XIV.

Den volgenden morgen om negen uur, kwam de knecht bij hem met een kop

chocolade op een blad, en deed de blinden open. Dorian lag rustig te

slapen, eene hand onder zijn wang. Hij lag daar als een jongen, die

moê was geweest van spelen of van leeren.

De knecht moest hem tweemaal bij den schouder aanstooten, voor hij

wakker werd, en toen hij zijn oogen opende, speelde een lichte

glimlach om zijne lippen, als ontwaakte hij uit een zaligen droom.

En toch had hij in het geheel niet gedroomd. Zijne nacht was blank

geweest, zonder beelden van verdriet of vreugde. Maar de jeugd

glimlacht zonder reden. Het is een van hare liefste bekoringen.

Hij keerde zich om en, op zijn elleboog leunend, begon hij zijn

chocola te drinken. De bleeke Novemberzon kwam zijne kamer binnen.

De lucht stond helder en het was aangenaam warm. Het was bijna als

een dag in Mei.

Langzamerhand kropen de gebeurtenissen van den nacht, op zachte

bloedbevlekle voeten, terug in zijne hersens, en stapelden zich daar

met hatelijke duidelijkheid op. Hij kromp ineen bij de herinnering aan

alles wat hij had doorstaan en voor een oogenblik kwam dat gevoel van

haat tegen Basil Hallward weêr in hem boven, zooals toen hij hem

vermoord had in zijn stoel; hij werd koud van haat. De doode man was

daar nog steeds, en nu, nu zat hij daar in de zon. Dat was

verschrikkelijk! Zulke gruwelen waren voor den nacht en niet voor den

dag.

Hij gevoelde, dat zoo hij bleef peinzen over wat er gebeurd was, hij

van zichzelven walgen of gek zoû worden. Er waren zonden, wier

bekoring meer school in de herinnering dan in de daad zelven;

vreemdsoortige triomfen, die meer de ijdelheid dan de hartstochten

streelden, en het intellect grootere vreugde gaven, dan zij ooit den

zinnen bereiden konden. Maar deze was niet zoo eene. Deze moest

verdreven worden, uit den geest weg, bedwelmd met papavers,

omgebracht, uit vreeze, dat ze zichzelven ombrengen zoû.

Toen het halve uur sloeg, streek hij de hand langs het voorhoofd,

stond haastig op en kleedde zich met nog meer zorg dan gewoonlijk,

zocht nauwkeurig zijn das en dasspeld uit, en veranderde een paar

keer zijne ringen. Hij deed lang over zijn ontbijt, proefde van de

verschillende schotels, sprak met den knecht over de nieuwe liverei,

die hij voor zijne bedienden in Selby wilde bestellen en las zijne

correspondentie. Bij een paar brieven glimlachte hij. Drie ervan

verveelden hem. Een las hij dikwijls over en verscheurde dien toen

met een ontevreden uitdrukking op zijn gezicht.

--Een lastig ding, zoo een vrouwengeheugen! zooals Lord Henry eens

gezegd had.

Toen hij zijn café-noir op had, veegde hij zich voorzichtig de lippen

met zijn servet, wenkte den knecht even te wachten en schreef twee

briefjes. Het eene stak hij in den zak en het andere gaf hij den

knecht.

--Breng dit naar Hertford Street 152, Francis, en als Mr. Campbell uit

de stad is, moet je zijn adres vragen.

