VII.

Bij toeval was het theater dien avond zeer vol en de dikke Joodsche

directeur, die hen bij de deur ontving, glom van genoegen met een

vettigen breeden glimlach. Hij begeleidde ze naar hun loge met een

pompeuze nederigheid, gesticuleerde met zijn dikke, bejuweelde handen

en sprak veel, met een hooge schelle stem. Dorian Gray verafschuwde

hem meer dan ooit. Het scheen hem toe of hij Miranda zocht, en Caliban

ontmoette. Lord Henry mocht hem integendeel wel, tenminste hij

beweerde dat; hij gaf hem ook de hand en verzekerde, dat hij blij was

iemand te ontmoeten, die een genie had ontdekt en bankroet ging door

een dichter. Hallward vermaakte zich met de gezichten uit de pit te

bestudeeren. De hitte was er benauwend en de kroon vlamde als een

reusachtige dahlia met meeldraden van gelig vuur. De mannen in de

galerij hadden hunne jassen en vesten uitgetrokken en over de

balustrade gehangen. Zij schreeuwden elkaâr over en weêr toe, deelden

hunne china'sappelen met de viezig opgedirkte meisjes naast hen. Een

paar vrouwen gilden en lachten in de pit. Haar stemmen klonken ruw en

schel. Geluiden van ontkurkende flesschen kwamen van het buffet.

--Wat een plaats om een godheid te vinden! zei Lord Henry.

--Ja, antwoordde Dorian Gray. Hier vond ik haar en zij is een

godinnetje. Als ze acteert, vergeet je alles om je heen. Dit vulgaire

publiek met zijn grove gezichten en gemeene gebaren verandert, als zij

op het tooneel komt. Zij zitten als gemagnetizeerd naar haar te

kijken. Zij laat ze huilen of lachen, zij speelt op ze als op een

viool. Zij spiritualizeert ze, en dan voel je pas, dat ze toch

eigenlijk van hetzelfde vleesch en bloed zijn als jijzelf.

--Hetzelfde vleesch en bloed! Dat hoop ik niet! riep Lord Henry uit,

die door zijn binocle het publiek in de galerij beschouwde.

--Hoor maar niet naar hem, Dorian, sprak de schilder. Ik begrijp wat

je bedoelt en ik geloof in dit kind. Iedereen van wie jij houdt moet

iets buitengewoons zijn en een vrouw, die doen kan, wat jij van haar

vertelt, is braaf en edel. Je eigen eeuw te spiratualizeeren, dat is

iets heel moois. Als zij een ziel geven aan menschen, die altijd

zonder ziel leefden, als zij den zin voor het schoone kan wekken in

menschen, die altijd leelijk en vuil leefden, als zij hun egoïsme kan

ontnemen, en kan doen huilen van verdriet, dat niet van hunzelf is, is

zij je aanbidding waard, is zij de aanbidding van de geheele wereld

waard. Ik geloof, dat je huwelijk uitstekend is. Sybil Vane is voor

jou geschapen. Zonder haar zoû je niet compleet zijn.

--Dank je, Basil, antwoordde Dorian Gray hem de hand drukkend. Ik

wist, dat jij me begrijpen zoû. Harry is soms zoo cynisch, dat hij me

bang maakt. Maar daar begint het orkest. Het is afschuwelijk, maar het

duurt gelukkig niet langer dan vijf minuten. Dan gaat het gordijn op

en dan zal je de vrouw zien, aan wie ik mijn heele leven geven zal,

aan wie ik gegeven heb alles wat goed in mij is ...

Na een kwartier kwam, onder een daverend applaus, Sybil Vane op. Ja,

ze zag er zeker allerliefst uit, een van de mooiste schepseltjes, die

hij ooit gezien had, vond Lord Henry. Er was iets van een ree in hare

schuwe bevalligheid en in hare groote, verschrikte oogen. Een lichte

blos, als de schim van een roos in, een zilveren spiegel, kwam op hare

wangen toen zij even rondzag in de volle, enthusiaste zaal. Zij trad

een paar passen achteruit en hare lippen schenen te beven. Basil

Hallward sprong op en applaudisseerde. Onbewegelijk, als in een droom,

zat Dorian Gray en staarde haar aan. Lord Henry tuurde door zijn

binocle en murmelde:

--Allerliefst! Allerliefst!

