Hij ging de kamer uit, de trap op. Basil Hallward volgde hem. Zij
liepen zacht, zooals men doet in den nacht.
De lamp sloeg fantastische schaduwen neêr over den muur en de trap.
Een wind stak op, rammelde aan de vensters. Toen zij heel boven waren,
zette Dorian de lamp op den grond neer, nam den sleutel uit zijn zak
en draaide het slot om.
--Je staat er immers op het te weten, Basil, vroeg hij gedempt.
--Ja.
--Dat doet me plezier, antwoordde hij, glimlachend. Hij voegde er bij,
ietwat ruw:
--Je bent de eenige man in de wereld, die alles van mij weten moet. Je
bent in mijn leven meer dan je wel denkt.
De lamp opnemend, stootte hij de deur open en trad binnen. Een koude
tocht woei over hem en het licht schoot even op in een vlam van somber
oranje.
--Sluit de deur achter je, fluisterde hij, terwijl hij de lamp op de
tafel zette.
Hallward zag om zich heen met een blik van niet begrijpen. De kamer
zag er uit of er in jaren lang niet gewoond was. Een verschoten
Vlaamsch behang; een schilderij met een gordijn er voor; een oude
Italiaansche cassone en een bijna leêge boekenkast; dan nog een stoel
en een tafel. Terwijl Dorian Gray een half afgebrande kaars op den
schoorsteenmantel aanstak, zag Basil, dat alles vol stof lag, dat er
gaten in het tapijt waren. Een muis liep schuifelend achter het
behangsel. Er was een vochtige lucht van schimmel.
--Je denkt, dat God alleen de ziel van een mensch zien kan, Basil?
Trek dat gordijn weg, en je zal de mijne zien.
Zijn stem klonk koud en wreed.
--Je bent gek, Dorian of je speelt komedie, mompelde Hallward met een
frons.
--Wil je niet? Dan zal ik het zelf doen, sprak hij, rukte het gordijn
van de roe af en wierp het op den grond.
Een kreet van afschuw ontsnapte den schilder, toen, in het flauwe
licht, het verschrikkelijke masker hem tegengrijnsde. Groote God! het
was het gelaat van Dorian Gray. De gruwel, of wat ook, had die wondere
schoonheid niet geheel kunnen vernietigen. Er was nog een tikje goud
in het dunne haar, nog een waasje van purper op den zinnelijken mond.
De doffe oogen hadden nog iets van hun blauw; de edele, klassieke
lijnen waren niet geheel verdwenen van de fijne neusvleugels, van den
plastischen hals. Ja, het was Dorian! Maar wie had dat gedaan? Hij
scheen zijn eigen penseelstreek te herkennen, en de lijst had hijzelve
ontworpen. De gedachte was monsterachtig en hij was bang. Hij greep de
kaars en hield het licht vlak bij de schilderij. Links in den hoek
stond zijn eigen naam in lange letters van helder vermiljoen.
Het was een lage parodie, een schandelijke, ignoble satire. Dat had
hij nooit gedaan. En toch, het was zijn werk, dat voelde hij, en het
was of zijn bloed in hem opeens van brandend vuur veranderde in traag
kruipend ijs. Zijn eigen werk! Wat beteekende het? Waarom was het
veranderd? Hij keerde zich om en zag naar Dorian Gray met de oogen van
een ziek mensch. Zijn mond trok en zijn verdroogde tong scheen
onmachtig tot spreken. Hij streek met de hand langs het voorhoofd. Het
was vochtig van een klam zweet.
De jonge man leunde tegen den schoorsteenmantel en sloeg hem gade met
de vreemde uitdrukking op zijn gelaat van iemand, die verdiept is in
het spel van een groot artist. Verdriet nog genoegen was er op te
lezen. Slechts de passie van den toeschouwer, met misschien een tintje
van triomf in de oogen. Hij had zijne bloem uit het knoopsgat genomen
en rook eraan, of deed alsof.
--Wat beteekent dat? riep Hallward eindelijk. Zijn eigen stem klonk
hem schril en vreemd in de ooren.
--Jaren geleden, toen ik nog een jongen was, begon Dorian Gray, de
bloem in zijn hand verkreukelend, leerde je mij kennen, vleide je mij
en leerde je mij trotsch te zijn op mijn mooi gezicht. Op een dag
stelde je mij voor aan een vriend van je, die mij de tooverkracht van
de jeugd uitlegde, en je maakte een portret van me, dat mij de
tooverkracht van de jeugd openbaarde. In een opgewonden oogenblik, ik
weet nog niet of ik er spijt van heb of niet, deed ik een wensch,
misschien zoû jij het een gebed noemen ...
--Ik herinner het mij, o! ik herinner het mij maar al te goed. Maar
dat is onmogelijk. De kamer is vochtig. Daar zit schimmel op het doek.
Daar moet een of ander mineraal vergif gezeten hebben in mijn verf. Ik
zeg je dat het onmogelijk is.
--Ach, wat is onmogelijk? murmelde Dorian naar het venster gaande en
zijn voorhoofd drukkende tegen het koude, mistbeslagen glas.