Zoodra hij alleen was, stak hij een cigarette op en begon wat te

krabbelen op een stukje papier; eerst schetste hij bloemen, toen

stukjes architectuur en toen gezichten. Op eens merkte hij, dat ieder

gezicht eene fantastische gelijkenis had met Basil Hallward. Hij

fronste de wenkbrauwen en stond op, ging naar de boekenkast en nam het

eerste het beste boek er uit. Hij nam zich voor niet te denken over

het gebeurde, vóór het hoog noodzakelijk was. Op de bank zich

neervlijend las hij het titelblad. Het was Gautier's Emaux et Camées,

uitgave van Charpentier op Japansch papier, met de etsen van

Jacquemart. Het was gebonden in citroen-geel leder, met figuren van

verguld traliewerk en gespikkelde granaatappels. Hij had het gekregen

van Adrian Singleton. Er in bladerende viel zijn oog op het gedicht

over de hand van Lacenaire: die kille, gele hand, "du supplice encore

mal lavée", met enkele rossige haren en zijn "doigts de faune". Hij

zag naar zijne eigen dunne, witte vingers, rilde in weêrwil van

zichzelven, en bladerde verder tot hij kwam bij de mooie coupletten

over Venetië:

Sur une gamme chromatique

Le sein de perles ruisselant

La Venus de l'Adriatique

Sort de l'au son corps rose et blanc.

Les dômes sur l'azur des ondes,

Suivant la phrase au pur contour,

S'enflent comme des gorges rondes,

Que soulève un soupir d'Amour.

L'esquif aborde et me dépose;

Jetant son amarre au pilier,

Devant une façade rose,

Sur le marbre d'un escalier.

Hoe exquis waren zij. Als men ze las, was het of men dreef over de

groene waterwegen van die stad van purper en parelmoêr, in een zwarten

gondel met zilveren voorsteven en lange, neêrhangende gordijnen. De

regels alleen schenen hem toe als de lange lijnen van turkooizen-blauw,

die ons volgen, wanneer wij naar de Lido roeien. De plotselinge

opschietingen van kleur herinnerden hem aan de flikkeringen der duiven,

die met hunne kleuren van opaal en regenboog fladderden om de honigraten

van den Campanile, of, met statige gratie, wandelden door de grijze,

donkere arcades. Met gesloten oogen achterover liggend, herhaalde hij

in zichzelven:

Devant une façade rose,

Sur le marbre d'un escalier.

Heel Venetië lag in die twee lijnen. Hij herinnerde zich het najaar,

dat hij daar geweest was, toen een wonderschoone liefde hem verleid

had tot heerlijke dolle daden. Er was poëzie in ieder plekje. Maar

Venetië had, als Oxford, dien juisten achtergrond voor poëzie en voor

de waarlijk romantischen is het décor alles, of bijna alles. Basil was

toen ook lang bij hem geweest, en had gedweept met Tintoretto. Arme

Basil! Wat een verschrikkelijk einde!

Hij zuchtte, nam het deel weêr op, en trachtte te vergeten. Hij las

van de zwaluwen, die in en uit vliegen in het kleine café te Smyrna,

waar de Hadjis hunne amberen kralen tellen en getulbande kooplieden

hunne lange pijpen rooken en ernstig praten; hij las van de Obelisk

op de Place de la Concorde, die tranen van graniet weent, in eenzame,

zonlooze verbanning, en terug verlangt naar den warmen lotos-bloeienden

Nijl, met zijn sfinxen en roze-roode ibissen, en witte roofvogels met

gouden klauwen, zijne krokodillen met kleine oogjes van beril, die

kruipen over de groene dampende modder; hij begon te peinzen over die

verzen, welke, muziek ontlokkend aan het kus-bezoedeld marmer, ons

verhalen van het beeld, dat Gautier vergelijkt bij een altstem, het

"monstre charmant", dat neêrligt in de porfieren zaal van het Louvre.

Maar na een poos viel het boek uit zijn hand; hij werd zenuwachtig,

een doodelijke angst kwam over hem. Als Alan Campbell eens niet in

Engeland was? Dagen konden er verloopen eer hij terugkwam. Misschien

zoû hij weigeren te komen. Wat dan te doen? Ieder oogenblik was van

het grootste gewicht voor hem.