Het tooneel stelde voor een zaal in Capulets huis en Romeo, in

pelgrimsgewaad, was binnengekomen met Mercutio en zijne andere

vrienden. Het zoogenaamde orkest speelde een paar noten en het bal

begon. Sybil Vane bewoog zich onder dien troep onbevallige, slecht

gekleede acteurs als een schepsel uit eene andere wereld. Terwijl zij

danste dreef haar figuurtje op de muziek als een bloem op het water.

De teedere buigingen van haar hals waren als de rondingen van een

blanke lelie.

En toch was zij zeer mat. Zij toonde geene vreugde, toen hare oogen

Romeo zagen. De enkele woorden die zij te spreken had:

O, goede pelgrim, smaad uw hand niet langer.

Welpassend eerbetoon bewijst ge aldus;

Een heilge gunt zijn hand den beêvaartganger.

Een hand in hand is vrome pelgrimskus;

de korte dialoog die volgde, werd zeer gekunsteld gezegd. De stem

zelve was als muziek, maar de toon was valsch. De kleur ervan was

slecht. Die nam al het leven uit de poëzie weg. Die maakte de passie

onwaar.

Dorian Gray verbleekte terwijl hij haar zag. Hij begreep haar niet en

werd bang. Geen van beide vrienden durfde iets zeggen. Zij waren zeer

teleurgesteld. Maar zij voelden, dat een Juliet niet beoordeeld moest

worden voor de balconscène in de tweede acte. Dat was hun laatste

hoop. Mislukte zij daarin, dan beteekende zij ook niets.

Zij zag er allerbekoorlijkst uit, toen zij in den maneschijn naar

buiten trad. Dat moest gezegd worden. Maar het tooneelmatige van haar

actie was onverdragelijk en werd hoe langer hoe slechter. Hare gebaren

werden bespottelijk gemaakt. Zij gaf een noodeloozen nadruk op alles

wat zij te zeggen had. Die mooie passage:

Ge weet, de nacht omsluiert mijn gelaat.

Mijn wang bleke anders door een blos geverfd

Om wat deez' nacht u daar verraden heeft,

werd opgezegd met de pijnlijke juistheid van een schoolkind, ingepompt

door een declamatie-onderwijzer.

Toen zij over het balcon leunde en kwam aan de exquize regels:

'k begroet u blij, maar niet

Dat wisseln van geloften in deez' nacht.

Dat is te snel, te plotseling, te onberaden,

Te zeer als 't weêrlicht dat verdwijnt nog eer

Men zegt: het licht! Vaarwel! Deez' liefdeknop,

Door 's zomers aâm gekoesterd, is misschien

Een schoone bloem bij 't volgend wederzien[1]

sprak zij de woorden als hadden zij geen beteekenis voor haar. Het was

geene zenuwachtigheid. Integendeel, zij was geheel zichzelve. Het was

eenvoudig-weg slechte kunst. Zij was geheel mis.

Zelfs het ruwe onontwikkelde publiek van de pit en de galerij verloren

hun belangstelling. Zij werden onrustig en begonnen hard te spreken en

te fluiten. De Joodsche directeur stond vloekend en stampvoetend

achter in den dress-circle. De eenige die kalm bleef was het meisje

zelve.

Na de tweede acte kwam er een storm van gesis en Lord Henry stond op

en deed zijn overjas aan.

--Ze is prachtig, Dorian, maar ze kan niet acteeren. Kom, laat ons

weggaan.

--Neen, ik blijf tot het laatste, antwoordde de jongen, met een

harden, bitteren klank in zijn stem. Het spijt me, dat ik je een avond

heb laten verliezen, Harry. Ik maak je beiden wel mijn excuzes.

--Beste jongen, ik geloof dat Miss Vane niet wel is, viel Hallward in.

We zullen nog eens een anderen avond terugkomen.

--Ik woû, dat het waar was, dat zij ziek is, antwoordde hij. Maar ik

geloof, dat zij eenvoudig inkoud en ongevoelig is. Zij is veranderd

als een blad aan een boom. Gisteren avond was zij een groote artiste.

