XIII.

Hij ging de kamer uit, de trap op. Basil Hallward volgde hem. Zij

liepen zacht, zooals men doet in den nacht.

De lamp sloeg fantastische schaduwen neêr over den muur en de trap.

Een wind stak op, rammelde aan de vensters. Toen zij heel boven waren,

zette Dorian de lamp op den grond neer, nam den sleutel uit zijn zak

en draaide het slot om.

--Je staat er immers op het te weten, Basil, vroeg hij gedempt.

--Ja.

--Dat doet me plezier, antwoordde hij, glimlachend. Hij voegde er bij,

ietwat ruw:

--Je bent de eenige man in de wereld, die alles van mij weten moet. Je

bent in mijn leven meer dan je wel denkt.

De lamp opnemend, stootte hij de deur open en trad binnen. Een koude

tocht woei over hem en het licht schoot even op in een vlam van somber

oranje.

--Sluit de deur achter je, fluisterde hij, terwijl hij de lamp op de

tafel zette.

Hallward zag om zich heen met een blik van niet begrijpen. De kamer

zag er uit of er in jaren lang niet gewoond was. Een verschoten

Vlaamsch behang; een schilderij met een gordijn er voor; een oude

Italiaansche cassone en een bijna leêge boekenkast; dan nog een stoel

en een tafel. Terwijl Dorian Gray een half afgebrande kaars op den

schoorsteenmantel aanstak, zag Basil, dat alles vol stof lag, dat er

gaten in het tapijt waren. Een muis liep schuifelend achter het

behangsel. Er was een vochtige lucht van schimmel.

--Je denkt, dat God alleen de ziel van een mensch zien kan, Basil?

Trek dat gordijn weg, en je zal de mijne zien.

Zijn stem klonk koud en wreed.

--Je bent gek, Dorian of je speelt komedie, mompelde Hallward met een

frons.

--Wil je niet? Dan zal ik het zelf doen, sprak hij, rukte het gordijn

van de roe af en wierp het op den grond.

Een kreet van afschuw ontsnapte den schilder, toen, in het flauwe

licht, het verschrikkelijke masker hem tegengrijnsde. Groote God! het

was het gelaat van Dorian Gray. De gruwel, of wat ook, had die wondere

schoonheid niet geheel kunnen vernietigen. Er was nog een tikje goud

in het dunne haar, nog een waasje van purper op den zinnelijken mond.

De doffe oogen hadden nog iets van hun blauw; de edele, klassieke

lijnen waren niet geheel verdwenen van de fijne neusvleugels, van den

plastischen hals. Ja, het was Dorian! Maar wie had dat gedaan? Hij

scheen zijn eigen penseelstreek te herkennen, en de lijst had hijzelve

ontworpen. De gedachte was monsterachtig en hij was bang. Hij greep de

kaars en hield het licht vlak bij de schilderij. Links in den hoek

stond zijn eigen naam in lange letters van helder vermiljoen.

Het was een lage parodie, een schandelijke, ignoble satire. Dat had

hij nooit gedaan. En toch, het was zijn werk, dat voelde hij, en het

was of zijn bloed in hem opeens van brandend vuur veranderde in traag

kruipend ijs. Zijn eigen werk! Wat beteekende het? Waarom was het

veranderd? Hij keerde zich om en zag naar Dorian Gray met de oogen van

een ziek mensch. Zijn mond trok en zijn verdroogde tong scheen

onmachtig tot spreken. Hij streek met de hand langs het voorhoofd. Het

was vochtig van een klam zweet.

De jonge man leunde tegen den schoorsteenmantel en sloeg hem gade met

de vreemde uitdrukking op zijn gelaat van iemand, die verdiept is in

het spel van een groot artist. Verdriet nog genoegen was er op te

lezen. Slechts de passie van den toeschouwer, met misschien een tintje

van triomf in de oogen. Hij had zijne bloem uit het knoopsgat genomen

en rook eraan, of deed alsof.

--Wat beteekent dat? riep Hallward eindelijk. Zijn eigen stem klonk

hem schril en vreemd in de ooren.

--Jaren geleden, toen ik nog een jongen was, begon Dorian Gray, de

bloem in zijn hand verkreukelend, leerde je mij kennen, vleide je mij

en leerde je mij trotsch te zijn op mijn mooi gezicht. Op een dag

stelde je mij voor aan een vriend van je, die mij de tooverkracht van

de jeugd uitlegde, en je maakte een portret van me, dat mij de

tooverkracht van de jeugd openbaarde. In een opgewonden oogenblik, ik

weet nog niet of ik er spijt van heb of niet, deed ik een wensch,

misschien zoû jij het een gebed noemen ...

--Ik herinner het mij, o! ik herinner het mij maar al te goed. Maar

dat is onmogelijk. De kamer is vochtig. Daar zit schimmel op het doek.

Daar moet een of ander mineraal vergif gezeten hebben in mijn verf. Ik

zeg je dat het onmogelijk is.

--Ach, wat is onmogelijk? murmelde Dorian naar het venster gaande en

zijn voorhoofd drukkende tegen het koude, mistbeslagen glas.

