Het was lang over twaalven, toen hij wakker werd. De knecht was
verscheidene malen op de teenen binnengeslopen om te zien of hij zich
bewoog, en verwonderde zich, dat zijn jonge meester toch zoo lang
sliep. Eindelijk klonk zijn bel, en Victor kwam zachtjes binnen, een
kop thee en een stapeltje brieven op een antiek Sèvres blaadje; hij
trok de olijfgroene satijnen gordijnen, blauwig gevoerd, voor de drie
hooge vensters open.
--Meneer heeft goed geslapen van morgen, sprak hij met een glimlach.
--Hoe laat is het, Victor? vroeg Dorian Gray nog loom.
--Kwart over eenen, meneer.
Wat was het al laat! Hij ging opzitten, dronk wat thee, bezag zijne
brieven. Een was er van Lord Henry, zooeven aangereikt. Hij weifelde,
legde dien toen terzij. De anderen opende hij zonder interest, Het was
de gewone verzameling kaartjes, invitaties voor diners, entrées voor
de eene of andere liefhebberijvoorstelling, programma's van
liefdadigheidsconcerten, die ieder uitgaand jongmensch gedurende den
season krijgt. Er was ook bij eene heel hooge rekening van een
gedreven zilveren Louis XV toiletgarnituur, die hij nog geen moed had
gehad aan zijne voogden op te zenden: ouderwetsche menschen, die niet
begrepen, dat men leeft in eene eeuw, waarin onnoodige zaken juist de
meest noodige zijn. Ook waren er verscheidene zeer beleefde
aanbiedingen van geldschieters uit Jermyn Street, om tegen de meest
billijke interesten geld voor te schieten.
Na tien minuten stond hij op, wierp een vreemd geborduurden cachemiren
chambercloak om en ging naar de onyx-geplaveide badkamer. Het koude
water frischte hem op na zijn langen slaap. Hij scheen alles wat er
gebeurd was te zijn vergeten. Even nog kreeg hij het vage gevoel of
hij had meêgespeeld in een vreemde tragedie, maar het scheen hem toe
als een droom.
Zoodra hij gekleed was, ging hij naar de bibliotheek, en zette zich
voor een licht ontbijt, voor het open raam. Het was een heerlijke dag.
De warme lucht scheen zwaar van sterke aroom. Een bij vloog binnen en
gonsde om de groenblauwe vaas, gevuld met zwavelgele rozen vóór hem.
Hij gevoelde zich volmaakt gelukkig. Eensklaps viel zijn oog op het
scherm voor het portret; hij ontstelde.
--Heeft meneer het koud? vroeg de knecht, die een omelette op tafel
zette. Zal ik het raam dicht doen? Dorian schudde het hoofd.
--Ik heb het niet koud, fluisterde hij.
Zoû het waar zijn? Zoû het portret werkelijk veranderd zijn? Of was
het maar een spel van verbeelding geweest? Een beschilderd doek kon
toch niet veranderen? Het was te dwaas. Hij zoû het later eens aan
Basil vertellen. Die zoû er wel om lachen.
En toch, hoe levendig zag hij het nog voor zich! Eerst in de flauwe
schemering, toen in het volle licht had hij dien trek van wreedheid
opgelet, de verwrongen lippen. Hij voelde bijna angst voor het
oogenblik, dat de knecht de kamer zoû verlaten. Hij voelde dat, zoodra
hij alleen was, hij het portret zoû bezien. En hij huiverde voor de
zekerheid. Toen de knecht koffie en cigaretten gebracht had, wegging,
had Dorian grooten lust hem te zeggen te blijven. En toen hij de deur
achter zich sloot, riep hij hem terug. De man stond weêr vóór hem.
Dorian zag hem aan.
--Ik ben vandaag voor niemand thuis, Victor, sprak hij met een zucht.
De knecht boog, en vertrok.
Toen stond Dorian van tafel op, stak een cigarette aan en wierp zich
op een lage bank voor het scherm. Het was een oud scherm van Spaansch
goudleer met bloemerig Louis XIV patroon. Hij beschouwde het vol
aandacht, zich afvragend of het de eerste maal was, dat het een geheim
van menschenleven verborg.