Van avond is zij niets meer dan een heel gewone, heel middelmatige

actrice.

--Spreek zoo niet over iemand van wien je houdt, Dorian. Liefde is

hooger dan kunst.

--Beide zijn imitaties, merkte Lord Henry op. Maar laat ons nu gaan,

Dorian. Blijf nu niet langer hier. Het is niet goed voor je moreel om

slechte actie aan te zien. Buitendien denk ik, dat je je vrouw toch

niet zal laten spelen. Wat kan het je dus schelen, of zij Juliet

speelt als een houten pop. Ze ziet er allerliefst uit en als ze van

het leven een weinig afweet als van acteeren, is zij een charmant

tijdverdrijf. Er zijn maar twee soorten van menschen, die werkelijk

interessant zijn: menschen, die àlles weten en menschen, die totaal

niets weten. Goede hemel, kerel, kijk toch zoo tragisch niet! Het

geheim om jong te blijven is: nooit emotie te hebben, die niet goed

staat. Ga met ons meê naar de club. We zullen wat cigaretten rooken en

op de charmes van Sybil Vane drinken. Ze is prachtig. Wat wil je nu

meer?

--Ga heen, Harry, riep de jongen uit; ik wil alleen zijn; Basil, jij

moet weg. O, zie je dan niet, dat mijn hart breekt?

Tranen kwamen in zijne oogen, zijne lippen beefden. Hij vloog achter

in de loge en tegen den muur leunend, verborg hij het gelaat in de

handen.

--Kom meê, Basil, sprak Lord Henry met eene vreemde teederheid in

zijne stem en zij gingen samen weg. Na een oogenblik vlamde het

voetlicht weder op voor de derde acte. Dorian ging op zijne plaats

terug. Hij zag bleek, trotsch, onverschillig. Het stuk sleepte voort

en scheen eindeloos. Het halve publiek ging weg, lachend en stampend

met de zware schoenen. Het geheele ding was een fiasco. De laatste

acte werd voor bijna geheel leêge banken gespeeld. Het gordijn viel

onder gegichel en hier en daar een zucht.

Zoodra het uit was, vloog Dorian Gray achter de coulissen naar den

foyer. Het meisje stond daar alleen, met een glans van voldoening op

haar gezichtje. Haar oogen schitterden van een exquis vuur. Er scheen

een glorie om haar heen te stralen. Haar halfgeopende lippen

glimlachten om een geheim, dat zij alleen kenden.

Toen hij binnenkwam, zag zij hem aan en eene uitdrukking van onzegbaar

geluk kwam over hare trekken.

--Wat heb ik van avond slecht gespeeld, Dorian! jubelde zij.

--Afschuwelijk! antwoordde hij, ze vol verbazing aanziende.

Afschuwelijk! Het was verschrikkelijk!! Ben je ziek? Je weet niet hoe

verschrikkelijk het geweest is. Je hebt geen idee van hetgeen ik

geleden heb.

Zij glimlachte.

--Dorian, antwoordde ze en streelde zijn naam met een langen toon van

muziek, als was die naam zoeter dan honig voor de purperen meêldraden

van hare lippen. Dorian, je hadt het toch kunnen begrijpen. Maar nu,

nu begrijp je toch, niet waar?

--Wat begrijpen? vroeg hij boos.

--Waarom ik zoo slecht was? Waarom ik altijd zoo slecht zal zijn.

Waarom ik nooit meer goed zal spelen. Hij haalde de schouders op.

--Ach, je bent ziek. En als je ziek bent, moet je niet spelen. Je

maakt jezelf bespottelijk. Mijn vrienden hadden het land. En ik had

ook het land.

Zij scheen hem niet te hooren. Zij stond als verheerlijkt van vreugde.

Een glorie van geluk omstraalde haar.

--Dorian, Dorian, riep zij, vóór ik jou kende was mijn spel mij de

eenige werkelijkheid in het leven. Ik leefde eerst waarlijk als ik

speelde. Ik dacht, dat alles waar was. Ik was den eenen keer Rosalind

en den volgenden keer Portia. Ik was gelukkig in Rosalind, ik leed in

Cordelia. Ik geloofde in alles. Die slechte acteurs om mij heen,

schenen mij goden toe. De geschilderde decoraties waren mijn wereld.

