Den volgenden morgen, om half een, wandelde Lord Henry Wotton van
Curzonstreet naar Albany om zijn oom op te zoeken, Lord Fermor, een
joviale, wel wat ruwe oude vrijer: de wereld noemde hem egoïst, omdat
zij geen voordeel van hem trok, maar onder zijne kennissen had hij den
naam vrijgevig te zijn, omdat hij de menschen, die hem amuzeerden, te
eten gaf. Zijn vader was onze ambassadeur in Madrid geweest, toen
Isabella nog jong was en er aan Prim niet gedacht werd, maar hij had
zich uit de diplomatie teruggetrokken in een haastig oogenblik van
ontevredenheid, omdat men hem de ambassade te Parijs niet had
aangeboden, een post, waarop hij alleen aanspraak meende te hebben, op
grond van: zijne geboorte, zijne indolentie, het goede Engelsch van
zijne telegrammen, en zijn dolle passie voor genot. De zoon, die de
secretaris van zijn vader was geweest, had tegelijkertijd zijn ontslag
ingediend, dat wel wat dwaas werd gevonden, en toen hij eenige maanden
later den titel van hem erfde, had hij zich gewijd aan een ernstige
studie van de groote aristocratische kunst, om absoluut _niets_ te
doen. Hij had twee groote huizen in de stad, maar gaf er de voorkeur
aan op kamers te wonen, omdat dit minder last gaf; hij at meestal in
zijn club. Hij bemoeide zich een beetje met de exploitatie zijner
kolenmijnen in het Graafschap Midland en waschte zich schoon van de
smet dezer industrie met de bewering, dat het eenige voordeel van het
bezit van kolen was, dat men met fatsoen hout kon branden in zijn
eigen huis. In de politiek was hij een Tory, behalve wanneer de Tories
de bovenhand hadden, want dan maakte hij ze kalm uit voor een hoop
Radicalen. Hij was een held voor zijn knecht, die hem op den kop zat,
en een schrik voor de meeste zijner familieleden, die hij weêr op zijn
beurt op den kop zat. Alleen Engeland kon hem hebben voortgebracht, en
toch, hij beweerde altijd, dat Engeland op de flesch ging. Zijne
principes waren van voor den zondvloed, maar er was veel te zeggen
voor zijn vooroordeelen.
Toen Lord Henry de kamer binnen kwam, vond hij zijn oom, in een dik
jachtbuis, met een cigarette, brommende over de Times.
--Zoo Harry, sprak de oude heer, wat kom jij zoo vroeg doen? Ik dacht,
dat jullie dandies nooit opstonden vóór tweeën en niet zichtbaar waren
vóór vijven.
--Pure familie-affectie, dat verzeker ik u, oom George. Ik moet wat
van u hebben.
--Geld natuurlijk, zei Lord Fermor met een leelijk gezicht. Nu, ga
zitten en vertel de kwestie. Tegenwoordige jongelui denken, dat geld
alles is.
--Ja, antwoordde Lord Henry, de bloem in zijn knoopsgat wat vaster
zettend; en als ze ouder worden, dan weten ze het zeker. Maar ik kom
niet om geld. Alleen menschen, die hun rekeningen betalen, hebben dat
noodig. Krediet is het kapitaal van een jongeren zoon en je leeft er
heel goed van. Buitendien ben ik altijd bij de leveranciers van
Dartmoor en die laten me met rust. Wat ik noodig heb is informatie:
geen nuttige natuurlijk, informatie zonder nut.
--Nu, ik kan je alles vertellen wat er staat in een Engelsch
Blue-Book, hoewel de lui tegenwoordig een hoop nonsens schrijven. Toen
ik bij de diplomatie was, was het veel beter. Maar ik hoor, dat ze ze
tegenwoordig examens laten doen. Wat kan je daar dan ook van
verwachten. Examens, meneer, zijn niets dan humbug van het begin tot
het eind. Is iemand een heer, dan weet hij meer dan genoeg, en is hij
het niet, dan is alles wat hij ook weet of kent, slecht voor hem.
--Mr. Dorian Gray behoort niet tot de Blue-Books, oom George? vroeg
Lord Henry kwijnend.
--Mr. Dorian Gray? Wie is dat? vroeg Lord Fermor, zijn zware witte
wenkbrauwen fronsend.
