X.

Toen de knecht binnenkwam, zag hij hem onderzoekend aan, zich

afvragend of hij er aan gedacht zoû hebben achter het scherm te

gluren. De man stond onbewegelijk en wachtte af. Dorian stak een

cigarette op, ging voor den spiegel staan en wierp een blik er in. Hij

kon zoo juist de weêrkaatsing van Victors gezicht zien. Met een

placide masker van dienstbaarheid. Van hem was dus nog niets te

vreezen. Maar het was altijd goed op zijne hoede te zijn.

Langzaam verzocht hij hem de huishoudster bij zich te laten komen,

vervolgens naar den lijstenmaker te gaan en hem te vragen twee knechts

te zenden. Het scheen hem toe, dat toen de knecht de kamer verliet,

zijne oogen naar het scherm dwaalden. Of verbeeldde hij het zich maar?

Kort daarop ritselde Mrs. Leaf in haar zwart zijden kleed, met

ouderwetsche katoenen mitaines over de gerimpelde handen, de

bibliotheek binnen. Hij vroeg naar den sleutel van de leerkamer.

--De oude leerkamer, Mr. Dorian? riep zij uit. Maar die is vol stof.

Ik moet ze eerst schoonmaken en opruimen vóór u er in kunt. U kunt er

zoo heusch niet ingaan, waarlijk niet.

--Het hoeft niet opgeruimd te worden, Leaf. Geef mij den sleutel maar.

--Maar meneer, u zal begraven worden onder de spinnewebben. Het is in

geen vijf jaar open geweest. Niet meer na den dood van den ouden Lord.

Hij schrikte op bij de herinnering van zijn grootvader. Hij had geen

prettig souvenir van hem.

--Dat doet er niet toe, antwoordde hij. Ik wil ze maar eens zien, dat

is al. Geef mij den sleutel.

--Hier is de sleutel, meneer, sprak de oude dame, zocht met bevende

onzekere vingers aan haar sleutelbos. Hier is de sleutel. Ik zal hem

dadelijk van den ring afdoen. Maar u denkt er toch niet over boven uw

kamer te nemen? Het is hier pas zoo netjes gemaakt.

--Neen, neen, riep hij ongeduldig. Dank je wel, Leaf. Zoo is het in

orde.

Zij draalde nog eenige oogenblikken en had het erg druk over een

kleinigheid in het huishouden.

Hij zuchtte en zei haar, dat zij doen mocht wat ze woû. Zij verliet de

kamer glanzend in glimlachjes.

Toen de deur dicht was, stak Dorian den sleutel in zijn zak en zag in

de kamer rond. Zijn oog viel op een groot purper satijnen kleed, zwaar

geborduurd met goud, een prachtig stuk van de zeventiende eeuw,

Venetiaansch werk, door zijn grootvader in een klooster te Bologna

gevonden. Ja, dat was uitstekend geschikt om dat nare ding meê te

dekken. Het had wellicht al vaak gediend als lijkkleed voor dooden. Nu

zoû het iets verbergen, dat een bederf in zichzelve had, erger nog dan

het bederf van den dood; iets, dat tot gruwel zoû ontbinden, maar toch

nooit sterven zoû. Wat de worm was voor het lichaam, zouden zijne

zonden zijn voor het geschilderde beeld. Zij zouden die schoonheid

ontsieren, en die gratie doen wegrotten; zij zouden het bezoedelen en

onteeren. En toch zoû het steeds blijven bestaan. Het zoû altijd

blijven leven.