Zij waren eens intieme vrienden geweest, vijf jaar geleden, bijna

onafscheidelijk. Toen was die intimiteit op eens gebroken. Wanneer zij

nu elkaâr in gezelschap ontmoetten, was het alleen Dorian Gray, die

glimlachte; Alan Campbell nooit.

Hij was een bizonder knappe jonge man, hoewel hij geen gevoel had voor

plastieke kunst; het weinigje gevoel, dat hij nog had voor poëzie, was

hem door Dorian Gray ingeprent. Zijne alles overheerschende

intellectueele passie was voor de wetenschap. In Cambridge werkte hij

lange uren in het Laboratorium en had een hoogen graad gehaald in

natuurwetenschap. Ook nu nog deed hij veel aan chemie, had een eigen

laboratorium, waarin hij zich dagen opsloot. Maar bovendien was hij

een uitstekend musicus en bespeelde viool en piano beter dan de meeste

amateurs. Het was ook de muziek, die hem en Dorian Gray samenbracht,

en dan de onzegbare aantrekkingskracht, die Dorian altijd had als hij

wilde, ja vaak zelfs zonder dat. Zij hadden elkaâr ontmoet bij Lady

Berkshire, toen Rubinstein er speelde en na dien tijd werden zij

altijd samen gezien in de opera of op ieder goed concert. Achttien

maanden had hunne intimiteit geduurd. Campbell was of in Selby Royal

of in Grosvenor Square. Voor hem was Dorian Gray de hoogste type van

het leven. Of zij samen getwist hadden, wist niemand. Maar in eens

merkte men op, dat ze bijna niet tegen elkaâr spraken als zij elkaâr

ontmoetten, en dat Campbell vroeg wegging van een soiree, zoo Dorian

Gray daar ook was. Hij was ook veranderd, was melancholiek, scheen een

afkeer van muziek te hebben, en speelde zelfs nooit meer; hij gaf als

excuus op, dat hij te veel opging in de chemie en geen tijd had tot

studeeren. En dit was volkomen waar. Meer en meer scheen hij nu

verdiept in biologie, en zijn naam verscheen een paar malen in

wetenschappelijke bladen, in verband met curieuze proefnemingen.

Dit was de man, dien Dorian Gray wachtte.

Iedere seconde zag hij op de klok. Bij iedere minuut, die verstreek,

werd hij hoe langer hoe zenuwachtiger. Eindelijk stond hij op, liep de

kamer op en neêr, als een mooi dier, in een kooi gesloten. Hij nam

lange, sluipende stappen. Zijn handen werden ijskoud. De onzekerheid

werd ondragelijk. De tijd scheen hem als met looden voeten voort te

kruipen, terwijl hij door monsterachtige orkanen werd opgezweept naar

den steilen kant van een donkeren afgrond. Hij wist wat hem daar

wachtte, zag het en, rillende, drukte hij met klamme handen zijne

brandende oogleden toe, als wilde hij zijne hersens het gezicht

ontnemen en zijne oogen terugduwen in hunne kassen. Het was

vruchteloos. Het brein mestte zich met zijn eigen voedsel, en de

verbeelding, grotesk van angst, draaide en wrong zich als een levend

wezen in marteling, sprong als een hansworst, en grijnsde achter

beweegbare maskers. Toen, op eens, stond de tijd stil voor hem.

Ja, dat blinde, langzaam ademende ding kroop niet meer voort, en

afschuwelijke gedachten snelden, nu de tijd dood was, vlug naar voren

en trokken de afgrijselijkste toekomst uit een graf op. Hij staarde er

naar. De gruwelen er van versteenden hem. Eindelijk ging de deur open,

en de knecht kwam binnen.

Met glazige oogen zag Dorian hem aan.

--Mr. Campbell, meneer, diende de man aan. Een zucht van verlichting

kwam over Dorians verdroogde lippen en de kleur kwam terug in zijne

wangen.

--Vraag hem dadelijk binnen te komen, Francis.

Hij gevoelde, dat hij weêr zichzelven was. Zijne bui van halfheid was

voorbij.