--Dat kom ik juist van u hooren, oom George, of liever, ik weet wie
hij is. Hij is de kleinzoon van den laatsten Lord Kelso. Zijn moeder
was een Devereux. Lady Margaret Devereux. Ik woû, dat u me wat van
zijn moeder vertelde. Wat was ze voor een vrouw. Met wien is zij
getrouwd? U heeft iedereen uit uw tijd gekend, dus haar zeker ook wel.
Ik ben nogal geïnteresseerd in Mr. Gray voor het oogenblik. Ik heb hem
pas ontmoet.
--Een kleinzoon van Kelso, herhaalde de oude heer. Een kleinzoon van
Kelso!... Natuurlijk ... Ik heb zijn moeder heel goed gekend. Ik
geloof, dat ik bij haar doop was. Zij was een pracht van een meid,
Margaret Devereux, en zij heeft alle mannen dol gemaakt door weg te
loopen met een jongen zonder een cent, meneer, een onderofficier bij
de infanterie of zoo iemand. Wel ja, ik herinner me de heele
geschiedenis, alsof het gisteren gebeurd was. De arme kerel werd een
paar maanden na zijn huwelijk te Spa in een duel doodgeschoten. Dat
was een leelijke historie. Ze zeggen, dat Kelso een gemeenen
avonturier, een Belgischen schurk, heeft opgedragen zijn schoonzoon in
het publiek te beleedigen--en hem ervoor betaald heeft, meneer,
betaald heeft om het te doen; dat de kerel hem moest doorsteken alsof
hij een hond was. De zaak is toen gesust geworden, maar, voor den
donder, Kelso heeft een heelen tijd in de club alleen kunnen eten. Hij
heeft zijn dochter weêr in huis genomen, heb ik gehoord, maar ze heeft
nooit meer tegen hem gesproken. Ja, ja, het was een leelijke boel. En
het meisje is ook gestorven binnen het jaar. En ze heeft dus een zoon
nagelaten? Zoo, dat was ik vergeten. Wat is hij voor een jongen? Als
hij op zijn moeder lijkt, is hij een knappe vent.
--Hij ziet er heel goed uit, bevestigde Lord Henry.
--Ik hoop, dat hij in goede handen valt, ging de oude man voort. Hij
moest een hoop geld te wachten hebben, als Kelso voor hem gedaan heeft
wat recht was. Zijn moeder had ook geld. Al het fortuin van de Selby's
kwam ook aan haar, door haar grootvader. Haar grootvader had een haat
aan Kelso, vond hem een gemeenen kerel. Nou, dat was hij ook. Is te
Madrid geweest, toen ik er was. Waarachtig, ik schaamde me voor hem.
De koningin vroeg me altijd naar dien Engelschman, die altijd standjes
had met de koetsiers over hun fooien. Ze hadden er een heele legende
van gemaakt. Ik heb me een maand lang niet aan het Hof durven
vertoonen. Ik hoop, dat hij zijn kleinzoon beter behandelde?
--Dat weet ik niet, antwoordde Lord Henry. Ik geloof, dat hij er goed
in zit. Hij is nog niet meerderjarig. Hij heet Selby, dat weet ik. Dat
vertelde hij mij. En ... was zijn moeder zoo mooi?
--Margaret was een van de mooiste vrouwen, die ik ooit gezien heb,
Harry. Wat haar ooit bezield heeft zoo iets te doen, begrijp ik nog
niet. Zij kon iedereen gehad hebben, die zij woû. Carlington was gek
op haar. Maar, ze was zoo romantisch uitgevallen. Trouwens, dat waren
al de vrouwen uit die familie. De mannen waren niet veel bizonders,
maar de vrouwen waren prachtig. Carlington is voor haar op zijn knieën
geweest. Hij heeft het me zelf verteld. Ze lachte hem uit, en daar was
geen meisje in Londen, dat niet op hem vlaste. A propos, Harry, over
malle huwelijken gesproken, wat is dat toch voor een praatje van je
vader, dat Dartmoor met een Amerikaansch meisje wil trouwen. Zijn de
Engelsche meisjes niet goed genoeg voor hem?
--Het is mode tegenwoordig Amerikaansche meisjes te trouwen, oom
George.
--Ik hoû het op de Engelsche vrouwen, Harry, donderde Lord Fermor en
sloeg met de vuist op de tafel.
--De Amerikaansche zijn toch het meest gewild.