Hij rilde, en even voelde hij spijt Basil niet alles eerlijk gezegd te

hebben. Basil zoû hem geholpen hebben Lord Henry's invloed, en de nog

giftiger essences van zijn eigen temperament te niet te doen. De

liefde, die Basil hem toedroeg--want het was waarlijk liefde, had

niets in zich, dat niet mooi en intellectueel was. Het was niet de

fyzieke bewondering van schoonheid, geboren uit de zinnen en stervende

als de zinnen verzadigd zijn. Het was eene liefde als Michel Angelo,

Montaigne, Shakespeare en Winckelman gekend hadden. Ja, Basil had hem

kunnen redden. Maar het was nu te laat. Het verleden kon altijd

uitgewischt worden door berouw, zelfopoffering of ... vergeten. Maar

de toekomst was onvermijdelijk. Er waren passies in hem, die zich

geweldigen uitweg zouden banen, droomen, die de schimmen van zonde tot

werkelijkheid zouden maken. Hij lichtte van de bank het groote

purpergouden weefsel, en nam het meê achter het scherm. Was het

gezicht op het doek nog slechter dan vroeger? Het scheen hem hetzelfde

toe, maar zijn afschuw ervan was intenser geworden. Gouden haren,

blauwe oogen, roode lippen, dat alles was er nog. Slechts de

uitdrukking was veranderd. Hoe flauwtjes waren Basils verwijten

geweest over Sybil Vane, vergeleken bij wat hij er in zag van

veroordeeling en verwijt!--hoe flauwtjes en van hoe weinig beteekenis.

Zijne eigen ziel staarde hem van het doek aan en riep hem op ten

oordeel. Een trek van pijn kwam in zijn oogen en hij slingerde het

kostbare lijkkleed over de schilderij. Terwijl hij dit deed, klopte

men op de deur. Hij liep op en neêr, toen de knecht binnenkwam.

--De werklui zijn daar, meneer!

Hij voelde, dat hij dien man voor eenige oogenblikken kwijt moest

zijn. Hij mocht niet weten, waar het portret werd gebracht.

Er was zoo iets sluiperigs in hem en hij had zulke slimme,

verraderlijke oogen. Hij zette zich voor zijn schrijftafel, krabbelde

een briefje aan Lord Henry, vroeg hem wat lectuur te zenden, en

herinnerde hem er aan, dat zij elkaâr dien avond om kwart over achten

zouden ontmoeten.

--Op antwoord wachten ... sprak hij, het briefje reikend: en laat die

menschen maar hier binnen.

Twee, drie minuten later werd er weêr geklopt en Mr. Hubbard, de

beroemde lijstenmaker van South-Audley Street kwam binnen, met een

jongen knecht, lomp van uiterlijk. Mr. Hubbard was een blozend

mannetje met rosse knevels, wiens bewondering voor de kunst

aanmerkelijk gekalmeerd was door de ingekankerde geldeloosheid der

artisten, waarmeê hij te doen had. In den regel verliet hij nooit zijn

winkel. Hij liet de menschen bij zich komen. Maar hij maakte altijd

een uitzondering met Dorian Gray. Er was iets in Dorian Gray, dat

iedereen betooverde. Het was alleen al genot hem te zien.

--Wat kan ik voor u doen, Mr. Gray? zei hij, zich wrijvende in zijne

vette, gerimpelde handen. Ik dacht maar de vrijheid te nemen zelf bij

u te komen. Ik heb juist een pracht van een lijst op een verkooping

gekocht. Oud-Florentijnsch, van Fonthill afkomstig, denk ik. Juist

geschikt voor een godsdienstig onderwerp, Mr. Gray.

--Het spijt mij, dat u de moeite heeft genomen zelf te komen, Mr.

Hubbard. Ik zal zeker eens komen om de lijst te zien, hoewel ik op het

oogenblik niet veel doe aan kerkelijke kunst. Maar vandaag woû ik

alleen maar een schilderij naar boven gedragen hebben. Het is heel

zwaar en daarom woû ik gaarne een paar werklui van u hebben.

--In het geheel geen moeite, Mr. Gray. Ik ben zeer blij u van dienst

te kunnen zijn. Waar is het stuk, meneer?

--Hier, antwoordde Dorian en schoof het scherm weg. Kunt u het met

kleed en al, zooals het nu is plaatsen? Ik ben bang, dat het anders op

de gang gekrast zal worden.

--Dat zal heel goed gaan, meneer, sprak de gulle lijstenmaker en begon

met zijn helper de schilderij van de lange koperen kettingen, waaraan

het hing, los te haken. En waar zullen wij het nu brengen, Mr. Gray?