Zoû hij het op zij schuiven? Waarom het maar niet laten staan? Wat gaf
het te weten? Was het werkelijkheid, dan was die verschrikkelijk. Zoo
niet, waarom er dan over te tobben? Maar als, door eene noodlottige
omstandigheid, andere oogen dan de zijne het bespiedden en die
afschuwelijke verandering zagen, wat dan? Als Basil Hallward het nog
eens wilde zien? Neen, hij moest het onderzoeken, en dadelijk. Alles
was beter dan die verschrikkelijke onzekerheid.
Hij stond op, sloot beide deuren af. Hij wilde tenminste alleen zijn
bij het beschouwen van zijne schaduw van schande. Toen schoof hij het
scherm weg en zag zichzelven in het gelaat. Het was waar. Het portret
was veranderd ...
Hij herinnerde zich later dikwijls en met niet geringe verbazing dat
hij het portret eerst een geheelen tijd met zuiver wetenschappelijke
nieuwsgierigheid had beschouwd. Hij kon niet begrijpen, dat zoo iets
gebeuren kon. En toch was het een feit. Bestond er dan eene affiniteit
tusschen de chemische atomen, die zich op doek tot vorm en kleur
lieten voegen, en zijne ziel in hem? Kon het wezen, dat zij
terugkaatsten, wat die ziel dacht, dat zij tot werkelijkheid maakten,
wat die ziel droomde? Hij huiverde, voelde zich bang, kroop terug naar
de bank, lag daar te staren naar zijn beeld, in angstig afgrijzen.
Eén ding wist hij nu, had het hem geleerd. Het had hem doen inzien,
hoe onrechtvaardig, hoe wreed hij tegen Sybil Vane geweest was. Het
was niet te laat om dat goed te maken. Zij kon nog zijn vrouw worden.
Zijn egoïste en valsche liefde zoû zich voegen naar een hoogeren
invloed, zoû herschapen worden in een mooier gevoel en het portret,
dat Basil Hallward van hem geschilderd had, zoû voor hem zijn, wat
heiligheid voor den een, geweten voor den ander, vreeze voor God voor
ons allen is. Al bestonden er verdoovende middelen voor het berouw,
kruiden, die moreel in slaap wiegden, hier was een zichtbaar symbool
van ondergang door zonde, hier was een altijd zichtbaar beeld van de
ellende, die de ziel over zich brengen kan.
De klok sloeg drie, vier uur, half vijf, maar Dorian Gray bewoog zich
niet. Hij was bezig de purperen draden van het leven samen te vatten,
ze tot een patroon samen te weven; hij trachtte zijn weg te vinden
door het bloedig labyrinth van passie, waarin hij ronddoolde. Hij wist
niet wat te doen, wat te denken. Eindelijk zette hij zich aan de tafel
en schreef een brief, vol hartstocht, aan de vrouw, die hij had
liefgehad, haar smeekend om vergeving, zichzelven beschuldigend van
dolle drift. Hij beschreef bladzijde op bladzijde met gloeiende
betuigingen van smart. Er is weelde in zelfverwijt. Door onszelven te
beschuldigen, ontnemen wij anderen het recht dit te doen! Het is door
de biecht zelve, maar niet door den priester, dat wij absolutie
krijgen. Toen Dorian zijn brief had geëindigd, voelde hij zich als
ware hij reeds vergeven. Een klop op de deur; hij hoorde Lord Henry's
stem, buiten.
--Beste jongen, ik moet je absoluut zien. Laat me toch binnen. Ik vind
het zoo naar, dat je je zoo opsluit.
Hij gaf eerst geen antwoord en bleef roerloos.--Het kloppen hield aan,
werd dringend. Ja, het was beter Lord Henry binnen te laten, te
zeggen, dat hij een nieuw leven wenschte, met hem te kibbelen, zoo dit
noodig ware, afscheid van hem te nemen, zoo dit onvermijdelijk was.
Hij sprong op, trok het scherm weêr voor het portret en ontsloot de
deur.
--Ik heb diep medelijden met je, Dorian, sprak Lord Henry
binnenkomend. Maar je moet er maar niet al te veel over denken.