--Ze houden niet lang vol, hoor ik, mompelde zijn oom.
--Een lang engagement sloopt ze wel af, maar in een steeplechase zijn
ze van staal. Ze doen de dingen vliegend. Ik geloof niet, dat Dartmoor
er nog af zal kunnen.
--Ziet ze er aardig uit?
--Ze doet of ze heel mooi is. Dat doen de meeste Amerikaansche
vrouwen. Het is het geheim van haar charme.
--Waarom kunnen die Amerikaansche vrouwen niet in hun eigen land
blijven? Ze zeggen altijd, dat het daar het Paradijs voor vrouwen is.
--Dat is zoo. Maar dat is ook de reden, waarom ze, evenals Eva, er zoo
vreeselijk graag uit willen, zei Lord Henry. Adieu, oom. Ik kom te
laat voor de lunch als ik langer blijf. Dank voor de inlichtingen. Ik
weet graag _alles_ van mijn nieuwe vrienden, en liefst niets van mijn
oude.
--Waar ga je lunchen, Harry?
--Bij tante Agatha. Ik heb er mezelven geïnviteerd, met Mr. Gray. Hij
is haar laatste protégé.
--Hm, zeg aan je tante Agatha, Harry, dat ze me niet meer komt zaniken
met haar weldadigheidsinschrijvingen. Ik ben er wee van. Wel, het
goede mensch denkt, dat ik niets te doen heb dan wissels in te vullen
voor haar bevliegingen.
--All right, oom, ik zal het haar zeggen, maar het zal niet geven.
Filanthropische menschen verliezen alle idee van menschelijkheid. Dat
is hun grootste karaktertrek.
De oude heer bromde goedkeurend en belde voor de knecht. Lord Henry
kwam door den lagen portiek in Burlingtonstreet en richtte zijne
schreden naar Berkely Square.
Dat was dus de geschiedenis van Dorian Gray's afkomst. Rondweg
verteld, had ze hem toch getroffen door den vreemden, bijna modernen
roman, die er achter school. Een mooie vrouw, alles opofferend voor
een dolle passie. Een paar weken van hartstochtelijk geluk,
onderbroken door een lage, verraderlijke misdaad. Maanden van stomme
smart, een kind in verdriet geboren. De moeder, door den dood
weggerukt; de jongen, overgelaten aan de eenzaamheid en de tirannie
van een ouden man zonder hart. Ja, het was een artistieke achtergrond.
De jongen kwam er goed tegen uit; het volmaakte hem. Achter ieder mooi
ding schuilt iets tragisch ...
Hoe bekoorlijk was hij geweest, den vorigen avond aan het diner, toen
hij met verschrikte oogen en half geopende lippen in een genot vol
huivering tegenover hem had gezeten in de club, waar de roode
kaarsschermpjes de ontwakende verwondering op zijn gelaat nog warmer
purperden! Tot hem te spreken was als het spelen op een fijnbesnaarde
viool. Hij trilde bij iedere aanraking, iedere streek van den stok ...
Er was iets schrikkelijk bezielends in het uitoefenen van invloed.
Geene andere bezigheid was aan die gelijk ... O, men kon van hem een
wereldveroveraar of een stuk speelgoed maken. Hoe jammer, dat zoo iets
moois vergaan moest ... En Basil, hoe interessant was die niet, uit
een psychologisch oogpunt beschouwd. Een nieuwe manier in zijn kunst,
een frissche blik op het leven, hem zoo vreemd ingegeven door het
fyzieke bijzijn van iemand, die zich zijne eigene bekoring zoo geheel
onbewust was.
...Ja, hij zoû probeeren te zijn voor Dorian Gray, wat de jongen,
zonder het te weten, was voor den schilder, die dat portret gemaakt
had. Hij zoû trachten hem te beheerschen, hij was inderdaad al goed op
weg. Hij zoû die vreemde ziel tot zijn eigendom maken. Daar was iets
boeiends in dat kind van Dood en Liefde.
Eensklaps stond hij stil, en zag op naar de gevels. Hij bemerkte, dat
hij het huis zijner tante voorbij was, en, lachend over zichzelven,
keerde hij terug. Toen hij de, ietwat donkere gang binnenkwam, zeide
de butler hem, dat men reeds aan tafel was. Hij gaf een van de knechts
hoed en stok en ging in de eetzaal.