De man boog en trok zich terug. Na enkele minuten kwam Alan Campbell

binnen; zijn gezicht was ernstig en bleek, nog bleeker door het

koolzwarte haar en de donkere wenkbrauwen.

--Alan, het is vriendelijk van je, dat je gekomen bent. Ik ben er je

dankbaar voor.

--Ik had mij voorgenomen nooit meer bij je in huis te komen, Gray.

Maar je schreef, dat het een levenskwestie was.

Zijne stem klonk hard en koud. Hij sprak met langzaam overleg. Er lag

diepe verachting in den vasten, onderzoekenden blik, dien hij op

Dorian Gray vestigde. Hij hield de handen in de zakken van zijn

astrakan pels, en scheen het gebaar, waarmeê hij ontvangen werd, niet

opgemerkt te hebben.

--Ja, het is een zaak van leven of dood, Alan en voor meer dan één

persoon. Ga zitten.

Campbell nam een stoel bij de tafel, Dorian zette zich over hem. Hunne

oogen ontmoetten elkaâr. In die van Dorian lag oneindig medelijden.

Hij wist, dat wat hij ging doen, ontzettend was.

Na een pijnlijke stilte, boog hij voorover en sprak rustig, den indruk

van ieder woord nagaande op het gelaat van den ander:

--Alan, heel boven in een gesloten kamer, een kamer, waar niemand in

komt dan ik, zit een doode man aan de tafel. Hij is nu tien uren dood.

Verroer je niet, en zie me niet zoo aan. Wie die man is, waarom hij

stierf, gaat je niet aan. Wat jij te doen hebt is dit ...

--Hoû op, Gray. Ik wil niets verder weten. Of hetgeen je verteld hebt,

waar is of niet, kan mij niet schelen. Ik weiger _iets_ met je leven

te doen te hebben. Hoû je afschuwelijke geheimen voor jezelven. Ze

hebben voor mij geen belang meer.

--Alan, ze moeten belang voor je hebben. Ze moeten je kunnen schelen.

Het spijt mij verschrikkelijk voor jou, Alan. Maar ik kan er niets aan

doen. Je bent de eenige, die mij redden kan. Ik ben gedwongen je er in

te betrekken. Ik heb geen keus, Alan. Je bent knap. Je weet veel van

chemie, en dat alles. Je hebt proeven genomen. Wat je nu te doen hebt,

is, dat wat daar boven zit, te vernietigen, zóó te vernietigen, dat er

niet één spoor van overblijft. Niemand zag dien persoon hier in huis

komen. En op dit oogenblik denkt iedereen, dat hij in Parijs is. Hij

zal in maanden niet gemist worden. Wordt hij gemist, dan moet hier

geen spoor van hem te vinden zijn. Jij, Alan, jij moet hem, en alles

wat van hem is, veranderen, oplossen in een handvol asch, die ik in de

lucht weg kan strooien.

--Je bent gek, Dorian.

--O! Ik wachtte al, dat je mij Dorian zoû noemen.

--Je bent gek, zeg ik je, gek om te verbeelden, dat ik een vinger zoû

verroeren om je te helpen, gek om mij die monsterachtige biecht te

doen. Ik wil er niets meê te doen hebben, wat het ook zij. Denk je,

dat ik voor jou mijn naam in gevaar zal brengen. Wat kan het mij

schelen wat voor duivelsch werk je doet.

--Het was zelfmoord, Alan.

--Dat doet mij pleizier, maar wie dreef hem er toe. Jij, natuurlijk.

--Weiger je nog dit voor mij te doen?