--Meen je over Sybil Vane? vroeg de jongen.
--Ja natuurlijk, antwoordde Lord Henry, terwijl hij in een stoel zonk
en langzaam zijn gele handschoenen afschoof. Het is natuurlijk iets
verschrikkelijks, maar jij kon er toch niets aan doen. Zeg eens: ben
je later, na het stuk nog bij haar geweest? En heb je haar nog
gesproken?
--Ja.
--Dat dacht ik wel! Heb je een scène met haar gehad?
--Ik was schandelijk, Harry, schandelijk. Maar nu is alles in orde. Ik
heb geen spijt van hetgeen er gebeurd is. Het heeft mij mezelf beter
leeren kennen.
--Wel Dorian, ik ben blij, dat je het zoo opneemt. Ik was al bang je
diep wanhopig te vinden, met je handen in dat mooie haar!
--Dat heb ik al doorgemaakt, sprak Dorian, met een glimlach zijn hoofd
schuddend. Ik ben zeer tevreden. Ik weet nu wat een geweten is. Het is
niet, dat wat jij beweêrt. Het is het mooiste in ons, Je hoeft er niet
om te lachen, Harry, ten minste niet als ik er bij ben. Ik wil goed
worden. Ik vind het een onverdragelijk idee, een leelijke ziel te
hebben.
--Een zeer artistieke bazis voor een moraal, Dorian. Ik feliciteer je
er meê. En hoe begin je?
--Door Sybil Vane te trouwen.
--Sybil Vane te trouwen! riep Lord Henry opstaande en hem in stomme
verbazing aanziende. Maar beste jongen.
--Ja, Harry, ik weet wat je zeggen wil. Iets leelijks over het
huwelijk, natuurlijk. Zeg het maar niet. Zeg nooit meer zoo iets tegen
mij. Twee dagen geleden vroeg ik Sybil Vane mijn vrouw te worden. Ik
wil mijn woord niet verbreken. Zij zal het worden!
--Je vrouw, Dorian!... Heb je mijn brief niet gekregen? Ik heb je van
morgen geschreven en den brief met den knecht gezonden.
--Je brief? O ja, nu herinner ik het me. Ik heb hem nog niet gelezen,
Harry. Ik was bang, dat er iets in zoû staan, wat ik niet prettig zoû
vinden. Je trekt het leven aan flarden, met al je aardigheden.
--Je weet dus niets?
--Wat meen je toch?
Lord Henry liep de kamer door, ging naast Dorian zitten, nam beide
zijne handen in de zijne, en hield ze vast.
--Dorian, zei hij; die brief--schrik niet--was om je te zeggen, dat
Sybil Vane dood is.
Een kreet van pijn kwam over Dorians lippen, hij vloog op en trok
zijne handen weg.
--Dood! Sybil dood! Het is niet waar! Het is een afschuwelijke leugen!
Hoe durf je het te zeggen!
--Het is waarlijk waar, Dorian! zei Lord Henry ernstig. Het staat
alles in de couranten van van morgen. Ik schreef je om je te vragen
niemand te zien vóór ik bij je kwam. Daar zal natuurlijk een onderzoek
komen, maar jij moet er je buiten houden. In Parijs zoû door zoo een
geschiedenis je naam gemaakt zijn. Maar hier in Londen zijn ze nog zoo
ouderwetsch op dat punt. Hier moet je maar liever niet je débuut maken
met een schandaaltje. Dat moet je hier maar bewaren om een tintje
interest aan je ouden dag te geven. Niemand weet zeker je naam daar
aan dat theater. Dan is alles in orde. Heeft iemand je naar haar toe
zien gaan? Dat is een gewichtig punt.
Dorian bleef een paar seconden zonder antwoord. Hij was versuft van
schrik. Eindelijk stamelde hij met een stem die dichtgeknepen was:
--Harry, sprak je over een onderzoek? Wat meende je daarmeê? Heeft
Sybil ...? O, Harry, ik kan het niet begrijpen. Zeg me alles, zeg me
gauw alles.