--Je vertelde mij, dat je het vernietigd had.

--Dat was niet zoo. Het heeft mij vernietigd.

--Ik kan niet gelooven, dat het mijn schilderij is.

--Herken je je ideaal er niet meer uit? vroeg Dorian bitter.

--Mijn ideaal, zooals jij het noemt ...

--Zooals jijzelf het noemde.

--Daar was niets slechts, niets schandelijks in. Je was voor me een

ideaal, als ik er nooit meer een zien zal. Maar dit, dit is het masker

van een sater.

--Het is het masker van mijn ziel.

--Groote God? Wat een monster heb ik verafgood. Het heeft de oogen van

den duivel!

--Ieder van ons heeft in zich iets van den hemel en iets van de hel,

Basil, riep Dorian, met een wild gebaar van wanhoop.

Hallward staarde weêr op het portret.

--Mijn God! als het waar is en als dit het beeld is van je leven, dan

moet je nog slechter zijn dan de menschen zeggen!!

Wederom hield hij het licht bij het doek en onderzocht het nauwkeurig.

De oppervlakte scheen onberoerd. Klaarblijkelijk kwam de laagheid en

afschuwelijkheid van binnen uit. Door eene onbegrijpelijke werking van

innerlijk leven, werd dat beeld op linnen langzaam weggevreten door de

lepra der zonde. Het wegrotten van een lichaam in een vochtig graf was

niet zoo afschuwelijk.

Zijne hand beefde, de kaars viel uit den blaker op den grond en

spatterde daar. Hij zette zijn voet er op en trapte ze uit. Toen wierp

hij zich in den rieten stoel bij de tafel en verborg het gelaat in de

handen.

--Groote God! Dorian, wat een les! Wat een verschrikkelijke les!

Er kwam geen antwoord maar hij hoorde hem snikken bij het venster.

--Bid Dorian, bid! fluisterde hij. Hoe was hetook weêr, wat wij als

kinderen leerden? Leid ons niet in verzoeking. Vergeef ons onze

zonden. Zuiver ons van onze ongerechtigheden. Laat ons dat samen

bidden. Je gebed van trots is verhoord. Het gebed van je berouw zal

misschien ook verhoord worden. Ik stelde je te hoog. Daar ben ik voor

gestraft. Je stelde jezelven te hoog. Wij zijn nu beiden gestraft.

Dorian Gray keerde zich langzaam om en zag hem aan met betraande

oogen.

--Het is te laat, Basil, snikte hij.

--Het is nooit te laat, Dorian. Laat ons neêrknielen en ons een gebed

trachten te herinneren. Is er niet ergens een tekst: Al zijn uw zonden

rood als bloed, ik zal ze maken wit als sneeuw?

--Die woorden zeggen mij niets.

--Chut! Zeg dat niet. Je hebt genoeg kwaad gedaan in je leven. Mijn

God! Zie je dan niet hoe dat vervloekte beeld ons aangrijnst!!!

Dorian Gray zag naar het portret; eensklaps kwam een onbedwingbaar

gevoel van haat tegen Basil Hallward over hem, al werd het hem

ingegeven door dat beeld, ingefluisterd door die grijnzende lippen.

De wanhopige passies van een gejaagd dier woedden in hem en hij

verafschuwde dien man daar aan tafel meer dan hij ooit iets

verafschuwd had. Hij blikte woest rond. Er glinsterde iets op die kist

voor hem. Zijn oog viel er op. Hij wist wat het was. Het was een mes,

dat hij een paar dagen geleden boven had gebracht om een touw meê door

te snijden, en hij had vergeten het weg te brengen. Voorzichtig sloop

hij er heen, langs Basil om. Achter hem gekomen, greep hij het beet.

Hallward bewoog zich in zijn stoel, als wilde hij opstaan. Dorian

vloog op hem toe, stootte het mes diep in den slagader achter het oor,

het hoofd op de tafel neêrdrukkend, en stiet toen nog eens, en nog

eens.

Er was even een onderdrukt gesteun en het verschrikkelijke geluid van

iemand, die in zijn bloed stikt. Tot drie keer toe verhieven de

uitgestrekte armen zich krampachtig en bewogen de stijve handen zich

wanhopig in de lucht. Hij stiet nog tweemaal, maar het lichaam bewoog

niet meer. Er begon iets te tikkelen op den grond. Hij wachtte nog

even, het hoofd steeds naar beneden duwend. Toen wierp hij het mes op

de tafel en luisterde.

Hij hoorde niets dan: tik, tik, op het afgesleten tapijt. Hij deed de

deur open en stond op het portaal. Het huis was doodstil. Er was

niemand op. Even stond hij geleund over de balustrade en tuuroogde in

den zwarten put van donkerte. Toen nam hij den sleutel van buiten uit

de deur, ging weêr de kamer binnen en sloot er zich op.

