IX.

Terwijl hij den volgenden morgen aan het ontbijt zat, werd Basil

Hallward binnengelaten.

--Ik ben blij je te vinden, Dorian, begon hij ernstig; ik ben gisteren

avond ook bij je geweest, maar hoorde, dat je naar de opera was. Ik

wist, dat dat natuurlijk niet waar kon zijn. Maar ik had zoo gaarne

geweten, waar je werkelijk was. Ik bracht een verschrikkelijken avond

door, bang, dat de eene tragedie door de andere zoû gevolgd worden. Je

hadt mij toch wel kunnen telegrafeeren, om bij je te komen, toen je

het hoorde. Ik las het bij toeval in een vel van de Globe, die ik in

de club opnam. Ik kwam toen direct hier, en was wanhopig je niet te

vinden. Ik kan je niet zeggen hoe ellendig ik ben onder die

geschiedenis. Ik begrijp wat je lijden moet. Maar waar was je nu toch?

Ben je naar haar moeder geweest? Ik dacht een oogenblik je daar te

gaan zoeken. Het adres stond in de courant. Ergens in Euston Road,

niet waar? Maar ik was bang mij op te dringen bij een verdriet, waar

ik niet aan helpen kon. Arme vrouw! In wat een toestand moet zij zijn!

En haar eenig kind! Hoe was zij er onder?

--Beste Basil, hoe weet ik dat? fluisterde Dorian en nipte aan bleeken

gelen wijn uit een doorzichtigen kelk van Venetiaansch glas met gouden

facetten. Ik was in de opera. Je hadt daar ook moeten komen. Ik

ontmoette voor de eerste maal Lady Gwendolen, Harry's zuster. We zaten

in haar loge. Ze is allerliefst, en Patti zingt goddelijk. En spreek

nu niet over akelige dingen. Als je maar niet over de dingen spreekt,

is het net alsof ze niet gebeurd zijn. Ik moet je ook zeggen, dat het

niet haar eenig kind is. Daar is nog een zoon, een goede kerel, geloof

ik. Maar hij is niet aan het tooneel. Hij is matroos of zoo iets. En

vertel me nu wat over jezelf en wat je bezig bent te schilderen.

--Je ging naar de opera? vroeg Hallward langzaam, met een klank van

pijn in zijne stem. Je ging naar de opera, terwijl Sybil Vane dood lag

in een treurig kamertje? Je kan me vertellen van andere vrouwen, die

allerliefst waren en van Patti die goddelijk zingt, vóórdat het

meisje, dat je lief hadt, nog zelfs de rust heeft om in te slapen.

--Hoû op, Basil! Ik wil het niet hooren! riep Dorian opvliegend. Je

moet er niet meer over spreken. Wat gedaan is, is gedaan. Wat het

verleden is, is het verleden.

--Noem je gisteren het verleden?

--Wat heeft het tijdsverloop er meê te maken? Alleen kleinzielige

menschen hebben jaren noodig om zich over een emotie heen te zetten.

Een man, die meester is over zichzelf, kan even gemakkelijk een einde

maken aan een verdriet als een genot beginnen. Ik heb geen lust de

slaaf van mijn emoties te zijn. Ik wil ze gebruiken, van ze genieten

en ze beheerschen.

--Dorian, dat is afschuwelijk! Je bent heelemaal veranderd. Uiterlijk

ben je nog dezelfde mooie jongen, die iederen dag in mijn atelier kwam

pozeeren voor zijn portret. Maar toen was je eenvoudig, natuurlijk en

hartelijk. Je was het onbedorvenste schepsel van de wereld. Nu weet ik

niet wat er met je gebeurd is. Je spreekt alsof er geen hart, geen

medelijden in je is. Het is de invloed van Harry, dat is duidelijk.

De jongen kreeg een kleur, en voor het venster bleef hij een oogenblik

staan kijken in den groenen tuin, waardoor de zon heen flitste.

--Ik ben Harry heel veel verschuldigd, Basil, sprak hij ten laatste,

meer dan aan jou. Jij leerde me alleen ijdel zijn.

--Daar ben ik nu wel voor gestraft, Dorian.

--Ik weet niet wat je wilt. Wat wil je eigenlijk?