--Ik geloof zeker, dat het een ongeluk is, Dorian, hoewel ze het
natuurlijk niet zoo aan het publiek zullen voorstellen. Het schijnt
dat ze juist klaar was met haar moeder naar huis te gaan, om half één
zoowat, toen zij beweerde, boven wat vergeten te hebben. Zij wachtten
even op haar, maar Sybil kwam niet terug. En eindelijk vonden ze haar
dood op den grond in de kleedkamer. Zij schijnt iets ingenomen te
hebben, een vergift, dat zij noodig hebben bij het grimeeren. Ik weet
niet wat het was, maar er moet pruisisch zuur of loodwit in gezeten
hebben. Ik heb idee: pruisisch zuur, want ze moet onmiddellijk
gestorven zijn.
--Harry, Harry, o God, het is verschrikkelijk! kreet de jongen.
--Ja, het is een allertreurigste historie, maar je moet je er buiten
zien te houden. Ik zag in den Standard, dat zij zeventien jaar was. Ik
had haar nog jonger gegeven. Zij was nog een kind, en kon niets van
acteeren.--Dorian, trek je dit nu niet te veel aan. Ga met mij meê
dineeren, dan kunnen we later eens even naar de opera gaan. Patti
zingt van avond en iedereen zal er zijn. Je kan in de loge van mijn
zuster zitten. En ze heeft een paar mooie vriendinnen bij zich.
--Ik heb Sybil Vane vermoord, stamelde Dorian Gray, half tot
zichzelven; ik heb het gedaan, evengoed of ik haar met een mes had
doorstoken. En toch zingen de vogels even vroolijk in den tuin. En van
avond ga ik met je dineeren, dan naar de Opera en daarna nog ergens
soupeeren, zeker. Hoe vreemd is het leven! Als ik dit alles in een
boek gelezen had, Harry zoû ik er over gehuild hebben. En nu dat het
werkelijk gebeurd is, en met mijzelven, nu schijnt het mij zoo vreemd,
te vreemd voor tranen. Hier is mijn eerste brief van liefde, dien ik
in mijn leven schreef aan een doode. Zouden ze nog voelen die witte,
stille menschen, die wij de dooden noemen? Sybil! Zoû zij nog voelen,
nog weten, nog hooren! O Harry! Ik had haar zoo lief! Het is mij nu of
dat jaren geleden is. Ze was mijn alles. Toen kwam die avond--was dat
pas gisteren?--die verschrikkelijke avond toen zij zoo slecht speelde,
en toen mijn hart brak. Ze heeft mij later alles verklaard. Het was
zoo treurig, zoo in-treurig. Maar toen deed het mij niets. Ik vond
haar klein. En op eens gebeurde er iets dat me angstig maakte!!! Ik
kan je niet zeggen wat, maar het was afschuwelijk! Ik zei, dat ik tot
haar terug zoû gaan. Ik voelde, dat ik slecht was geweest. God! Mijn
God! Harry! Wat moet ik beginnen! Je weet niet hoe gevaarlijk ik sta,
en er is niets, niemand om mij staande te houden. Zij zoû het gedaan
hebben. O, ze had het recht niet dood te gaan. Het was egoïst van
haar.
--Beste Dorian, antwoordde Lord Henry,--hij nam een cigarette uit zijn
koker, een gouden luciferdoosje uit den zak; de eenige manier van een
vrouw om een man staande te houden is hem zoo te vervelen, dat hij
alle interest in het leven verliest. Als je dit kind getrouwd hadt,
was je diep ongelukkig geworden. Je zoû natuurlijk wel aardig tegen
haar geweest zijn, ach, het is zoo gemakkelijk lief te zijn voor
menschen, die je niet schelen kunnen. Maar zij zoû heel gauw
uitgevonden hebben, dat je totaal niets om haar gaf en als een vrouw
dàt merkt van haar man, wordt ze òf verschrikkelijk slordig òf ze
draagt heel coquette hoedjes, die ze door den man van een ander laat
betalen. Ik spreek nog niet eens over het verschil van stand; in ieder
geval was het je ongeluk geweest.
--Misschien wel, fluisterde de jongen, terwijl hij de kamer op en neêr
liep, doodelijk bleek. Maar ik dacht, dat ik het doen moest. Het is
niet mijn schuld, dat dit drama mij belet heeft mijn plicht te doen.
