Toen de knecht binnenkwam, zag hij hem onderzoekend aan, zich
afvragend of hij er aan gedacht zoû hebben achter het scherm te
gluren. De man stond onbewegelijk en wachtte af. Dorian stak een
cigarette op, ging voor den spiegel staan en wierp een blik er in. Hij
kon zoo juist de weêrkaatsing van Victors gezicht zien. Met een
placide masker van dienstbaarheid. Van hem was dus nog niets te
vreezen. Maar het was altijd goed op zijne hoede te zijn.
Langzaam verzocht hij hem de huishoudster bij zich te laten komen,
vervolgens naar den lijstenmaker te gaan en hem te vragen twee knechts
te zenden. Het scheen hem toe, dat toen de knecht de kamer verliet,
zijne oogen naar het scherm dwaalden. Of verbeeldde hij het zich maar?
Kort daarop ritselde Mrs. Leaf in haar zwart zijden kleed, met
ouderwetsche katoenen mitaines over de gerimpelde handen, de
bibliotheek binnen. Hij vroeg naar den sleutel van de leerkamer.
--De oude leerkamer, Mr. Dorian? riep zij uit. Maar die is vol stof.
Ik moet ze eerst schoonmaken en opruimen vóór u er in kunt. U kunt er
zoo heusch niet ingaan, waarlijk niet.
--Het hoeft niet opgeruimd te worden, Leaf. Geef mij den sleutel maar.
--Maar meneer, u zal begraven worden onder de spinnewebben. Het is in
geen vijf jaar open geweest. Niet meer na den dood van den ouden Lord.
Hij schrikte op bij de herinnering van zijn grootvader. Hij had geen
prettig souvenir van hem.
--Dat doet er niet toe, antwoordde hij. Ik wil ze maar eens zien, dat
is al. Geef mij den sleutel.
--Hier is de sleutel, meneer, sprak de oude dame, zocht met bevende
onzekere vingers aan haar sleutelbos. Hier is de sleutel. Ik zal hem
dadelijk van den ring afdoen. Maar u denkt er toch niet over boven uw
kamer te nemen? Het is hier pas zoo netjes gemaakt.
--Neen, neen, riep hij ongeduldig. Dank je wel, Leaf. Zoo is het in
orde.
Zij draalde nog eenige oogenblikken en had het erg druk over een
kleinigheid in het huishouden.
Hij zuchtte en zei haar, dat zij doen mocht wat ze woû. Zij verliet de
kamer glanzend in glimlachjes.
Toen de deur dicht was, stak Dorian den sleutel in zijn zak en zag in
de kamer rond. Zijn oog viel op een groot purper satijnen kleed, zwaar
geborduurd met goud, een prachtig stuk van de zeventiende eeuw,
Venetiaansch werk, door zijn grootvader in een klooster te Bologna
gevonden. Ja, dat was uitstekend geschikt om dat nare ding meê te
dekken. Het had wellicht al vaak gediend als lijkkleed voor dooden. Nu
zoû het iets verbergen, dat een bederf in zichzelve had, erger nog dan
het bederf van den dood; iets, dat tot gruwel zoû ontbinden, maar toch
nooit sterven zoû. Wat de worm was voor het lichaam, zouden zijne
zonden zijn voor het geschilderde beeld. Zij zouden die schoonheid
ontsieren, en die gratie doen wegrotten; zij zouden het bezoedelen en
onteeren. En toch zoû het steeds blijven bestaan. Het zoû altijd
blijven leven.