--Ik wil den Dorian Gray, dien ik vroeger schilderde, zei Hallward

treurig.

--Basil, sprak de jongen; hij ging naar hem toe en legde hem de hand

op den schouder. Je komt te laat. Toen ik gisteren hoorde, dat Sybil

Vane zich van kant had gemaakt ...

--Van kant gemaakt! Groote God! Is dat zeker? riep Hallward, hem

aanziende vol ontsteltenis.

--Maar Basil, je dacht toch niet, dat het een gewoon ongeluk was.

Natuurlijk deed zij het zelf.

Hallward verborg het gelaat in de handen.

--Hoe verschrikkelijk! mompelde hij, en een rilling liep over hem.

--Neen, sprak Dorian Gray; daar is niets verschrikkelijks aan. Het is

een van de meest romantische tragedies van deze eeuw. Gewoonlijk

hebben acteurs en actrices de meest gewone banale levens. Ze zijn

goede huisvaders of trouwe moeders, of zoo iets vervelends. Je

begrijpt wat ik meen: zoo van die burgerlijke deugden. Hoe geheel

anders van Sybil. Ze leefde haar mooiste tragedie. Zij was altijd een

heldin. Den laatsten avond, dat zij speelde, toen jij haar gezien

hebt, speelde ze slecht, omdat zij de realiteit van de liefde leerde

kennen. Toen zij zag, dat liefde gedaan was, stierf zij, zooals Juliet

zoû gestorven zijn. Er is iets van een martyre in haar. Haar dood

heeft de pathetische nutteloosheid van het martelaarschap en heel de

weggegooide schoonheid daarvan. Maar, zooals ik je al zei, je moet

niet denken, dat ik zelf niet geleden heb. Als je gisteren op het

juiste moment gekomen was--over half vijf of kwart voor zessen--dan

zoû je me in tranen gevonden hebben. Zelfs Harry, die hier was, die

mij het bericht meêdeelde, had geen idee van hetgeen ik doormaakte. Ik

leed een onmenschelijk verdriet. Toen ging het voorbij. Ik kan een

emotie niet repeteeren. Dat kunnen alleen sentimenteele menschen. En

je bent gruwelijk onrechtvaardig, Basil. Je komt hier om mij te

troosten. Nu, dat is heel lief van je. Je vindt me al getroost, en je

bent woedend. Dat is toch niet erg sympathiek. Je herinnert me aan een

verhaal van Harry, over een zekeren filantroop, die twintig jaar lang

ijverde tegen een onrechtvaardige wet of zoo iets; ik ben vergeten wat

het precies was. Eindelijk kreeg hij zijn zin en toen was hij

verschrikkelijk teleurgesteld. Hij had totaal niets meer te doen,

verveelde zich half dood en werd de hevigste menschenhater. Buitendien

Basil, als je me werkelijk wilt troosten, dan moest je mij helpen te

vergeten wat er gebeurd is, of het te beschouwen uit een artistiek

oogpunt. Was het niet Grautier, die altijd schreef over "la

consolation des arts"? Ik herinner me dat eens gelezen te hebben in

een klein perkamenten boekje in je atelier. Wel, ik ben nu niet als

die jongen, waar je meê in Marlow geweest ben, die jongen, die altijd

zei, dat geel satijn hem kon troosten in alle misères van het leven.

Ik hoû van mooie dingen om mij heen te zien en ze te gebruiken.

Antieke brokaten, groene bronzen, lakwerk, uitgesneden ivoren, een

exquize omgeving, luxe pracht, daar is in dat alles zeker veel te

vinden. Maar het artistieke temperament, dat die dingen opwekken, of

liever openbaren, is mij nog meer waard. Toeschouwer van je eigen

leven te worden is, zooals Harry zegt, ontsnappen aan je eigen

verdriet. Ik merk, dat je verbaasd bent mij zoo te hooren spreken. Je

kunt je niet voorstellen hoe veranderd ik ben. Ik was een

schooljongen, toen jij me leerde kennen. En nu ben ik een man. Ik heb

nieuwe passies, nieuwe gedachten, nieuwe ideeën. Ik ben veranderd,

maar daarom moet je niet minder van mij houden. Ik ben niet meer

dezelfde, maar je moet toch mijn vriend blijven. Ik hoû natuurlijk

heel veel van Harry. Maar ik voel, dat jij beter bent dan hij. Je bent

niet zoo sterk,--je bent zoo bang voor het leven--maar je bent beter.