--Natuurlijk weiger ik. Ik wil er niets meê te doen hebben. Het gaat

mij niet aan welke schande er over jou komt. Je hebt het dubbel en

dwars verdiend, Het zoû me niets spijten, zoo ik je ontmaskerd, in het

publiek onteerd zag. Hoe durf je mij, juist mij, te vragen je te

helpen in dit gruwelijk werk. Ik had gedacht, dat je beter inzicht zoû

hebben in het karakter van de menschen. Je vriend Lord Henry Wotton

heeft je dan toch niet veel psychologie geleerd. Niets zal mij bewegen

iets, wat ook, te doen om je te helpen. Je bent aan een verkeerd

kantoor. Ga liever naar een van je vrienden. Vraag het mij niet.

--Alan, het was een moord. _Ik_ vermoordde hem. Je weet niet wat hij

mij had doen lijden. Zooals mijn leven nu is, heeft hij er meer meê te

maken dan die arme Harry. Misschien heeft hij het zoo niet bedoeld,

maar de uitslag blijft dezelfde.

--Een moord! Groote God! Dorian, ben je daartoe gekomen? Ik zal je

niet aangeven. Het is niet mijn zaak. Buitendien, zal je zonder mij

ook wel opgepakt worden. Niemand begaat ooit een misdaad, zonder er

iets stoms bij te doen. Maar ik wil er niets meê te maken hebben.

--Je _moet_ er iets meê te maken hebben. Wacht, wacht een oogenblik,

luister naar mij. Luister even, Alan. Al wat ik je vraag is niets dan

een wetenschappelijke proef. Je gaat wel naar hospitalen en

sterfhuizen, en de gruwelen, die je daar doet, kunnen je niet schelen.

Als je in zoo een akelige ontleedkamer of in een vunzig laboratorium

dezen man vond liggen op een looden tafel met roode gootjes, waar het

bloed in weg kan loopen, zoû je hem niet anders beschouwen dan als een

prachtig sujet. Je zoû er je hand niet om verdraaien. Je zoû niet

gelooven, dat je iets slechts deed. Integendeel, je zoû vinden, dat je

de menschheid een weldaad deed, of de wetenschap verrijkte, of aan de

intellectuele nieuwsgierigheid voldeed, of zoo iets moois. Wat ik je

vraag, is iets wat je al honderden malen deed. Er is de totale

vernietiging van een lichaam niet eigenlijk veel minder dan wat jij

gewoon bent te doen. En denk er om, dat het het eenige bewijs tegen

mij is. Als het ontdekt wordt, ben ik verloren en natuurlijk wordt het

ontdekt, als je mij niet helpt.

--Maar ik wil je niet helpen: dat vergeet je. De heele zaak laat mij

koud. Ik heb er niets meê te maken.

--Alan, Ik bid je! Denk toch in welken toestand ik ben. Even vóór je

kwam, viel ik bijna flauw van angst. Je zoû later ook zoo een angst

kunnen kennen. Of neen, denk daar niet aan. Bezie de zaak uit een

zuiver wetenschappelijk oogpunt. Je vraagt immers ook niet, waarvan de

doode lichamen komen, waar jij je proeven op neemt. Vraag er dan nu

ook niet naar. Ik heb je er al te veel van verteld. Maar ik bezweer

je, dit voor mij te doen. Eens waren wij vrienden, Alan.

--Spreek niet over die dagen, Dorian, zij zijn dood.

--De dooden verwijten soms. Die man daarboven gaat niet weg. Hij zit

aan de tafel met gebogen hoofd en uitgestrekte armen. Alan! Alan! als

je mij niet helpt, ben ik verloren. Mijn God, Alan, zij zullen mij

ophangen voor wat ik gedaan heb.

--Het is onnoodig deze scène langer te rekken. Ik weiger _iets_ in de

zaak te doen te hebben. Het is onzinnig van je mij dit te vragen.

--Je weigert dus?

--Ja.

--Ik smeek je, Alan.

--Voor niets.

Die zelfde blik van medelijden kwam er in Dorian Gray's oogen. Toen

stak hij de hand uit, nam een stuk papier en schreef er iets op. Hij

las het twee keer over, vouwde het zorgvuldig en schoof het over de

tafel heen. Toen stond hij op en ging naar het venster. Campbell zag

hem verbaasd aan, nam het papier en vouwde het open.