Ik herinner me, dat je eens gezegd hebt: er rust een noodlot op goede
voornemens. Zij komen altijd te laat. Dat doen de mijne zeker.
--Goede voornemens zijn nuttelooze tegenstribbelingen tegen de wetten
van de natuur. Ze komen voort uit ijdelheid. Hun uitslag is nihil. Het
zijn wissels, getrokken op een bank, die niet uitbetaalt.
--Harry! riep Dorian Gray opeens, en hij zette zich bij hem; hoe komt
het toch, dat ik al dit drama niet voel, zooals ik het zoû willen
voelen? Ik geloof toch niet, dat ik ongevoelig ben, vindt jij wel?
--Je hebt de laatste veertien dagen te veel dwaze dingen gedaan, om
dat te kunnen zijn, Dorian! antwoordde Lord Henry, met zijn zachten
glimlach van melancholie.
De jongen fronste even het voorhoofd.
--Ik vind dat geen prettige verklaring, maar ik ben blij, dat je mij
niet ongevoelig vindt. Dat ben ik waarlijk niet. En toch moet ik
bekennen, dat het gebeurde mij niet zoo aandoet, als het moest doen.
Het is voor mij niets dan een mooi slot van een mooi stuk. Het heeft
de verschrikkelijke schoonheid van een Grieksche tragedie, een
tragedie, waarin ik een groote rol speelde, maar niet gewond werd.
--Het is zeker een interessant geval, zei Lord Henry, die er een
verfijnd genot in vond te spelen met het naïeve egoïsme van den
jongen; heel interessant. Ik geloof, dat je het zoo kunt uitleggen,
dat de werkelijke tragedies in het leven meestal op zoo een
onartistieke manier gebeuren, dat zij ons afstooten door ruwe kracht,
absolute onsamenhangendheid, bespottelijke nutteloosheid, totaal
gebrek aan stijl. Ze geven ons een impressie van énkel dommekracht en
daar verzetten wij ons tegen. Maar een enkele maal komt er in ons
leven een tragedie met artistieke elementen voor. Zijn deze elementen
waar en levend, toch maakt het geheel een theatralen indruk op ons. Op
eens zijn wij niet langer de acteurs, maar het publiek. Of liever, wij
zijn beiden. Wij beschouwen onszelve en alleen het wonder van het
drama houdt ons als betooverd. Wat is er nu in dit geval gebeurd.
Iemand heeft zich uit liefde voor jou om het leven gebracht. Wel, ik
woû, dat mij ook eens zoo iets overkwam. Ik zoû mijn geheele verdere
leven verliefd op mezelf zijn geweest. Maar de menschen, die mij
aanbeden hebben,--het zijn er niet veel: een paar--zijn zoo dom
geweest te blijven leven, lang nadat ik opgehouden had iets voor ze te
voelen, en zij voor mij. Ze zijn dik en vervelend geworden, en als ik
ze ontmoet, halen ze allerlei oude souvenirs op. O, dat geheugen van
een vrouw! Ik ken niets verschrikkelijkers, en wat een bewijs is het
van haar volslagen intellectueelen stilstand! Een mensch moet alleen
de essence van het leven in zich opnemen, maar hij moet de details
vergeten: details zijn altijd vulgair.
--Ik zal papavers in mijn leven moeten zaaien, zuchtte Dorian.
--O, dat is niet noodig. Het leven biedt overal papavers aan.