Hij rilde, en even voelde hij spijt Basil niet alles eerlijk gezegd te
hebben. Basil zoû hem geholpen hebben Lord Henry's invloed, en de nog
giftiger essences van zijn eigen temperament te niet te doen. De
liefde, die Basil hem toedroeg--want het was waarlijk liefde, had
niets in zich, dat niet mooi en intellectueel was. Het was niet de
fyzieke bewondering van schoonheid, geboren uit de zinnen en stervende
als de zinnen verzadigd zijn. Het was eene liefde als Michel Angelo,
Montaigne, Shakespeare en Winckelman gekend hadden. Ja, Basil had hem
kunnen redden. Maar het was nu te laat. Het verleden kon altijd
uitgewischt worden door berouw, zelfopoffering of ... vergeten. Maar
de toekomst was onvermijdelijk. Er waren passies in hem, die zich
geweldigen uitweg zouden banen, droomen, die de schimmen van zonde tot
werkelijkheid zouden maken. Hij lichtte van de bank het groote
purpergouden weefsel, en nam het meê achter het scherm. Was het
gezicht op het doek nog slechter dan vroeger? Het scheen hem hetzelfde
toe, maar zijn afschuw ervan was intenser geworden. Gouden haren,
blauwe oogen, roode lippen, dat alles was er nog. Slechts de
uitdrukking was veranderd. Hoe flauwtjes waren Basils verwijten
geweest over Sybil Vane, vergeleken bij wat hij er in zag van
veroordeeling en verwijt!--hoe flauwtjes en van hoe weinig beteekenis.
Zijne eigen ziel staarde hem van het doek aan en riep hem op ten
oordeel. Een trek van pijn kwam in zijn oogen en hij slingerde het
kostbare lijkkleed over de schilderij. Terwijl hij dit deed, klopte
men op de deur. Hij liep op en neêr, toen de knecht binnenkwam.
--De werklui zijn daar, meneer!
Hij voelde, dat hij dien man voor eenige oogenblikken kwijt moest
zijn. Hij mocht niet weten, waar het portret werd gebracht.
Er was zoo iets sluiperigs in hem en hij had zulke slimme,
verraderlijke oogen. Hij zette zich voor zijn schrijftafel, krabbelde
een briefje aan Lord Henry, vroeg hem wat lectuur te zenden, en
herinnerde hem er aan, dat zij elkaâr dien avond om kwart over achten
zouden ontmoeten.
--Op antwoord wachten ... sprak hij, het briefje reikend: en laat die
menschen maar hier binnen.
Twee, drie minuten later werd er weêr geklopt en Mr. Hubbard, de
beroemde lijstenmaker van South-Audley Street kwam binnen, met een
jongen knecht, lomp van uiterlijk. Mr. Hubbard was een blozend
mannetje met rosse knevels, wiens bewondering voor de kunst
aanmerkelijk gekalmeerd was door de ingekankerde geldeloosheid der
artisten, waarmeê hij te doen had. In den regel verliet hij nooit zijn
winkel. Hij liet de menschen bij zich komen. Maar hij maakte altijd
een uitzondering met Dorian Gray. Er was iets in Dorian Gray, dat
iedereen betooverde. Het was alleen al genot hem te zien.
--Wat kan ik voor u doen, Mr. Gray? zei hij, zich wrijvende in zijne
vette, gerimpelde handen. Ik dacht maar de vrijheid te nemen zelf bij
u te komen. Ik heb juist een pracht van een lijst op een verkooping
gekocht. Oud-Florentijnsch, van Fonthill afkomstig, denk ik. Juist
geschikt voor een godsdienstig onderwerp, Mr. Gray.
--Het spijt mij, dat u de moeite heeft genomen zelf te komen, Mr.
Hubbard. Ik zal zeker eens komen om de lijst te zien, hoewel ik op het
oogenblik niet veel doe aan kerkelijke kunst. Maar vandaag woû ik
alleen maar een schilderij naar boven gedragen hebben. Het is heel
zwaar en daarom woû ik gaarne een paar werklui van u hebben.
--In het geheel geen moeite, Mr. Gray. Ik ben zeer blij u van dienst
te kunnen zijn. Waar is het stuk, meneer?
--Hier, antwoordde Dorian en schoof het scherm weg. Kunt u het met
kleed en al, zooals het nu is plaatsen? Ik ben bang, dat het anders op
de gang gekrast zal worden.
--Dat zal heel goed gaan, meneer, sprak de gulle lijstenmaker en begon
met zijn helper de schilderij van de lange koperen kettingen, waaraan
het hing, los te haken. En waar zullen wij het nu brengen, Mr. Gray?