Ik kende alleen schimmen en ik dacht, dat zij het leven waren. Toen

kwam jij, o, mijn heerlijke lieveling! en je maakte mijn ziel los uit

haar gevangenis. Jij leerde mij eerst wat waar is. Ik voelde van avond

voor het eerst hoe leêg, hoe hol, hoe nutteloos alles was in de

wereld, waar ik totnogtoe leefde. Voor het eerst viel het mij op, dat

Romeo leelijk, oud, en geverfd, dat het maanlicht in den tuin valsch,

dat het decor vulgair was, en dat de woorden, die ik zeggen moest,

onwaar klonken, dat zij niet mijne woorden waren, dat zij niet

uitdrukten wat ik zeggen woû. Je hebt mij iets moois, iets hoogs

gegeven en waarvan iedere kunst maar een flauwe weêrkaatsing is. Je

hebt mij geleerd wat liefde waarlijk is. Mijn lieveling! Mijn

lieveling! Mijn tooverprins, prins van mijn leven! O, ik ben nu zoo

moê van al die schimmen. Je bent voor mij méér dan alle kunst ooit

voor mij zijn kan. Toen ik zoo even opkwam, begreep ik niet waarom

alles zoo ver van mij afscheen. Ik dacht juist nu zoo goed te spelen,

en ik merkte, dat ik niets meer kon. Opeens lichtte het in mijne ziel,

wat dat alles was. En die kennis was mij zalig. Ik hoorde ze fluiten

en ik lachte. Wat weten zij van een liefde als de onze. O! neem mij

meê, Dorian, neem mij met je meê, ergens waar wij heel alleen zijn. Ik

heb een afkeer van dat tooneel. Ik kon een passie imiteeren, die ik

niet voel, maar een, die mij brandt als een vuur, kan ik niet spelen.

O! Dorian, Dorian, nu begrijp je het, niet waar? Zelfs als ik het kon,

zoû het profanatie voor mij zijn, zoo ik op de planken deed of ik

liefhad. Zie je, dat heb je me geleerd.

Hij wierp zich op een bank en keerde het gezicht af.

--Je hebt mijn liefde vermoord! steunde hij.

Zij zag hem aan met verwondering en lachte. Hij gaf geen antwoord. Zij

kwam bij hem en streelde zijn haar met hare dunne vingers. Zij knielde

neêr en drukte zijne handen aan haar lippen. Hij trok ze terug en een

rilling liep over hem.

Toen vloog hij op en liep naar de deur.

--Ja, wierp hij haar toe, je hebt mijn liefde vermoord. Vroeger

streelde je mijn verbeelding, nu wek je niet eens nieuwsgierigheid in

mij op. Je maakt geen indruk meer op me. Ik had je lief, omdat je mooi

was, omdat je talent en ontwikkeling bezat, omdat je droomen van

groote dichters tot werkelijkheid maakte, omdat je leven en kleur gaf

aan de schaduwen van de kunst. Dat alles heb je nu weggegooid. Je bent

klein en dom. Mijn God, ik was gek zooveel van je te houden! Ik was

dwaas! Je bent nu immers niet meer voor me! Ik wil je niet meer zien!

Ik wil niet meer aan je denken! Ik wil je naam niet meer uitspreken!

O! je weet niet wat je voor me geweest bent, vroeger. Waarom

vroeger?... O! ik kan er niet aan denken. Ik woû, dat ik je nooit

gezien had. Je hebt de poëzie van mijn leven bedorven. Hoe weinig weet

je wat liefde is, als je zegt, dat het niet samengaat met kunst.

Zonder je kunst ben je niets. Ik zoû je beroemd, schitterend en rijk

gemaakt hebben. De wereld zoû je aanbeden hebben, en je zoû mijn naam

hebben gedragen. Wat ben je nu? Een slechte actrice met een mooi

gezichtje.

Ze werd wit en trilde. Ze klampte haar handen samen en de stem scheen

haar in de keel te hokken.