En wat konden we vroeger prettig samen zijn. Laat mij niet aan mijn

lot over, Basil, en wees niet boos op mij. Ik ben zooals ik ben. Daar

is niets aan te doen.

De schilder voelde zich geroerd. De jongen was hem innig lief, en

zijne persoonlijkheid was het hoogste motief in zijne kunst geweest.

Hij had het hart niet hem nog meer verwijtingen te doen. En misschien

was die onverschilligheid maar een bui die gauw zoû overdrijven. Er

was zooveel moois, zooveel hoogs in hem.

--Wel, Dorian, sprak hij eindelijk met droevigen glimlach. Ik zal na

vandaag niet meer met je spreken over die treurige geschiedenis. Ik

hoop alleen, dat je naam er niet in genoemd zal worden. Morgen middag

is het onderzoek. Ben je opgeroepen?

Dorian schudde het hoofd en een waas van ontevredenheid kwam er over

zijn gelaat bij het woord "onderzoek". Er was zoo iets ruws en banaals

in.

--Ze weten mijn naam niet, antwoordde hij.

--Maar zij toch wel?

--Alleen mijn voornaam, en ik ben zeker, dat zij dien nooit aan een

ander zal gezegd hebben. Ze vertelde mij eens, dat iedereen erg

nieuwsgierig was hoe ik heette, maar dat zij altijd antwoordde, dat

mijn naam was: de "Tooverprins". Dat was lief van haar. Je moet mij

een schets van Sybil maken, Basil. Ik zoû gaarne nog iets meer van

haar hebben dan de herinnering aan een paar kussen en enkele lieve

woordjes.

--Ik zal het probeeren, Dorian, als ik je er een pleizier meê kan

doen. Maar je moet zelf nog eens voor me komen pozeeren. Ik kan niets

doen zonder jou.

--Ik kan nooit meer voor jou pozeeren, Basil. Dat is onmogelijk! riep

hij uit, opschrikkend.

De schilder staarde hem aan.

--Maar jongenlief, wat een nonsens! Vindt je dat portret, dat ik van

je maakte niet goed? Waar is het? Waarom heb je dat scherm er voor

getrokken? Laat mij het zien. Het is het beste wat ik ooit deed. Toe,

neem het scherm weg, Dorian. Het is toch schande van je knecht, mijn

werk zoo te verstoppen. Ik voelde, dat de kamer anders was, toen ik

binnenkwam.

--Mijn knecht heeft er niets meê te maken, Basil. Je denkt toch niet,

dat ik hem mijn kamer laat arrangeeren. Hij maakt soms een bouquet

voor mij, dat is het eenige. Neen, ik deed het zelf. Het licht viel er

zoo sterk op.

--Het licht! Dat kan niet, kerel. Het is een prachtige plaats er voor.

Laat mij het eens zien.

En Hallward liep naar den hoek van de kamer. Een kreet van angst

ontsnapte aan Dorian Gray's lippen; hij vloog tusschen de schilderij

en het scherm.

--Basil, sprak hij, zeer bleek; je mag het niet zien. Ik wil het niet.

--Mijn eigen werk niet zien! Je meent het niet! Waarom zoû ik het niet

zien? riep Hallward lachend.

--Als je probeert het te zien, Basil, dan geef ik je mijn woord van

eer, dat ik nooit meer een woord tegen je spreek zoolang ik leef. Ik

meen het in vollen ernst. Ik geef je geen uitlegging, en ik verzoek je

er ook niet naar te vragen. Maar denk er aan, dat wanneer je dit

scherm aanraakt, alles tusschen ons uit is.

Hallward stond als van den bliksem getroffen. Hij zag Dorian Gray in

stomme verbazing aan. Hij had hem nooit zoo gezien. De jongen was

doodsbleek van drift. Zijne handen waren gebald en de pupillen zijner

oogen waren schijven blauw vuur. Hij trilde over het geheele lichaam.

--Dorian!