Natuurlijk blijft er nu en dan wat hangen. Ik heb eens een heelen
season niets dan viooltjes gedragen, als een artistieken rouw over een
roman, die maar niet in me sterven woû. Maar eindelijk is het toch
voorbij gegaan. Ik weet niet hoe. Ik geloof, door haar voorstel om de
heele wereld aan mij op te offeren. Dat is altijd een gevaarlijk
moment. Je krijgt zoo, in eens, angst voor de eeuwigheid. Nu, wil je
wel gelooven, dat toen ik verleden week aan een diner bij Lady
Hampshire naast de dame in quaestie zat, ze absoluut de geheele
geschiedenis weêr over woû doen?! Ik had mijn roman begraven onder
affodillen en zij groef hem weêr op en verweet me haar leven verwoest
te hebben. Ik moet er bij vertellen, dat ze copieus dineerde, dus had
ik niet de minste gewetenswroeging; maar wat een gemis aan smaak nu
toch! De eenige charme van het verleden is juist, dat het het verleden
is. Maar vrouwen weten nooit, wanneer het gordijn vallen moet. Ze
willen altijd nog een zesde acte. Als je ze haar eigen gang liet gaan,
zoû iedere comedie eindigen in een treurspel, en iedere tragedie in
een klucht. Zij zijn allerliefst gekunsteld maar van kunst weten ze
niets af. Jij bent gelukkiger dan ik. Ik verzeker je, Dorian, dat geen
van de vrouwen, die ik gekend heb, voor mij zoû gedaan hebben wat
Sybil Vane voor jou deed. Gewoonlijk troosten de vrouwen zich wel.
Sommigen doen het door sentimenteele kleuren te dragen. Vertrouw nooit
een vrouw, van welken leeftijd ook, die mauve draagt of een vrouw
boven de vijf-en-dertig, die houdt van roze lintjes. Het is altijd een
bewijs, dat ze een geschiedenis in haar leven gehad hebben. Anderen
troosten zich weêr door eensklaps allerlei deugden in haar
echtgenooten te vinden. Godsdienst is ook een uitstekende troost; een
vrouw heeft me eens gezegd, dat de mysteries van den godsdienst
dezelfde charme hadden als van flirt, en ik kan het mij best
begrijpen. Zoo zie je, de vrouwen vinden genoeg troostmiddelen in ons
modern leven en o, ik vergat nog de voornaamste ...
--Welke dan, Harry, vroeg de jongen lusteloos.
--Die het meest voor de hand ligt. Den adorateur van een ander te
nemen, als je je eigen verliest. Maar Dorian, hoe geheel anders dan de
meeste vrouwen, moet Sybil Vane geweest zijn. Ik vind zoo iets moois
in haar dood! Ik ben blij, dat ik leef in een eeuw, waarin zulke
dingen nog gebeuren. Het maakt, dat je heusch gaat gelooven aan dat,
waar we meestal maar meê spelen, aan hartstocht en liefde.
--Ik was verschrikkelijk wreed tegen haar, dat vergeet je.
--Ik geloof, dat vrouwen wreedheid meer apprecieeren dan wat ook. Zij
hebben curieuze, primitive instincten. Wij hebben ze wel wat
geëmancipeerd, maar zij blijven slavinnen, die naar hun meesters
opzien. Zij houden ervan overheerscht te worden. Je zal er prachtig
uitgezien hebben in je drift, daar ben ik zeker van. Ik heb je nog
nooit werkelijk goed kwaad gezien, maar ik kan me voorstellen hoe
prachtig je moet geweest zijn. En ... nu herinner ik me in eens iets
wat je me eergisteren zei. Ik beschouwde het eerst als een los
gezegde, maar ik zie nu, dat het niet alleen, zeer waar is, maar ook
alles verklaart.
--Je zei, dat Sybil Vane voor jou de verpersoonlijking was van alle
Shakespeare's heldinnen, dat zij den eenen avond Desdemona en den
volgenden Ofelia was; dat, zoo zij stierf als Juliet, zij weêr tot het
leven keerde als Imogen.
--Maar nu zal zij nooit meer tot het leven terugkeeren, fluisterde
Dorian en verborg het gelaat in de handen.
--Neen, dat is zoo. Zij heeft haar laatste rol afgespeeld. En je moet
je dat sterven in een armoedig kleedkamertje eenvoudig voorstellen als
een vreemd, somber fragment uit een Jacobijnsche tragedie, als een
scène van Webster, of Ford, of Cyril Tourneur. Dat kind heeft nooit
werkelijk geleefd, dus kan zij ook niet werkelijk sterven. Voor jou
tenminste was zij altijd als een droom; een schim, die even zweefde
door Shakespeare's drama's, en ze mooier maakte door haar wezen; een
riet, waarin Shakespeare's muziek rijker en voller klonk. Het
oogenblik, dat het werkelijke leven tot haar kwam, botste het tegen
haar aan; daardoor verdween zij. Draag rouw Ofelia, als je wilt.