--Ik zal u den weg wijzen, Mr. Hubbard, als u zoo goed wilt zijn mij

te volgen. Of misschien is het beter, dat u vooruit gaat. Het is

heelemaal op de bovenste verdieping. Wij zullen de groote trap maar

opgaan, die is ruimer.

Hij hield de deur voor ze open, ze gingen de gang door en begonnen den

tocht. De rijk versierde lijst had het portret kolossaal gemaakt en nu

en dan moest Dorian zelve een handje meêhelpen om het gevaarte te

besturen, trots het hevig protest van Mr. Hubbard, die, evenals iedere

werkman er een hekel aan had, een heer iets nuttigs te zien doen.

--Het is een vrachtje, meneer, steunde het mannetje, toen zij boven

aan de trap kwamen. En hij veegde zich zijn glimmend voorhoofd af.

--Ja, het is nogal zwaar, murmelde Dorian, terwijl hij de deur opende

van de kamer, waar hij dit vreemd mysterie van zijn leven zoû bewaren,

waar hij zijne ziel zoû verbergen voor de oogen der menschen. Hij was

in geen vier jaar in die kamer geweest, niet meer sedert ze eerst als

kinderkamer en later als leerkamer was gebruikt geworden. Het was een

groot, ruim vertrek, door Lord Kelso gebouwd voor het speciaal gebruik

van zijn kleinzoon, dien hij om de gelijkenis met zijne moeder en om

nog andere redenen altijd gehaat en zoover mogelijk van zich had

gehouden. Dorian vond de kamer weinig veranderd. Daar stond de groote

Italiaansche cassone, met fantastisch uitgesneden paneelen en dof

vergulde kantlijnen, waarin hij zich als jongen zoo vaak verborgen

had. Hier de boekenkast vol schoolboeken met ezelsooren. Aan den muur

hing hetzelfde versleten Vlaamsche gobelin, waar een verkleurde koning

en koningin schaak speelden in een tuin, terwijl een stoet valkeniers,

overkapte vogels op de geharnasde polsen, voorbij reed. Hoe goed

herinnerde hij zich alles nog. Oogenblik na oogenblik zijner eenzame

kinderjaren kwam weêr bij hem op, terwijl hij rondzag. Hij zag de

reinheid van zijn jongensleven weêr voor zich en het was hem

verschrikkelijk, dat juist hier dat noodlottig portret verborgen moest

worden. Hoe weinig had hij in die afgestorven dagen kunnen vermoeden,

wat hem nog te wachten stond. Maar er was in het geheele huis geen

andere plaats zoo veilig als deze, voor onbescheiden blikken. Hij had

den sleutel en niemand kon er binnen. Onder het purperen lijkkleed kon

dat gelaat vrij verdierlijken, bezoedeld en onteerd worden. Wat deed

het er toe? Niemand zoû het zien. Hijzelve ook niet. Waarom zoû hij

die afschuwelijke ontbinding zijner ziel gadeslaan? Hij behield zijn

jeugd, dat was hem genoeg. En buitendien, zoû het niet kunnen, dat

zijn karakter zich veredelde? Er was geen reden, waarom de toekomst

zoo vol schande zoû zijn. Wellicht zoû een mooie liefde zich in zijn

leven weven, hem louteren, hem beschermen voor de zonden, die reeds in

geest en lichaam woelden: vreemde, onzegbare zonden, die bekoring en

subtiliteit ontleenden aan dat onzegbare. Misschien zoû de wreede trek

om dien fijnen mond eens verdwijnen, zoû hij de wereld Basil Halwards

meesterstuk te zien geven. Neen, dat was toch onmogelijk. Van uur tot

uur, van dag tot dag werd dat beeld ouder. Het kon de afzichtelijkheid

van zonden ontloopen, maar de afzichtelijkheid van ouderdom niet. De

wangen zouden hol en slap worden. Gele hanepooten zouden kruipen om de

fletse oogen. Het haar zoû zijn glans verliezen, de mond invallen,

openhangen, idioot of grof worden, zooals de monden van oude menschen.