Het ding zat daar nog in den stoel, geleund over de tafel met gebogen

hoofd, ronden rug en lange spookachtige armen. Alleen om de roode keep

in den hals en de zwarte, klonterige poel, die langzaam grooter werd

op de tafel, zoû men niet kunnen gezegd hebben, dat de man sliep. Hoe

vlug was alles gebeurd. Hij voelde zich vreemd kalm, en naar het

venster gaande, opende hij het en trad op het balkon. De wind had den

mist weggevaagd en de lucht was als een reusachtige pauwenstaart, met

oogen van myriaden sterren. Hij keek naar beneden; zag den agent zijne

ronde doen, een lange straal uit zijn lantaren richtende op de deuren,

der slapende huizen. Het roode lichtje van een cab flikkerde even om

den hoek en verdween weêr. Eene vrouw, met een fladderende shawl,

kroop waggelend langs het hekwerk. Zij begon te zingen met een schorre

stem.

De agent kwam op haar toe en zeide iets tot haar. Zij waggelde weg,

lachend. Een koude wind blies over het Square. De gaslantarens

flikkerden en werden blauw en de bladerlooze boomen schudden hunne

ijzer-zwarte takken heen en weêr. Hij huiverde en ging naar binnen,

het raam sluitend. Bij de deur gekomen, opende hij die. Hij zag niet

naar den vermoorden man. Hij gevoelde, dat het nu van geen belang was:

zich geene rekenschap te geven van het gebeurde. De vriend, die dat

noodlottig portret geschilderd had, was verdwenen uit het leven. Dat

was hem genoeg. Toen dacht hij aan de lamp. Het was een Moorsch ding

van dof zilver, ingelegd met arabesken van gebrand staal, met hier en

daar ruwe turkooizen. Misschien zoû de knecht het missen en er naar

vragen. Hij aarzelde even. Hij moest nu wel dat doode ding zien. Wat

lag het stil. Akelig wit waren die lange handen. Het was als een

afschuwelijk wassen beeld.

De deur achter zich gesloten hebbend, kroop hij voorzichtig naar

beneden. Het hout kraakte en scheen te steunen als was het in pijn.

Hij hield verscheiden malen stil en wachtte. Neen, alles was stil. Het

was slechts het geluid van zijne eigen voetstappen.

In de bibliotheek zag hij het valies en de overjas, in een hoek. Die

moesten verborgen worden. Hij opende een geheime kast in den muur, een

kast, waar hij zijne vermommingen borg, en stopte alles er in. Hij kon

ze later gemakkelijk eens verbranden. Toen haalde hij zijn horloge

uit. Het was tien minuten voor half een.

Hij ging zitten en dacht na. Ieder jaar, iedere maand bijna, werden er

in Engeland menschen opgehangen om hetgeen hij nu gedaan had. Een

drang naar moorden hing er in de lucht. Er was zeker een roode ster te

dicht bij de aarde gekomen ... Maar welke bewijzen waren er tegen hem?

Basil Hallward had het huis om elf uur verlaten. Niemand had hem weêr

binnen zien komen. De meesten der bedienden waren op Selby Royal. Zijn

knecht was naar bed ... Parijs! Ja, Basil was naar Parijs gegaan, met

den nachttrein, zooals zijn plan was. Er zouden maanden voorbij gaan,

eer hij gemist werd. Maanden! Alles kon immers lang vóór dien tijd

vernietigd worden.

Eene plotselinge gedachte weêrlichtte in hem op. Hij deed zijn pels

aan, zette zijn hoed op en ging in de gang. Daar bleef hij stil staan

en luisterde naar de langzame, zware stappen van den agent buiten, en

hij zag het licht zijner lantaren weêrkaatst in het venster. Hij

wachtte en hield zijn adem in. Na enkele oogenblikken trok hij de knip

weg en sloop naar buiten, de deur zachtjes dichttrekkend. Toen begon

hij aan de bel te luiden; binnen vijf minuten verscheen de knecht,

half gekleed, slaperig.

--Het spijt me, dat ik je moest opbellen, Francis, sprak hij

binnenkomend, maar ik had mijn sleutel vergeten. Hoe laat is het?

--Tien minuten over tweeën, meneer, antwoordde de man, op de klok

ziende, knipoogend.

--Tien minuten over tweeën. Hoe verschrikkelijk laat! Je moet me

morgen om negen uur wekken. Ik heb wat te doen.

--Goed, meneer.

--Is er iemand geweest?

--Mr. Hallward, meneer; hij bleef tot elf uur en ging toen weg om den

trein te halen.

--Zoo! Dat spijt me. Heeft hij een boodschap achtergelaten?

--Neen, meneer; alleen, dat hij u uit Parijs zoû schrijven, als hij u

niet in de club vond.

--Goed Francis. Vergeet niet me morgen op te roepen, om negen uur.

--Neen, meneer.

De man slofte op zijn pantoffels de hall door. Dorian Gray wierp jas

en hoed op de tafel en ging in de bibliotheek. Een kwartier lang liep

hij in de kamer op en neêr na te denken, op zijne lip bijtend. Toen

nam hij een adresboek van een van de planken en zocht er in:

Alan Campbell, 152 Hertford Street, Mayfair. Ja, dat was de man, dien

hij noodig had.

Het portret van Dorian Gray · 第 15 / 22 题