--Je meent het zoo niet, Dorian? fluisterde zij. Je speelt met me.

--Spelen! Dat laat ik aan jou over. Jij doet het zoo mooi, antwoordde

hij bitter.

Ze richtte zich op, en met een smart over haar gelaat kwam zij naar

hem toe. Zij legde haar hand op zijn arm en zag hem in de oogen. Hij

duwde haar weg.

--Raak me niet aan! schreeuwde hij. Een doffe snik, en zij wierp zich

aan zijne voeten. Zoo bleef zij liggen als een bloem, die vertrapt

was.

--Dorian, Dorian, ga niet van mij weg, stamelde zij. Het spijt me zoo,

dat ik slecht speelde. Ik dacht ook altijd door aan jou. Maar ik zal

mijn best doen, waarlijk, ik zal mijn best doen. Het kwam zoo

onverwachts, mijn liefde voor jou. Ik zoû het nooit zoo geweten

hebben, als je mij niet omhelsd hadt, als wij elkaâr niet gekust

hadden. O, zoen me nog eens! Ga niet van mij weg. Dat zoû ik niet

kunnen verdragen. O, ga niet van mij weg! Mijn broêr ... Ach neen, het

is niets! Hij meende het niet. Het was maar gekheid van hem ... Maar

jij ... O! kan je mij dezen éénen avond niet vergeven?! Ik zal hàrd

studeeren en gòed mijn best doen! Wees niet wreed tegen me, omdat ik

meer van jou hoû dan van iets ter wereld. En dan, het is toch maar één

keer geweest, dat ik niet goed gespeeld heb! Maar je hebt gelijk,

Dorian. Ik had meer artiste moeten blijven. Het was heel dwaas van me,

maar ik kon het niet helpen! O, laat me niet alleen, laat me niet

alleen!

Een hartstochtelijk gesnik scheen haar te doen stikken. Zij kroop over

den grond als een gewond dier, en Dorian Gray zag met zijne mooie

oogen op haar neêr, en zijne fijne lippen krulden van minachting, er

is altijd iets dwaas' in de emoties van iemand, die men opgehouden

heeft lief te hebben. Hij vond Sybil Vane bespottelijk melodramatisch.

Haar tranen en snikken verveelden hem.

--Ik ga weg! sprak hij eindelijk met zijn kalme, heldere stem. Ik wil

niet boos op je zijn, maar ik kan je niet meer zien. Je bent me een

groote teleurstelling geweest!

Zij weende stilletjes, gaf geen antwoord, maar kroop dichter bij hem.

Hare handjes strekten zich in het vage uit als zochten zij hem. Hij

keerde zich om en ging de kamer uit. Een paar seconden later had hij

het gebouw verlaten. Waar hij ging, wist hij nauwlijks. Hij herinnerde

zich later gedwaald te hebben door flauw verlichte straten, door nauwe

spookachtige poortjes, langs verdachte huizen. Vrouwen hadden met

schorre stemmen en ruw gelach hem toegeroepen. Dronken kerels waren

langs hem gezwaaid, vloekende en in zichzelven pratende, als

reusachtige apen. Hij had misvormde kinderen bij elkaâr zien kruipen

op de stoepen voor de deuren, hij had gegil, gevloek gehoord uit

sombere holen ...

Tegen den morgen merkte hij, dat hij dicht bij Covent Garden was. De

duisternis trok op en, zich vervelende met hier en daar een flauwen

weêrglans, rondde de hemel zich tot een zuivere parel. Groote karren

opgehoopt met knakkende lelies, rammelden langzaam door de leeg

geveegde straat. De lucht werd zoo zwaar van dien bloemengeur; uit die

kelken steeg als een tegengift voor zijne smart. Hij volgde de karren

naar de markt en zag hoe de mannen ze ontlaadden. Een wit-gekielde

karreman bood hem een paar kersen aan. Hij dankte hem en verwonderde

zich, dat de man weigerde er geld voor te nemen; hij begon ze

lusteloos op te eten. Ze waren 's nachts geplukt en ze hadden de kilte

der maan nog in zich. Een lange rij jongens met bonte tulpen, roode en

witte rozen, liep voor hem uit; ze zochten hun weg door hooge,

fletsgroene hoopen groenten. Onder de loods met grijze, zonverbleekte

pilaren, drentelde een troep vuile meisjes met bloote hoofden, te

wachtten tot de markt afgeloopen was. Anderen verdrongen zich om de

open-en dichtslaande deuren van een café. De zware karrepaarden

trappelden en stampten op de ruwe steenen en schudden tuig en bellen.