--Spreek niet!

--Maar wat scheelt er aan? Ik zal natuurlijk niet er naar kijken, als

je het niet wilt, sprak Basil, een weinig koud, en zich omkeerend,

ging hij voor het raam staan. Maar het is allerdolst, dat ik mijn

eigen werk niet zien mag; vooral omdat ik het van dit najaar wil

expozeeren in Parijs. Ik zal het nog moeten oververnissen en dan zie

ik het toch. Waarom dus niet vandaag?

--Het expozeeren! Je wilt het expozeeren! riep Dorian Gray uit en een

vreemde huivering van angst kroop over hem. Zoû zijn geheim aan de

wereld overgeleverd worden. Zouden de menschen de mysteries van zijn

leven staan aan te gapen? Dat kon niet zijn. Iets, hij wist niet wat,

moest het verhinderen.

--Ja, daar zal je toch niets tegen hebben? Georges Petit is van plan

mijn beste stukken te verzamelen voor een speciale expozitie in de rue

de Sèze; de eerste week van October wordt ze geopend. Het portret zal

hoogstens een maand weg zijn. Zoo lang kan je het toch wel missen,

dunkt mij. Buitendien ben je dan toch de stad uit. En als je het toch

achter een scherm houdt, zal het je wel niet kunnen schelen.

Dorian Gray streek zich met de hand langs het voorhoofd. Daar

spikkelden zich druppels zweet. Hij voelde dat hij op den rand van een

afschuwelijken afgrond stond.

--Je zei me een maand geleden, dat je het nooit woû expozeeren. Waarom

ben je nu veranderd? Jullie menschen, die voor standvastig door wilt

gaan, hebben evenveel grillen en nukken als anderen. Het eenige

onderscheid is, dat jullie grillen erg onbeduidend zijn. Je bent toch

niet vergeten, dat je me plechtig verzekerde: dat niets je zoû kunnen

dwingen het naar een tentoonstelling te zenden. Je hebt tegen Harry

precies hetzelfde beweerd ...

Hij hield eensklaps op, een licht kwam in zijn oogen. Hij herinnerde

zich, dat Lord Henry eens tot hem gezegd had; "als je iets curieus"

wilt hooren, moet je Basil vragen waarom hij je portret niet wil

expozeeren. Hij heeft het mij verteld en het was als een openbaring.

Ja, hij, Basil, had ook een geheim! Hij zoû er hem naar vragen.

--Basil, sprak hij; hij ging voor hem staan en zag hem vlak in het

gezicht; wij hebben elk een geheim. Zeg mij het jouwe en jij zult het

mijne weten. Wat voor reden had je vroeger, mijn portret niet te

willen expozeeren?

De schilder huiverde in weêrwil van zichzelven.

--Dorian, zoo ik het je vertelde, zoû je zeker nog minder van mij

houden, dan je al doet, en je zoû mij uitlachen. Geen van beiden zoû

ik kunnen verdragen. Wil je, dat ik nooit meer je portret zien zal,

het is goed. Ik heb jou altijd om naar te kijken. Wil je, dat mijn

beste stuk verborgen blijft voor de wereld, het is goed. Jouw

vriendschap is mij meer waard dan mijn naam of mijn roem.

--Neen, Basil, je moèt het mij vertellen, drong Dorian Gray. Ik heb

recht het te weten.

Zijn gevoel van angst was voorbij; nieuwsgierigheid was in de plaats

gekomen. Hij was besloten Basil Hallwards geheim uit te vinden.

--Laat ons gaan zitten, Dorian, zei de schilder, een weinig verward.

Laat ons gaan zitten. En antwoord mij op één vraag. Heb je in het

portret iets opgemerkt, iets dat je misschien in het begin niet

getroffen heeft, maar dat zich eensklaps aan je geopenbaard heeft?

--Basil! kreet de jongen, en klemde zich met trillende handen aan de

armen van zijn stoel vast; hij staarde hem aan met woeste, angstige

oogen.

--Je hebt het gezien. Zeg niets! Wacht tot je gehoord hebt, wat ik je

te zeggen heb. Dorian, van het oogenblik, dat ik je ontmoette, had je

persoonlijk een invloed op mij, als ik nooit te voren ondervonden had.