--Ik zal u den weg wijzen, Mr. Hubbard, als u zoo goed wilt zijn mij
te volgen. Of misschien is het beter, dat u vooruit gaat. Het is
heelemaal op de bovenste verdieping. Wij zullen de groote trap maar
opgaan, die is ruimer.
Hij hield de deur voor ze open, ze gingen de gang door en begonnen den
tocht. De rijk versierde lijst had het portret kolossaal gemaakt en nu
en dan moest Dorian zelve een handje meêhelpen om het gevaarte te
besturen, trots het hevig protest van Mr. Hubbard, die, evenals iedere
werkman er een hekel aan had, een heer iets nuttigs te zien doen.
--Het is een vrachtje, meneer, steunde het mannetje, toen zij boven
aan de trap kwamen. En hij veegde zich zijn glimmend voorhoofd af.
--Ja, het is nogal zwaar, murmelde Dorian, terwijl hij de deur opende
van de kamer, waar hij dit vreemd mysterie van zijn leven zoû bewaren,
waar hij zijne ziel zoû verbergen voor de oogen der menschen. Hij was
in geen vier jaar in die kamer geweest, niet meer sedert ze eerst als
kinderkamer en later als leerkamer was gebruikt geworden. Het was een
groot, ruim vertrek, door Lord Kelso gebouwd voor het speciaal gebruik
van zijn kleinzoon, dien hij om de gelijkenis met zijne moeder en om
nog andere redenen altijd gehaat en zoover mogelijk van zich had
gehouden. Dorian vond de kamer weinig veranderd. Daar stond de groote
Italiaansche cassone, met fantastisch uitgesneden paneelen en dof
vergulde kantlijnen, waarin hij zich als jongen zoo vaak verborgen
had. Hier de boekenkast vol schoolboeken met ezelsooren. Aan den muur
hing hetzelfde versleten Vlaamsche gobelin, waar een verkleurde koning
en koningin schaak speelden in een tuin, terwijl een stoet valkeniers,
overkapte vogels op de geharnasde polsen, voorbij reed. Hoe goed
herinnerde hij zich alles nog. Oogenblik na oogenblik zijner eenzame
kinderjaren kwam weêr bij hem op, terwijl hij rondzag. Hij zag de
reinheid van zijn jongensleven weêr voor zich en het was hem
verschrikkelijk, dat juist hier dat noodlottig portret verborgen moest
worden. Hoe weinig had hij in die afgestorven dagen kunnen vermoeden,
wat hem nog te wachten stond. Maar er was in het geheele huis geen
andere plaats zoo veilig als deze, voor onbescheiden blikken. Hij had
den sleutel en niemand kon er binnen. Onder het purperen lijkkleed kon
dat gelaat vrij verdierlijken, bezoedeld en onteerd worden. Wat deed
het er toe? Niemand zoû het zien. Hijzelve ook niet. Waarom zoû hij
die afschuwelijke ontbinding zijner ziel gadeslaan? Hij behield zijn
jeugd, dat was hem genoeg. En buitendien, zoû het niet kunnen, dat
zijn karakter zich veredelde? Er was geen reden, waarom de toekomst
zoo vol schande zoû zijn. Wellicht zoû een mooie liefde zich in zijn
leven weven, hem louteren, hem beschermen voor de zonden, die reeds in
geest en lichaam woelden: vreemde, onzegbare zonden, die bekoring en
subtiliteit ontleenden aan dat onzegbare. Misschien zoû de wreede trek
om dien fijnen mond eens verdwijnen, zoû hij de wereld Basil Halwards
meesterstuk te zien geven. Neen, dat was toch onmogelijk. Van uur tot
uur, van dag tot dag werd dat beeld ouder. Het kon de afzichtelijkheid
van zonden ontloopen, maar de afzichtelijkheid van ouderdom niet. De
wangen zouden hol en slap worden. Gele hanepooten zouden kruipen om de
fletse oogen. Het haar zoû zijn glans verliezen, de mond invallen,
openhangen, idioot of grof worden, zooals de monden van oude menschen.