Een paar karrevoerders lagen te slapen op een hoop zakken. Duiven

trippelden heen en weêr met roode pootjes en bogen hare glanzige

nekjes.

Na een poosje riep hij een hansom aan en reed naar huis. Even draalde

hij nog voor de open deur, zag om zich heen, in het slapende Square,

met zijn stil gesloten vensters en blank starende luiken. De lucht was

helder opaal geworden; de daken der huizen glinsterden als zilver er

tegen af. Uit een enkelen schoorsteen steeg een dun streepje rook. Het

kronkelde als een violet lint, door de lucht van parelmoêr.

In de groote vergulde Venetiaansche lantaren,--gestolen uit de bark

van een Doge,--die in de ruime eikenhouten vestibule huig, brandden

nog drie flikkerende lichtjes; dunne blauwe vlamblaadjes met randen

van wit vuur. Hij draaide ze uit, wierp hoed en jas op de tafel, ging

door de bibliotheek naar zijne slaapkamer: een groot achthoekig

vertrek, dat hij in zijn nieuwe zucht naar luxe juist had laten

inrichten en behangen met kostbare Renaissance-gobelins, gevonden op

een ongebruikten zolder in Selby Royal. Hij draaide de deur open; zijn

oog viel op het portret, dat Basil Hallward geschilderd had. Hij

schrikte terug als in ontsteltenis. Toen ging hij naar zijne zitkamer,

verwarring in zijne oogen. Hij nam de bloem uit zijn knoopsgat; bleef

even staan, als draalde hij. Toen keerde hij terug, bleef voor het

portret staan en beschouwde het met aandacht. In het half gedempte

licht, dat door neêrgelaten crême zijden gordijnen viel, scheen het of

het portret veranderd was. De uitdrukking was niet meer dezelfde. Iets

als een grijns van wreedheid lag om den mond. Het was zeer vreemd.

Hij ging naar het raam en trok het gordijn op. Het nieuwe daglicht

viel in de kamer, drong fantastische schaduwen terug in

schemerhoekjes, waar zij sidderend bleven liggen. Maar het vreemde op

het gezicht van dat portret was er nog, scheen zelfs intenser. Het

warm levende zonlicht toonde hem die lijnen van wreedheid om den mond

even duidelijk, als had hij zich in den spiegel bezien, na iets

slechts gedaan te hebben.

Hij deinsde terug, nam van de tafel een ovalen spiegel, vastgehouden

door ivoren kupido's, een van Lord Henry's vele geschenken, en zag

haastig in die gepolijste diepte.

Geen trek verwrong zijne lippen. Wat beteekende dat? Hij wreef zich de

oogen, kwam vlak bij het portret en beschouwde het weêr. In het werk

zelf was niets te bespeuren; toch was de geheele uitdrukking

veranderd. Het was geene verbeelding. Het was akelig duidelijk.

Hij gooide zich in een stoel en dacht na. In eens bliksemde door hem

heen wat hij gezegd had in Basils atelier, toen het portret voltooid

was. Ja, hij herinnerde het zich nu heel goed. Hij had toen dien

dollen wensch geuit: hij altijd jong; het portret zoû ouder worden;

hij zijne eigen schoonheid en frischheid; het gezicht op het doek zoû

den last zijner hartstochten en zonden dragen; het geschilderde beeld

zoû doorgroefd worden met lijnen van smart en ouderdom; aan hem de

teedere bloesem van zijn jeugd, altijd! En die wensch, werd die nu

vervuld? Zulke dingen waren toch onmogelijk. Het was zelfs monsterlijk

zoo iets te bedenken. Toch stond het portret daar voor hem, met dien

trek, om den mond. Wreedheid! Was hij dan wreed geweest! Het was haar

schuld en niet de zijne. Hij had zich haar gedroomd als een groot

artiste, had haar zijn liefde gegeven omdat hij haar groot waande.