--Je vertelde mij, dat je het vernietigd had.
--Dat was niet zoo. Het heeft mij vernietigd.
--Ik kan niet gelooven, dat het mijn schilderij is.
--Herken je je ideaal er niet meer uit? vroeg Dorian bitter.
--Mijn ideaal, zooals jij het noemt ...
--Zooals jijzelf het noemde.
--Daar was niets slechts, niets schandelijks in. Je was voor me een
ideaal, als ik er nooit meer een zien zal. Maar dit, dit is het masker
van een sater.
--Het is het masker van mijn ziel.
--Groote God? Wat een monster heb ik verafgood. Het heeft de oogen van
den duivel!
--Ieder van ons heeft in zich iets van den hemel en iets van de hel,
Basil, riep Dorian, met een wild gebaar van wanhoop.
Hallward staarde weêr op het portret.
--Mijn God! als het waar is en als dit het beeld is van je leven, dan
moet je nog slechter zijn dan de menschen zeggen!!
Wederom hield hij het licht bij het doek en onderzocht het nauwkeurig.
De oppervlakte scheen onberoerd. Klaarblijkelijk kwam de laagheid en
afschuwelijkheid van binnen uit. Door eene onbegrijpelijke werking van
innerlijk leven, werd dat beeld op linnen langzaam weggevreten door de
lepra der zonde. Het wegrotten van een lichaam in een vochtig graf was
niet zoo afschuwelijk.
Zijne hand beefde, de kaars viel uit den blaker op den grond en
spatterde daar. Hij zette zijn voet er op en trapte ze uit. Toen wierp
hij zich in den rieten stoel bij de tafel en verborg het gelaat in de
handen.
--Groote God! Dorian, wat een les! Wat een verschrikkelijke les!
Er kwam geen antwoord maar hij hoorde hem snikken bij het venster.
--Bid Dorian, bid! fluisterde hij. Hoe was hetook weêr, wat wij als
kinderen leerden? Leid ons niet in verzoeking. Vergeef ons onze
zonden. Zuiver ons van onze ongerechtigheden. Laat ons dat samen
bidden. Je gebed van trots is verhoord. Het gebed van je berouw zal
misschien ook verhoord worden. Ik stelde je te hoog. Daar ben ik voor
gestraft. Je stelde jezelven te hoog. Wij zijn nu beiden gestraft.
Dorian Gray keerde zich langzaam om en zag hem aan met betraande
oogen.
--Het is te laat, Basil, snikte hij.
--Het is nooit te laat, Dorian. Laat ons neêrknielen en ons een gebed
trachten te herinneren. Is er niet ergens een tekst: Al zijn uw zonden
rood als bloed, ik zal ze maken wit als sneeuw?
--Die woorden zeggen mij niets.
--Chut! Zeg dat niet. Je hebt genoeg kwaad gedaan in je leven. Mijn
God! Zie je dan niet hoe dat vervloekte beeld ons aangrijnst!!!
Dorian Gray zag naar het portret; eensklaps kwam een onbedwingbaar
gevoel van haat tegen Basil Hallward over hem, al werd het hem
ingegeven door dat beeld, ingefluisterd door die grijnzende lippen.
De wanhopige passies van een gejaagd dier woedden in hem en hij
verafschuwde dien man daar aan tafel meer dan hij ooit iets
verafschuwd had. Hij blikte woest rond. Er glinsterde iets op die kist
voor hem. Zijn oog viel er op. Hij wist wat het was. Het was een mes,
dat hij een paar dagen geleden boven had gebracht om een touw meê door
te snijden, en hij had vergeten het weg te brengen. Voorzichtig sloop
hij er heen, langs Basil om. Achter hem gekomen, greep hij het beet.
Hallward bewoog zich in zijn stoel, als wilde hij opstaan. Dorian
vloog op hem toe, stootte het mes diep in den slagader achter het oor,
het hoofd op de tafel neêrdrukkend, en stiet toen nog eens, en nog
eens.
Er was even een onderdrukt gesteun en het verschrikkelijke geluid van
iemand, die in zijn bloed stikt. Tot drie keer toe verhieven de
uitgestrekte armen zich krampachtig en bewogen de stijve handen zich
wanhopig in de lucht. Hij stiet nog tweemaal, maar het lichaam bewoog
niet meer. Er begon iets te tikkelen op den grond. Hij wachtte nog
even, het hoofd steeds naar beneden duwend. Toen wierp hij het mes op
de tafel en luisterde.
Hij hoorde niets dan: tik, tik, op het afgesleten tapijt. Hij deed de
deur open en stond op het portaal. Het huis was doodstil. Er was
niemand op. Even stond hij geleund over de balustrade en tuuroogde in
den zwarten put van donkerte. Toen nam hij den sleutel van buiten uit
de deur, ging weêr de kamer binnen en sloot er zich op.
