintig jaar, niet veel ouder dan zijne zuster, toen zij jaren geleden

afscheid hadden genomen. Het was duidelijk, dat deze man het niet kon

geweest zijn. Hij liet zijn greep los en deinsde terug.

--Mijn God! Mijn God! riep hij; en ik zoû je vermoord hebben!

Dorian haalde diep adem.

--Je bebt bijna een verschrikkelijken misdaad begaan, sprak hij

streng. Laat het je een waarschuwing zijn om de wraak niet in eigen

handen te nemen.

--Vergeef me, meneer, mompelde James Vane. Ik heb me vergist. Een

enkel woord, dat ik hoorde in dat vervloekte hol, bracht me op een

verkeerd spoor.

--Je deed beter naar huis te gaan, en dat pistool weg te bergen;

anders kom je nog in moeilijkheden, sprak Dorian, die zich omdraaide

en wegging.

James Vane stond vol ontzetting op de straat. Hij beefde van het hoofd

tot de voeten. Na een korte pooze kwam een zwarte schaduw, die langs

de druipende muren was geslopen, in het licht, bij hem. Hij voelde een

hand op zijn arm en zag met schrik om. Het was een van de vrouwen, die

aan de bar hadden staan drinken.

--Waarom schoot je niet, siste zij, het uitgeteerde gelaat vlak bij.

Ik wist wel, dat je hem achterna zat, toen je wegvloog van Daly. Ezel!

Je hadt hem moeten vermoorden. Hij heeft schatten van geld en hij is

zoo slecht als je het maar hebben kunt.

--Hij is niet de man dien ik zoek, antwoordde hij, en ik heb zijn geld

niet noodig. De man, dien ik hebben moet, zal nu een veertig jaar

zijn. Deze is nog een jongen. Goddank! zijn bloed kleeft niet aan mijn

handen.

De vrouw lachte bitter.

--Nog een jongen! grijnsde zij. Kerel, het is bijna achttien jaar

geleden, dat de Tooverprins van mij maakte, wat ik nu ben.

--Je liegt! riep James Vane.

Zij hief de hand op naar den hemel.

--Bij God! ik zeg de waarheid, riep zij uit.

--Bij God?

--Ik mag dood gaan als het niet zoo is. Hij is de gemeenste kerel, die

hier ooit komt. Ze zeggen, dat hij zich aan den duivel verkocht heeft,

voor een mooi gezicht. Het is bijna achttien jaar geleden, dat ik hem

ontmoette. En hij is niet veel veranderd. Ik wel, voegde zij er bij

met een ellendig gegrinnik.

--Zweer je het?

--Ik zweer het, kwam er als met een heesche echo over haar lippen.

Maar verraad me niet aan hem, smeekte ze. Ik ben bang voor hem. Geef

me wat geld voor mijn nachtlogies.

Hij rukte zich van haar los met een vloek, en rende naar den hoek van

de straat, maar Dorian Gray was verdwenen. Toen hij terug kwam, was de

vrouw ook weg.

Het portret van Dorian Gray · 第 17 / 22 题