Bestrooi je hoofd met asch, omdat Cordelia geworgd werd. Schreeuw ten
hemel, dat Brabantio's dochter stierf. Maar verspil je tranen niet, om
Sybil Vane. Zij was minder waar dan dezen.
Er was eene stilte. De avond donkerde in de kamer. Geluideloos, op
zilveren voeten, slopen de schaduwen uit den tuin naar binnen. Moê
welkten de kleuren uit alles weg. Na een oogenblik zag Dorian Gray op.
--Je hebt mij mezelven verklaard, Harry, fluisterde hij mat, met een
zucht van verlossing. Ik voelde wel alles wat je zei, maar toch was ik
er bang voor en ik begreep mijzelven niet. Wat ken je mij toch goed.
Maar we zullen niet meer spreken, over wat er gebeurd is. Het is een
wondermooie ondervinding geweest. Dat is alles. Zoû het leven nog iets
voor mij in hebben, zoo mooi als dit?
--Het leven heeft nog heel veel voor je weggelegd, Dorian. Daar is
niets, wat jij, met je mooie gezicht niet zoû kunnen doen.
--Maar stel eens voor, Harry, dat ik leelijk, oud en gerimpeld word?
Wat dan?
--O, dan, sprak Lord Henry opstaande; dan zal je moeten strijden voor
je overwinningen. Nu worden ze je op een zilver blaadje aangeboden.
Neen, je moet je mooie jeugd trachten te behouden. We leven in een
tijd, waarin men te veel leest, om verstandig te zijn en te veel
denkt, om mooi te blijven. We kunnen je niet missen. En nu moest je je
gaan kleeden en meê naar de club rijden. Het is al mooi laat.
--Ik zal liever in de opera bij je komen, Harry. Ik ben te moe om te
eten. Wat is het nummer van de loge van je zuster?
--Zeven-en-twintig, geloof ik. Je zal haar naam wel op de deur zien.
Maar het spijt me, dat je niet meê komt dineeren.
--Ik voel me heusch niet in staat, zei Dorian mat. Maar ik ben je
dankbaar voor alles wat je met mij gesproken hebt. Je bent mijn
liefste vriend. Niemand begrijpt me zooals jij.
--We zijn pas aan het begin van onze vriendschap, Dorian, antwoordde
Lord Henry, hem de hand schuddend. Nu adieu. Ik hoop je vóór half tien
te zien. Denk er om, Patti zingt.
Toen hij de deur achter zich sloot, trok Dorian Gray aan de bel, en
Victor kwam met de lampen, liet de gordijnen vallen. Dorian wachtte
ongeduldig, tot hij weg zoû gaan. De knecht scheen voor alles
eeuwiglang tijd noodig te hebben.
Zoodra hij de kamer uit was, stortte Dorian op het scherm toe en trok
het weg. Neen, er was geene verdere verandering in het portret te
zien. Het had Sybil dood geweten, vóórdat hij het zelve nog wist. Het
werd de dingen van het leven bewust zoodra zij gebeurden. De slechte
wreedheid, die fijne lijnen om dien mond verwrongen had, was daar
ongetwijfeld gekomen op het oogenblik, dat het vergif was ingenomen.
Hij dacht er over na, en hoopte, dat hij eens die verandering zoû zien
gebeuren onder zijne oogen. Eene rilling liep over hem, terwijl hij
dit hoopte. Arme Sybil! Wat een drama was het geweest. Zij had zoo
dikwijls verbeeld te sterven op de planken. Toen had de dood zelve
haar beroerd en haar met zich meêgenomen. Hoe had zij die wanhopige
laatste scène afgespeeld? Had zij hem vervloekt, toen zij stierf?
Neen, zij was uit liefde voor hem gestorven, en voortaan zoû liefde
een heilig sacrament voor hem zijn. Zij had voor alles boete gedaan,
door de opoffering van haar leven. Hij wilde niet denken aan wat zij
hem had doen lijden op dien verschrikkelijken avond. Wanneer hij aan
haar dacht, zoû het zijn als aan een tooverachtig tragisch figuur op
het wereld-tooneel, gezonden om de hooge waarheid van de liefde te
verkondigen. Een tooverachtig tragisch figuur? Tranen kwamen in zijne
oogen, terwijl hij zich haar blik vol kinderlijkheid, hare
vriendelijke, innemend aardige maniertjes, en hare verlegen,
aarzelende gratie herinnerde. Hij veegde de tranen haastig weg en zag
weêr naar het portret.