Terwijl hij las, werd zijn gezicht doodsbleek, en viel hij terug in

zijn stoel. Een verschrikkelijk gevoel van walging kwam over hem. Het

was hem of zijn hart ten doode toe bonsde in een ledige holte.

Na twee, drie minuten van een huiverende stilte, keerde Dorian zich

om, stond achter hem stil en legde hem de hand op den schouder.

--Het spijt me zoo voor jou, Alan, fluisterde hij; maar je laat mij

geen anderen uitweg. Ik had den brief al geschreven. Hier is hij. Je

ziet het adres. Als je mij niet helpt, moet ik hem verzenden. Als je

mij niet helpt, zàl ik hem verzenden. Je weet wat de uitslag zal zijn.

Maar je zult me helpen. Je kunt niet meer weigeren. Ik woû je sparen.

Dat zal je mij toch toegeven. Je was streng, hard, beleedigend. Je

behandelde mij als geen wezen mij ooit durfde te behandelen, geen

levend wezen tenminste. Ik verdroeg alles. Nu is het aan mij om

voorwaarden te stellen.

Campbell verborg het gelaat in de handen en een huivering liep over

hem.

--Ja, nu is het mijn beurt, orders te geven, Alan. Je weet wat ik wil.

Het is doodeenvoudig. Kom, wind je nu niet zoo op. Het moet gedaan

worden. Pak het aan en doe het.

Gekreun kwam over Campbells lippen, en hij rilde over het geheele

lichaam. Het tikken van de klok op den schoorsteenmantel scheen den

tijd te verdeelen in afzonderlijke atomen van foltering, ieder te

zwaar om geleden te worden. Hij gevoelde als werd een ijzeren ring

langzaam nauw gekneld om zijn voorhoofd, als was de schande, die hem

bedreigde, reeds over hem gekomen. De hand op zijn schouder drukte als

lood. Het was ondragelijk. Ze scheen hem te verpletteren.

--Kom, Allan, neem een besluit.

--Ik kan het niet doen, sprak hij, werktuigelijk als konden woorden de

zaak verhinderen.

--Je moèt. Er staat je geen keuze. Stel nu niet langer uit.

Hij aarzelde een oogenblik.

--Brandt er boven vuur?

--Ja, er brandt gas.

--Ik moet naar huis om het een en ander uit het laboratorium te halen.

--Neen Alan, je mag hier niet vandaan. Schrijf op een briefje wat je

noodig hebt, dan zal de knecht het in een cab gaan halen.

Campbell krabbelde een paar woorden, vloeide ze en schreef het adres

van zijn assistent. Dorian nam het briefje op en las het nauwkeurig

na. Toen belde hij, gaf het den knecht met het bevel zoo spoedig

mogelijk terug te komen en de dingen meê te brengen. Toen de deur van

de gang dicht viel, schrikte Campbell zenuwachtig op, en opstaande,

ging hij naar den schoorsteenmantel. Hij rilde als in koorts. Twintig

minuten lang sprak er niemand. Een vlieg gonsde door de kamer, en het

tikken van de klok was als hamerslagen.

Toen het één sloeg, keerde Campbell zich om en Dorian Gray aanziende,

zag hij tranen in zijn oogen. Er was iets in de volmaaktheid en de

verfijning van dat treurige gezicht, dat hem razend maakte.

--Je bent laag, schandelijk laag, mompelde hij.

--Stil Alan, je hebt mijn leven gered, sprak Dorian.

--Je leven? Groote God wat een leven! Je bent van slechtheid tot

slechtheid gevallen en nu tot misdaad toe. Bij wat je mij dwingt te

doen, denk ik niet aan jouw leven.