Het zoû de gerimpelde hals, de kille, blauw geaderde handen, het
gebogen lichaam krijgen van zijn grootvader, die zoo streng voor hem
was geweest in zijn jongensjaren. Het portret moest verborgen worden.
Daar was niets aan te doen.
--Breng het maar binnen, Mr. Hubbard, sprak hij moê, zich omkeerend.
Het spijt mij, dat ik u zoo lang liet wachten. Ik dacht aan iets
anders.
--Het doet altijd goed wat uit te rusten, Mr. Gray, antwoordde de
lijsten maker, die nog naar adem snakte. Waar moet het staan meneer?
--O, dat doet er niet toe. Hier, hier is het goed. Ik wil het niet
ophangen. Zet het maar tegen den muur aan. Dank u.
--Mag ik het kunstwerk eens zien, meneer?
Dorian ontstelde.
--Het zoû u niet interesseeren, Mr. Hubbard, sprak hij, hem vast
aanziende. Hij voelde zich klaar op hem te springen, hem op den grond
te gooien, als hij maar een vinger uitstak naar het schitterende
voorhang, dat het geheim van zijn leven bedekte.
--Anders heb ik niet meer voor u te doen. Ik dank u voor de moeite,
dat u zelf gekomen is.
--In het geheel niet, Mr. Gray. Altijd bereid iets voor u te doen,
meneer. En Mr. Hubbard strompelde de trap af, gevolgd door zijn
knecht, die terug opzag naar Dorian, met een blik van verlegen
bewondering in zijn grof, leelijk gezicht. Hij had nog nooit iemand
gezien, die zóó mooi was.
Toen het geluid hunner voetstappen weggeklonken was, sloot Dorian de
deur en stak den sleutel in zijn zak. Nu gevoelde hij zich veilig.
Niemand zoû ooit het gruwelijke ding zien, geen oog zijne schande
aanschouwen. Terug in de bibliotheek, zag hij, dat het juist vijf uur
was, dat de thee al klaar stond. Er lag een briefje van Lord Henry,
daarnaast een boek in gelen band, de omslag half gescheurd, hier en
daar gevlekt. Een blad van de derde editie van de St. James Gazette
lag op het theeblad. Victor was klaarblijkelijk terug. Zoû hij die
mannen in de gang ontmoet, hen uitgehoord hebben wat ze gedaan hadden?
Hij zoû natuurlijk de schilderij missen, had ze zeker al gemist,
terwijl hij het theeblad binnenbracht. Het scherm was nog niet
geplaatst en er was eene leêgte aan den muur. Als Victor 's nachts
eens naar boven sloop en de deur van de kamer trachtte open te breken?
Het was ellendig een spion in huis te hebben. Hij had gehoord van
rijke lui, die hun geheele leven waren lastig gevallen, omdat de
knecht een brief gelezen, een gesprek gehoord, een kaartje met een
adres opengemaakt, of op een kussen een verwelkte bloem, een stukje
kant gevonden had. Hij zuchtte, schonk zich een kop thee, opende Lord
Henry's briefje. Het was eenvoudig om te zeggen, dat hij hem een
courant zond en een boek, dat hem misschien interesseeren zoû en dat
hij kwart over achten in de club zoû zijn. Langzaam vouwde hij de St.
James Gazette open en zag ze door. Een roode potloodstreep op het
vijfde blad trok zijn aandacht. Het wees op de volgende paragraaf:
"Lijkschouwing van een actrice".
"Dezen morgen heeft in de Bell Tavern, Hoxton Road, Mr. Danby,
district-rechter, het lijk van Sybil Vane onderzocht, een jonge
actrice van het Royal Theatre, Holborn. De uitspraak was dat de dood
door een ongeluk was teweeggebracht. Groot medelijden werd aan den dag
gelegd voor de moeder der overledene, die zeer aangedaan was onder het
afleggen van haar getuigenis en dat van Dr. Birell, die de
lijkschouwing gedaan had."