Het zoû de gerimpelde hals, de kille, blauw geaderde handen, het

gebogen lichaam krijgen van zijn grootvader, die zoo streng voor hem

was geweest in zijn jongensjaren. Het portret moest verborgen worden.

Daar was niets aan te doen.

--Breng het maar binnen, Mr. Hubbard, sprak hij moê, zich omkeerend.

Het spijt mij, dat ik u zoo lang liet wachten. Ik dacht aan iets

anders.

--Het doet altijd goed wat uit te rusten, Mr. Gray, antwoordde de

lijsten maker, die nog naar adem snakte. Waar moet het staan meneer?

--O, dat doet er niet toe. Hier, hier is het goed. Ik wil het niet

ophangen. Zet het maar tegen den muur aan. Dank u.

--Mag ik het kunstwerk eens zien, meneer?

Dorian ontstelde.

--Het zoû u niet interesseeren, Mr. Hubbard, sprak hij, hem vast

aanziende. Hij voelde zich klaar op hem te springen, hem op den grond

te gooien, als hij maar een vinger uitstak naar het schitterende

voorhang, dat het geheim van zijn leven bedekte.

--Anders heb ik niet meer voor u te doen. Ik dank u voor de moeite,

dat u zelf gekomen is.

--In het geheel niet, Mr. Gray. Altijd bereid iets voor u te doen,

meneer. En Mr. Hubbard strompelde de trap af, gevolgd door zijn

knecht, die terug opzag naar Dorian, met een blik van verlegen

bewondering in zijn grof, leelijk gezicht. Hij had nog nooit iemand

gezien, die zóó mooi was.

Toen het geluid hunner voetstappen weggeklonken was, sloot Dorian de

deur en stak den sleutel in zijn zak. Nu gevoelde hij zich veilig.

Niemand zoû ooit het gruwelijke ding zien, geen oog zijne schande

aanschouwen. Terug in de bibliotheek, zag hij, dat het juist vijf uur

was, dat de thee al klaar stond. Er lag een briefje van Lord Henry,

daarnaast een boek in gelen band, de omslag half gescheurd, hier en

daar gevlekt. Een blad van de derde editie van de St. James Gazette

lag op het theeblad. Victor was klaarblijkelijk terug. Zoû hij die

mannen in de gang ontmoet, hen uitgehoord hebben wat ze gedaan hadden?

Hij zoû natuurlijk de schilderij missen, had ze zeker al gemist,

terwijl hij het theeblad binnenbracht. Het scherm was nog niet

geplaatst en er was eene leêgte aan den muur. Als Victor 's nachts

eens naar boven sloop en de deur van de kamer trachtte open te breken?

Het was ellendig een spion in huis te hebben. Hij had gehoord van

rijke lui, die hun geheele leven waren lastig gevallen, omdat de

knecht een brief gelezen, een gesprek gehoord, een kaartje met een

adres opengemaakt, of op een kussen een verwelkte bloem, een stukje

kant gevonden had. Hij zuchtte, schonk zich een kop thee, opende Lord

Henry's briefje. Het was eenvoudig om te zeggen, dat hij hem een

courant zond en een boek, dat hem misschien interesseeren zoû en dat

hij kwart over achten in de club zoû zijn. Langzaam vouwde hij de St.

James Gazette open en zag ze door. Een roode potloodstreep op het

vijfde blad trok zijn aandacht. Het wees op de volgende paragraaf:

"Lijkschouwing van een actrice".

"Dezen morgen heeft in de Bell Tavern, Hoxton Road, Mr. Danby,

district-rechter, het lijk van Sybil Vane onderzocht, een jonge

actrice van het Royal Theatre, Holborn. De uitspraak was dat de dood

door een ongeluk was teweeggebracht. Groot medelijden werd aan den dag

gelegd voor de moeder der overledene, die zeer aangedaan was onder het

afleggen van haar getuigenis en dat van Dr. Birell, die de

lijkschouwing gedaan had."