Ik was overheerscht door jou; mijn ziel, mijn geest, mijn kracht was

vervuld van jou. Je werd voor mij de zichtbare belichaming van dat

nooit aanschouwde ideaal, waarvan de herinnering in ons artisten

rondspookt als eene exquize droom. Ik aanbad je. Ik werd jaloersch van

iedereen, tegen wien je sprak. Ik woû je geheel voor mij zelf hebben.

Ik was alleen gelukkig als ik met jou was. Wanneer je van mij weg was,

was je toch nog aanwezig in mijn kunst ...! Natuurlijk heb ik je hier

nooit iets van laten merken. Dat zoû onmogelijk geweest zijn. Je zoû

het niet begrepen hebben. Ik begreep het zelf ook nauwlijks. Ik wist

alleen, dat ik een volmaking had aanschouwd en de wereld werd

wondermooi in mijn oogen, te mooi misschien, want zulke aanbiddingen

zijn gevaarlijk, gevaarlijk om te verliezen, gevaarlijk om te hebben

... Weken en weken gingen voorbij en ik ging meer en meer in je op.

Toen kwam er een nieuwe faze. Ik had je geschilderd als Paris in een

sierlijk harnas en als Adonis in een jagersvel met blinkende speer.

Gekroond met zware lotosbloesems heb je gezeten vóór op de bark van

Adrianus, starenden over den groenen, woeligen Nijl. Je hadt gebogen

over den stillen vijver in een Grieksch woud en in het vlakke zilver

van het water je eigen schoonheid bewonderd. En het was geweest wat

kunst altijd zijn moest, onbewust, ideaal en ver af. Eens,--het was

een dag van noodlot, denk ik nu wel,--besloot ik een portret van je te

maken, zooals je werkelijk bent, niet in een kostuum uit doode eeuwen,

maar in je eigen kleêren en in je eigen tijd. Of het kwam door het

realisme van de methode of door zuivere bewondering van je wezen; zoo

zonder sluier aan mij geopenbaard, ik kan het niet zeggen, maar ik

weet, terwijl ik er aan werkte, scheen ieder vliesje, ieder vlokje

kleur mijn geheim te openbaren. Ik werd bang, dat vreemden mijn

aanbidding er in zouden zien. Ik voelde, Dorian, dat ik te veel van

mezelven er in had gelegd. Toen nam ik mij vast voor het portret nooit

te expozeeren. Je was een beetje boos, maar je begreep toen ook niet

wat het voor mij was. Harry, wien ik er over sprak, lachte mij uit.

Maar dat kon mij niet schelen. Toen het portret af was, en ik er

alleen vóór zat, voelde ik, dat ik goed deed. Wel, een paar dagen

daarna zond ik het uit mijn atelier weg, en zoodra ik de vreemde

bekoring, die het uitstraalde, kwijt was, scheen het mij toe, dat ik

heel dwaas was geweest er iets meer in te zien, dan dat jij een mooie

jongen was, en ik tamelijk goed schilderen kon. Zelfs nu nog meen ik,

dat het verkeerd is te denken, dat de passie, die men voelt onder het

scheppen zichtbaar zoû zijn in het geschapene. Kunst wordt altijd veel

abstracter dan onze gedachte is. Lijnen en kleuren spreken tot ons van

kleuren en lijnen, dat is alles. Ik vind dikwijls, dat kunst den

artist veel meer bedekt, dan dat ze hem openbaart. En toen ik dus nu

dit aanbod kreeg voor Parijs, besloot ik jouw portret tot het

voornaamste in mijn verzameling te maken. Het kwam nooit bij mij op,

dat je weigeren zoû. Ik zie nu, dat je gelijk hebt. Het portret kan

niet geëxpozeerd worden. Wees niet boos op me, Dorian, om hetgeen ik

je verteld heb. Want, zooals ik eens tot Harry zei, je bent geboren om

aangebeden te worden.