Hij fronste de wenkbrauwen en het blad in tweeën scheurend, liep hij
door de kamer en wierp de stukken weg. Hoe leelijk was dat alles. En
wat maakt leelijkheid de dingen toch hinderlijk waar. Hij was
ontstemd, dat Lord Henry hem dat bericht gezonden had. En het was heel
dom van hem het zoo met rood potlood aan te streepen. Victor kon het
gelezen hebben. De man kende er meer dan genoeg Engelsch voor.
Misschien had hij het gelezen en begon hij al iets ervan te denken.
Maar wat kon het schelen. Wat had Dorian Gray te maken met den dood
van Sybil Vane? Daar was immers niets te vreezen. Dorian Gray had haar
immers niet vermoord.
Zijn blik viel op het gele boek, dat Lord Henry hem gezonden had. Wat
zoû het zijn? Hij ging naar het parelkleurige, achtkantige tafeltje,
dat hem altijd toescheen de arbeid te zijn van vreemde Egyptische
bijen, die in zilver werken; het deeltje opnemend, wierp hij zich in
een fauteuil en begon de bladen om te slaan. Spoedig was hij er in
verdiept. Het was het vreemdste boek, dat hij ooit gelezen had. Het
was of alle zonden der wereld in fijne sluiers als een zwijgende
processie voor hem heen trokken op de zilveren tonen van fluiten.
Dingen, waarvan hij nooit gedroomd had, trokken hem langzaam als
openbaringen voorbij.
Het was eene novelle zonder intrigue en met slechts één karakter, eene
psychologische studie naar een jong Parijzenaar, die zijn leven
doorbrengt met het doel in de negentiende eeuw alle passies en
denkwijzen der vorige eeuwen te verwezenlijken en als het ware in
zichzelven op te sommen alle verschillende fazes, door den geest der
wereld doorleefd. De stijl ervan was die stijl, vol juweelen, levendig
en duister tegelijkertijd, vol argot en archaïsme, technische
uitdrukkingen en overladen beelden, die enkelen van de beste der
Fransche symbolisten kenmerkt. Er waren metaforen, fantastisch als
orchideeën en even subtiel van kleur. Het leven der zinnen werd
beschreven in termen van mystieke wijsbegeerte. Men wist soms niet of
men las van de spiritueele extazes van een middeneeuwschen heilige of
van de sombere biecht van een modern zondaar. Het was een boek vol
gift. Zware geur van wierook scheen aan de bladen te hangen en de
hersens te bedwelmen. Het rhytme der zinnen, de geraffineerde
eentonigheid der muziek, met complexe refreinen en vaak terugkeerende
maten, bracht den geest van den jongen, terwijl hij van hoofdstuk tot
hoofdstuk las, in een stemming van gepeins, iets als een ziekte van
gedroom, die hem onbewust maakte voor den wegstervenden dag en de
binnensluipende schaduwen.
Strak, zonder wolken, slechts doorpriemd met één enkele ster, glom een
kopergroene lucht door de ramen. Hij las bij dat fletste schijnsel,
tot hij niet meer lezen kon. Toen, nadat zijn knecht hem eenige malen
had gewaarschuwd, dat het al laat was, stond hij op, ging naar de
andere kamer, legde het boek op het Florentijnsche tafeltje naast zijn
bed en begon zich te kleeden.
Het was bijna negen uur, vóór hij in de club was, waar hij Lord Henry
vond zitten, met een allervervelendst gezicht.
--Het spijt mij zoo, Harry, maar het was waarlijk jouw schuld. Je boek
hield mij zoo in betoovering, dat ik den tijd vergat.
--Ja, ik dacht wel, dat je het mooi zoû vinden, antwoordde Lord Henry
opstaande.
--Dat heb ik niet gezegd, Harry; ik zei, dat het mij zoo betooverde.
Daar is een groot verschil in.
--Zoo, heb je dat nu ontdekt? fluisterde Lord Henry. En zij gingen in
de eetzaal.