--Alan, fluisterde Dorian, met een zucht. Ik woû, dat je voor mij een

duizendste gedeelte van het medelijden voelde, dat ik nu voor jou

voel.

Campbell antwoordde niet.

Tien minuten later werd er geklopt; de knecht kwam binnen, hij droeg

een groote houten kist met scheikundige stoffen; een lange streng

staal-en platinadraad en twee vreemd gevormde ijzeren schragen.

--Zal ik alles maar hier neêrzetten, meneer? vroeg hij aan Campbell.

--Ja, zei Dorian. En Francis, dan heb ik nog een boodschap voor je.

Hoe heet die man in Richmond, die altijd orchideeën levert op Selby?

--Harden, meneer.

--Juist, Harden. Je moest nu dadelijk naar Richmond gaan, Harden zelf

spreken en zeggen, dat ik tweemaal zooveel orchideeën moet hebben, als

ik besteld had, en zoo weinig mogelijk witte. Het is een prachtige

dag, Francis, en Richmond is een aardige plaats; ik zoû er je anders

niet meê lastig vallen.

--O, het is niets geen moeite, meneer. Om hoe laat moet ik terug zijn?

Dorian zag naar Campbell.

--Hoe lang zal je proef duren, Alan? vroeg hij met rustige,

onverschillige stem. De tegenwoordigheid van een derde in de kamer

scheen hem moed in te boezemen. Campbell fronsde zijn wenkbrauwen en

beet zich op de lippen.

--Vijf uur, denk ik, antwoordde hij.

--Dan is het tijd genoeg als je om half acht terug bent, Francis. Of

weet je wat; leg alles voor mij klaar om mij te kleeden, dan kan je

den avond voor jou hebben. Ik eet toch niet thuis, dus heb ik je

verder niet noodig.

--Dank u, meneer, sprak de knecht, en verliet de kamer.

--Nu, Alan verlies nu geen minuut. Wat is die kist zwaar. Ik zal hem

voor je dragen. Breng jij de andere dingen dan meê.

Hij sprak haastig en bevelend. Campbell gevoelde zich door hem

overheerscht. Zij gingen samen de kamer uit.

Boven gekomen nam Dorian den sleutel uit zijn zak en draaide het slot

open. Toen stond hij even stil, angst in zijn oogen. Hij rilde.

--Ik kan niet binnen gaan, Alan, fluisterde hij.

--Het kan mij niet schelen. Ik heb je niet noodig, sprak Campbell

koud.

Dorian opende half de deur; toen zag hij het gezicht op het portret

grijnzen in de zon. Op den grond er voor lag het afgetrokken gordijn.

Hij herinnerde zich, dat hij van nacht voor het eerst vergeten had het

noodlottige doek te bedekken, en hij wilde er op toesnellen, maar

huiverend week hij terug.

Wat was die walgelijke roode dauw daar, nat, parelende op een van de

handen, als had het doek bloed gezweet! Het was verschrikkelijk,

verschrikkelijker nog dan dat stille ding daar aan de tafel, waarvan

de grotesk misvormde schaduw op het bevlekte kleed hem aantoonde, dat

het zich niet verroerd had, maar daar nog zat, zooals hij het gelaten

had.

Hij zuchtte zwaar, opende de deur wat wijder en liep met half gesloten

oogen en afgewend gelaat de kamer binnen, besloten geen blik te werpen

op den dooden man. Toen, zich bukkend, raapte hij den purpergouden

voorhang op, en wierp het over de schilderij.

Hij bleef stil, bang zich om te draaien en zijne oogen staarden op het

ingewikkeld patroon vóór hem. Hij hoorde Campbell de zware kist

binnenbrengen, en de ijzers, en al het andere wat hij noodig had voor

zijn gruwzaam werk. Hij vroeg zich af, of hij en Basil Hallward elkaâr

ontmoet hadden, en wat zij toen van elkaâr hadden gedacht.

--Laat mij alleen, sprak een strenge stem achter hem.