Het ding zat daar nog in den stoel, geleund over de tafel met gebogen
hoofd, ronden rug en lange spookachtige armen. Alleen om de roode keep
in den hals en de zwarte, klonterige poel, die langzaam grooter werd
op de tafel, zoû men niet kunnen gezegd hebben, dat de man sliep. Hoe
vlug was alles gebeurd. Hij voelde zich vreemd kalm, en naar het
venster gaande, opende hij het en trad op het balkon. De wind had den
mist weggevaagd en de lucht was als een reusachtige pauwenstaart, met
oogen van myriaden sterren. Hij keek naar beneden; zag den agent zijne
ronde doen, een lange straal uit zijn lantaren richtende op de deuren,
der slapende huizen. Het roode lichtje van een cab flikkerde even om
den hoek en verdween weêr. Eene vrouw, met een fladderende shawl,
kroop waggelend langs het hekwerk. Zij begon te zingen met een schorre
stem.
De agent kwam op haar toe en zeide iets tot haar. Zij waggelde weg,
lachend. Een koude wind blies over het Square. De gaslantarens
flikkerden en werden blauw en de bladerlooze boomen schudden hunne
ijzer-zwarte takken heen en weêr. Hij huiverde en ging naar binnen,
het raam sluitend. Bij de deur gekomen, opende hij die. Hij zag niet
naar den vermoorden man. Hij gevoelde, dat het nu van geen belang was:
zich geene rekenschap te geven van het gebeurde. De vriend, die dat
noodlottig portret geschilderd had, was verdwenen uit het leven. Dat
was hem genoeg. Toen dacht hij aan de lamp. Het was een Moorsch ding
van dof zilver, ingelegd met arabesken van gebrand staal, met hier en
daar ruwe turkooizen. Misschien zoû de knecht het missen en er naar
vragen. Hij aarzelde even. Hij moest nu wel dat doode ding zien. Wat
lag het stil. Akelig wit waren die lange handen. Het was als een
afschuwelijk wassen beeld.
De deur achter zich gesloten hebbend, kroop hij voorzichtig naar
beneden. Het hout kraakte en scheen te steunen als was het in pijn.
Hij hield verscheiden malen stil en wachtte. Neen, alles was stil. Het
was slechts het geluid van zijne eigen voetstappen.
In de bibliotheek zag hij het valies en de overjas, in een hoek. Die
moesten verborgen worden. Hij opende een geheime kast in den muur, een
kast, waar hij zijne vermommingen borg, en stopte alles er in. Hij kon
ze later gemakkelijk eens verbranden. Toen haalde hij zijn horloge
uit. Het was tien minuten voor half een.
Hij ging zitten en dacht na. Ieder jaar, iedere maand bijna, werden er
in Engeland menschen opgehangen om hetgeen hij nu gedaan had. Een
drang naar moorden hing er in de lucht. Er was zeker een roode ster te
dicht bij de aarde gekomen ... Maar welke bewijzen waren er tegen hem?
Basil Hallward had het huis om elf uur verlaten. Niemand had hem weêr
binnen zien komen. De meesten der bedienden waren op Selby Royal. Zijn
knecht was naar bed ... Parijs! Ja, Basil was naar Parijs gegaan, met
den nachttrein, zooals zijn plan was. Er zouden maanden voorbij gaan,
eer hij gemist werd. Maanden! Alles kon immers lang vóór dien tijd
vernietigd worden.
Eene plotselinge gedachte weêrlichtte in hem op. Hij deed zijn pels
aan, zette zijn hoed op en ging in de gang. Daar bleef hij stil staan
en luisterde naar de langzame, zware stappen van den agent buiten, en
hij zag het licht zijner lantaren weêrkaatst in het venster. Hij
wachtte en hield zijn adem in. Na enkele oogenblikken trok hij de knip
weg en sloop naar buiten, de deur zachtjes dichttrekkend. Toen begon
hij aan de bel te luiden; binnen vijf minuten verscheen de knecht,
half gekleed, slaperig.
--Het spijt me, dat ik je moest opbellen, Francis, sprak hij
binnenkomend, maar ik had mijn sleutel vergeten. Hoe laat is het?
--Tien minuten over tweeën, meneer, antwoordde de man, op de klok
ziende, knipoogend.
--Tien minuten over tweeën. Hoe verschrikkelijk laat! Je moet me
morgen om negen uur wekken. Ik heb wat te doen.
--Goed, meneer.
--Is er iemand geweest?
--Mr. Hallward, meneer; hij bleef tot elf uur en ging toen weg om den
trein te halen.
--Zoo! Dat spijt me. Heeft hij een boodschap achtergelaten?
--Neen, meneer; alleen, dat hij u uit Parijs zoû schrijven, als hij u
niet in de club vond.
--Goed Francis. Vergeet niet me morgen op te roepen, om negen uur.
--Neen, meneer.
De man slofte op zijn pantoffels de hall door. Dorian Gray wierp jas
en hoed op de tafel en ging in de bibliotheek. Een kwartier lang liep
hij in de kamer op en neêr na te denken, op zijne lip bijtend. Toen
nam hij een adresboek van een van de planken en zocht er in:
Alan Campbell, 152 Hertford Street, Mayfair. Ja, dat was de man, dien
hij noodig had.