Hij gevoelde, dat de tijd gekomen was om zijne keuze te doen. Of had
hij dit reeds gedaan? Ja, het leven had reeds voor hem gekozen, het
leven en zijn eigen groote nieuwsgierigheid naar het leven. Eeuwige
jeugd, eindelooze passies, subtiele en geheime genoegens, woeste
vreugden en nog woester zonden, dit alles zoû hij hebben. Het portret
zoû den last zijner schande dragen, dat was alles.
Een gevoel van pijn sneed in hem; de gedachte aan de onteering,
weggelegd voor dat mooie gezicht op het doek. Eens, in een
jongensachtig nadoen van Narcissus, had hij ze gekust, die
geschilderde lippen, welke hem nu zoo wreed toelachten. Morgen aan
morgen had hij voor het portret gezeten, de schoonheid ervan
bewonderend, als er op verliefd. Zoû het nu veranderen met iederen
gril, waaraan hij toegaf? Zoû het een monsterachtig, afschuwelijk iets
worden, dat men moest wegstoppen in een donkere kamer, ver van het
zonlicht, dat zoo vaak het krulgoud van het haar helder had verguld?
O, het was jammer, zoo jammer, Even nog dacht hij er over te bidden,
dat die afgrijslijke sympathie tusschen hem en dat portret zoû
ophouden. Het was veranderd in verhooring van een gebed, misschien zoû
het onveranderd blijven in verhooring van een ander gebed. En toch,
wie, die iets van het leven afwist, zoû de kans van altijd jong te
kunnen blijven willen verliezen, hoe fantastisch die kans ook scheen,
met welke noodlottige gevolgen die ook gekocht werd. Buitendien, kon
hij er waarlijk iets aan doen? Was het werkelijk het gevolg van zijn
gebed geweest? Kon er niet de eene of andere wetenschappelijke reden
voor zijn? Zoo gedachte invloed kon hebben op een levend organisme,
kon het dan ook geen invloed hebben op doode en anorganische dingen?
Neen, zoû het niet kunnen, dat, zonder suggestie of bewusten wensch,
uiterlijke dingen met onze eigen stemmingen en passies in harmonie
samentrillen, en atoom zich voegt naar atoom in geheime liefde,
vreemde affiniteit?
Maar wat deed het er toe, hoe het gebeurde. Hij zoû nooit door eenig
gebed een verschrikkelijke macht verzoeken. Zoo het portret veranderen
moest, moest het dan maar veranderen. Dat was al. Waarom er zoo diep
in door te dringen.
En dan, het zoû hem een genoegen zijn die veranderingen langzaam te
zien worden. Hij zoû zijne ziel kunnen volgen tot in haar geheimste
hoekjes. Dit portret zoû voor hem zijn als een magische spiegel.
Zooals het hem zijn lichaam had geopenbaard, zoo zoû het hem nu ook
zijne ziel openbaren. En kwam er de winter overheen, hij zoû nog staan
op de grens van zomer en lente. Wanneer het bloed wegkroop uit dat
gezicht, en een bleek masker van kalk met doode oogen achterliet, zoû
hij nog alle glans en jeugd behouden hebben. Niet één bloesem zijner
schoonheid zoû verwelken. Geen polsslag van zijn leven zoû verzwakken.
Als de goden der Grieken, zoû hij steeds krachtig, jong en vroolijk
blijven. Wat deed het er toe wat er gebeurde met dat geschilderde
beeld op doek. Hij zoû veilig zijn, dat was het voornaamste! Hij
schoof het scherm weêr op zijne plaats vlak voor de schilderij
lachende toen hij zoo deed, en hij ging in zijne kleedkamer, waar de
knecht al wachtte.
Een uur later was hij in de opera, en leunde Lord Henry over zijn
stoel heen.