Hij keerde om en haastte zich weg; nog juist bemerkte hij, dat de

doode man achterover was gelegd in den stoel, en dat Campbell staarde

in een glanzig geel gezicht. Toen hij naar beneden ging, hoorde hij

den sleutel in het slot omdraaien.

* * * * *

Lang over zeven kwam Campbell terug in de biblioteek. Hij was bleek,

maar volkomen kalm.

--Ik heb gedaan, wat je mij vroeg, fluisterde hij. En nu vaarwel. Laat

ons elkaár nooit meer zien.

--Je hebt me gered van den ondergang, Alan. Dat zal ik nooit vergeten,

sprak Dorian eenvoudig.

Zoodra Campbell weg was, ging hij naar boven. Er was een sterke lucht

van salpeterzuur in de kamer. Maar dat wat aan de tafel had gezeten,

was er niet meer. Een paar gevaarlijke dingen moesten nog vernietigd

worden. Hij huiverde. Hij had een afschuw er aan te raken.

Toch moest het gedaan worden. Dat begreep hij en de deur van de

bibliotheek gesloten hebbende, opende hij de geheime kast, waarin hij

Basil Hallwards valies en jas geworpen had. Een groot vuur vlamde. Hij

wierp er nog een blok op.

De lucht van verbrande kleêren en leder was afschuwelijk. Het duurde

drie kwartier eer alles vergaan was. Toen het gedaan was, voelde hij

zich flauw en misselijk; hij stak een paar Algiersche pastilles aan in

een koperen wierookvaatje, en waschte hoofd en handen met een koel,

muskus-geurend toiletwater. Plotseling schrikte hij op. Zijne oogen

werden vreemd schitterend en hij beet zenuwachtig op zijn onderlip.

Tusschen de twee ramen stond een groote Florentijnsche kast van

ebbenhout, ingelegd met ivoor en blauwe lapis. Hij staarde er naar als

een ding, dat betooveren kon en bang kon maken en als hield het iets

in, waarnaar hij verlangde en dat hij toch verafschuwde. Zijn adem

ging vlug, hijgend. Een dol verlangen kwam over hem. Hij stak een

cigarette op en wierp ze weder weg. Zijne oogleden vielen neêr, tot de

lange wimpers rustteden op zijn wang. Maar nog steeds staarde hij naar

de kast.

Eindelijk stond hij op van de bank, waar hij lag, ging er heen, opende

ze en drukte op een geheime veer. Een driehoekig laadje draaide

langzaam naar buiten. Zijne vingers grepen er instinctmatig iets uit.

Het was een klein chineesch doosje van zwart-en-goudlak, rijk bewerkt;

aan de zijden koorden hingen ronde kristallen en waren metalen draden

doorweven. Hij opende het. Binnen was groene zalf, glanzig als was,

zwaar doordringend van geur. Hij aarzelde nog even, met een vreemden,

strakken glimlach op het gelaat. Hij huiverde, hoewel de atmosfeer van

de kamer stikkend was, en zag op de klok. Het was twintig minuten voor

twaalven. Hij legde de doos weêr weg, deed de deuren van de kast

dicht, en ging naar zijne slaapkamer.

Terwijl het twaalf uur sloeg met heldere, bronzen slagen, sloop Dorian

Gray, in een oud, ruw pak met een bouffante om den hals, stil zijn

huis uit. In Bond-Street vond hij een hansom met een flink paard. Hij

riep aan en gaf het adres aan den koetsier, met zachte stem. De man

schudde het hoofd.

--Het is te ver, mompelde hij.

--Hier heb je een sovereign, zei Dorian, en als je hardt rijdt, krijg

je er nog een.

--Goed meneer, antwoordde de man; u zal er binnen het uur zijn!

Toen Dorian ingestapt was, draaide hij om en reed in galop naar de

richting van de Thames.

Het portret van Dorian Gray · 第 16 / 22 题