Toen had zij hem teleurgesteld. Zij was klein en min geweest. En toch

rees er een groote spijt in hem op, nu hij haar zich voorstelde,

liggende aan zijn voeten, snikkende als een kind. Hij herinnerde zich

hoe ongevoelig hij toen op haar had neêrgezien. Waarom was hij zoo

geweest? Waarom was hem zulk een ziel gegeven? Maar hij had toch ook

geleden. Die drie verschrikkelijke uren, dat het stuk geduurd had, had

hij eeuwen van smart, aeonen van folterpijn doorstaan. Zij stonden nu

gelijk. Had hij haar voor het leven gewond, zij had hem een moment

gemarteld. Buitendien kunnen vrouwen beter lijden dan mannen. Zij

leven van hare emoties. Ze denken alleen aan hare emoties. Houden ze

van je, dan is het alleen om iemand te hebben, waar zij scènes meê

kunnen maken. Dat had Lord Henry hem verteld, en die wist immers wat

de vrouwen waren? Waarom zoû hij nu tobben over Sybil Vane? Zij was nu

niets meer voor hem.

Maar het portret? Hoe moest hij dat uitleggen? Het bezat het geheim

van zijn leven, van zijn doen en laten. Het had hem geleerd zijne

eigen schoonheid lief te krijgen. Zoû het hem nu ook leeren, zijne

eigene ziel te verafschuwen? Zoû hij er ooit weêr op zien?

Neen, het was slechts een droom zijner verwarde zinnen. De

verschrikkelijke nacht doorleefd, had spookbeelden achter zich

gelaten. Op zijne hersens was plotseling dat kleine purperen spatje

gevallen, waardoor een mensch gek wordt. Het portret wàs niet

veranderd. Het was dwaasheid zoo iets te denken.

En toch zag het hem aan met dat vertrokken, mooie gelaat en dien

wreeden lach. Het haar gulde zich in dit vroege zonlicht. De blauwe

oogen ontmoetten de zijne. Een gevoel van oneindig medelijden, niet

met zichzelven, met zijn geschilderd beeld, kwam over hem. Het was nu

al veranderd; het zoû al meer en meer veranderen. Dat goud zoû grijs

worden. Die roode en witte rozen zouden verleppen. Voor iedere zonde

zoû een smet die bloesem-frischheid bezoedelen. Maar hij wilde niet

zondigen. Dat portret, veranderd of niet, zoû hem zijn zichtbaar

geweten zijn. Hij zoû de verleiding weêrstaan. Hij wilde Lord Henry

niet meer zien, wilde in ieder geval niet meer hooren naar die fijn

geslepen theorieën vol gift, welke in Basils tuin voor hem passie

hadden opgezweept. Hij zoû teruggaan naar Sybil Vane, haar vergeving

vragen, haar trouwen, pogen haar weêr lief te hebben, ja, het was zijn

plicht. Zij moest meer geleden hebben dan hij. Arm kind! Hij was

egoïst en hard tegen haar geweest. De bekoring, die zij op hem had,

zoû weêr komen. Zij zouden gelukkig zijn. Zijn leven met haar zoû mooi

en rein zijn.

Hij rees uit zijn stoel op, schoof een groot scherm recht voor het

portret, rilde toen hij er naar zag.

--Hoe verschrikkelijk! murmelde hij, terwijl hij naar het deurvenster

liep en het open wierp. Hij ging naar buiten, op het gras, haalde diep

adem. De zuivere ochtendlucht scheen al zijn somber lijden weg te

blazen. Hij dacht alleen aan Sybil. Flauwe echo van zijne liefde

zuchtte tot hem door. Hij sprak haar naam telkens, telkens weêr uit.

De vogels die zongen in de bedauwde tuinen, schenen de bloemen van

haar te vertellen.

Noot:

[1] Dr. A. L. J. Burgersdijk: Romeo en Julia.

Het portret van Dorian Gray · 第 9 / 22 题