Hij fronste de wenkbrauwen en het blad in tweeën scheurend, liep hij

door de kamer en wierp de stukken weg. Hoe leelijk was dat alles. En

wat maakt leelijkheid de dingen toch hinderlijk waar. Hij was

ontstemd, dat Lord Henry hem dat bericht gezonden had. En het was heel

dom van hem het zoo met rood potlood aan te streepen. Victor kon het

gelezen hebben. De man kende er meer dan genoeg Engelsch voor.

Misschien had hij het gelezen en begon hij al iets ervan te denken.

Maar wat kon het schelen. Wat had Dorian Gray te maken met den dood

van Sybil Vane? Daar was immers niets te vreezen. Dorian Gray had haar

immers niet vermoord.

Zijn blik viel op het gele boek, dat Lord Henry hem gezonden had. Wat

zoû het zijn? Hij ging naar het parelkleurige, achtkantige tafeltje,

dat hem altijd toescheen de arbeid te zijn van vreemde Egyptische

bijen, die in zilver werken; het deeltje opnemend, wierp hij zich in

een fauteuil en begon de bladen om te slaan. Spoedig was hij er in

verdiept. Het was het vreemdste boek, dat hij ooit gelezen had. Het

was of alle zonden der wereld in fijne sluiers als een zwijgende

processie voor hem heen trokken op de zilveren tonen van fluiten.

Dingen, waarvan hij nooit gedroomd had, trokken hem langzaam als

openbaringen voorbij.

Het was eene novelle zonder intrigue en met slechts één karakter, eene

psychologische studie naar een jong Parijzenaar, die zijn leven

doorbrengt met het doel in de negentiende eeuw alle passies en

denkwijzen der vorige eeuwen te verwezenlijken en als het ware in

zichzelven op te sommen alle verschillende fazes, door den geest der

wereld doorleefd. De stijl ervan was die stijl, vol juweelen, levendig

en duister tegelijkertijd, vol argot en archaïsme, technische

uitdrukkingen en overladen beelden, die enkelen van de beste der

Fransche symbolisten kenmerkt. Er waren metaforen, fantastisch als

orchideeën en even subtiel van kleur. Het leven der zinnen werd

beschreven in termen van mystieke wijsbegeerte. Men wist soms niet of

men las van de spiritueele extazes van een middeneeuwschen heilige of

van de sombere biecht van een modern zondaar. Het was een boek vol

gift. Zware geur van wierook scheen aan de bladen te hangen en de

hersens te bedwelmen. Het rhytme der zinnen, de geraffineerde

eentonigheid der muziek, met complexe refreinen en vaak terugkeerende

maten, bracht den geest van den jongen, terwijl hij van hoofdstuk tot

hoofdstuk las, in een stemming van gepeins, iets als een ziekte van

gedroom, die hem onbewust maakte voor den wegstervenden dag en de

binnensluipende schaduwen.

Strak, zonder wolken, slechts doorpriemd met één enkele ster, glom een

kopergroene lucht door de ramen. Hij las bij dat fletste schijnsel,

tot hij niet meer lezen kon. Toen, nadat zijn knecht hem eenige malen

had gewaarschuwd, dat het al laat was, stond hij op, ging naar de

andere kamer, legde het boek op het Florentijnsche tafeltje naast zijn

bed en begon zich te kleeden.

Het was bijna negen uur, vóór hij in de club was, waar hij Lord Henry

vond zitten, met een allervervelendst gezicht.

--Het spijt mij zoo, Harry, maar het was waarlijk jouw schuld. Je boek

hield mij zoo in betoovering, dat ik den tijd vergat.

--Ja, ik dacht wel, dat je het mooi zoû vinden, antwoordde Lord Henry

opstaande.

--Dat heb ik niet gezegd, Harry; ik zei, dat het mij zoo betooverde.

Daar is een groot verschil in.

--Zoo, heb je dat nu ontdekt? fluisterde Lord Henry. En zij gingen in

de eetzaal.

Het portret van Dorian Gray · 第 12 / 22 题