Dorian Gray haalde diep adem, de kleur kwam terug op zijne wangen, de

glimlach op zijne lippen. Het gevaar was voorbij. Hij was voor het

oogenblik veilig. Doch hij kon niet nalaten een oneindig medelijden te

voelen voor den schilder, die hem deze vreemde biecht had afgelegd, en

hij vroeg zichzelven af, of hij ook eens zóó overheerscht zoû worden

door het wezen van een vriend. Lord Henry bezat de charme van zeer

gevaarlijk te zijn. Dat was alles. Hij was te knap en te cynisch om

werkelijk van te houden. Zoû er ooit iemand komen, die hem zoû

vervullen met zoo eene vreemde aanbidding? Was dat een van de dingen,

die het leven voor hem weggelegd had?

--Het is buitengewoon, Dorian, zei Hallward, dat je dit in het portret

zoû opgemerkt hebben. Heb je het waarlijk er in gezien?

--Ik zag er iets in, antwoordde hij, iets, dat mij vreemd toescheen.

--Mag ik het nu even zien?

Dorian schudde het hoofd.

--Dat moet je mij niet vragen, Basil. Ik zoû je onmogelijk voor het

portret kunnen brengen.

--Maar een anderen keer toch wel?

--Nooit.

--Wel misschien heb je gelijk. En nu adieu, Dorian. Je bent de eenige

persoon, die invloed op mijn kunst gehad heeft. Wat ik ooit goed deed,

heb ik aan jou te danken. Oh! je weet niet wat het mij kostte je alles

te vertellen, wat ik zoo even zei.

--Maar Basil, wat heb je mij nu verteld? Eenvoudig, dat je mij te veel

bewonderde. Dat is niet eens een compliment.

--Het was een biecht. Nu, dat ik die gedaan heb, is het of er iets uit

mij weg is. Misschien moest een mensch nooit zijn aanbidding onder

woorden brengen.

--Het was een biecht, die mij erg tegenviel.

--Maar wat verwachtte je dan, Dorian? Je hebt toch niets anders in het

portret gezien, wel? Daar was immers niets anders aan te zien.

--Neen, niets anders. Waarom vraag je dat? Maar je moet niet zoo van

aanbidden spreken. Wij zijn vrienden, Basil en dat moeten wij blijven.

--Je hebt Harry immers, sprak de schilder treurig.

--O Harry! lachte de jongen. Harry brengt zijn dagen door met

onmogelijke dingen te zeggen, en zijn avonden met onmogelijke dingen

te doen. Zoo een leven wil ik ook leiden. Maar toch geloof ik niet,

dat ik naar Harry zoû gaan, als ik verdriet had. Ik zoû eerder bij jou

komen, Basil.

Wil je weêr eens voor mij pozeeren?

--Onmogelijk!

--Je vernietigt mijn leven als artist door te weigeren, Dorian.

Niemand ontmoet twee idealen. Enkelen maar één.

--Ik mag je niet zeggen waarom, Basil, maar ik kan nooit meer voor je

pozeeren. Er is iets noodlottigs in een portret. Het heeft een leven

van zichzelf. Ik zal bij je komen theedrinken, dat is even gezellig.

--Alleen voor jou, vrees ik, mompelde Hallward met een zucht van

spijt. En nu, adieu. Het spijt me, dat ik het portret nog niet eens

zien kan. Maar er is niets aan te doen. Ik begrijp heel goed, waarom

je het liever niet wilt.

Toen hij de kamer verlaten had, glimlachte Dorian Gray. Arme Basil!

hoe weinig vermoedde hij de ware reden! En hoe vreemd, dat in plaats

van zijn eigen geheim te moeten openbaren, hij bijna bij toeval

gedrongen was in het geheim van zijn vriend. Hoe vele dingen maakte

die vreemde biecht hem nu niet duidelijk! Die dwaze buien van

jaloezie, zijne hartstochtelijke toewijding, zijne buitensporige

loftuitingen, zijn vreemde terughoudingen--hij begreep ze nu allen en

hij voelde er spijt over. Er scheen hem iets tragisch' te schuilen in

een vriendschap, met zooveel verbeelding gekleurd.

Hij zuchtte en drukte op de bel. Het portret moest verborgen worden.

Hij kun niet weêr zoo aan ontdekking blootgesteld worden. Het was dom

van hem het ding langer dan een uur te houden in een kamer, waarin al

zijne kennisen toegang hadden.

Het portret van Dorian Gray · 第 11 / 22 题