Een maand later. Dorian Gray lag in een fauteuil in de bibliotheek van
Lord Henry's huis in Mayfair.
Lord Henry was er zelve nog niet. Hij was laat uit principe; zijn
principe was, dat stiptheid de dief van den tijd is. De jongen zag er
wat gemelijk uit, terwijl hij met lustelooze vingers bladerde in een
prachtexemplaar van Manon Lescaut, dat hij op een der boekenplanken
had gevonden.
Het deftige, eentonige getik van de Louis XIV klok verveelde hem. Een
paar malen had hij reeds weg willen gaan.
Eindelijk hoorde hij buiten een stap en de deur ging open.
--Wat ben je laat, Harry, sprak hij zacht.
--Ik vrees, dat het Harry niet is, Mr. Gray, antwoordde een hooge
stem.
Hij wendde zich om, stond op.
--O pardon, ik dacht ...
--U dacht, dat het mijn man was. Het is maar zijn vrouw. Ik zal
mijzelve maar voorstellen. Ik ken u heel goed door uw portretten. Ik
geloof, dat mijn man er zeventien van heeft.
--Zeventien, Lady Henry?
--Nu, achttien dan. En ik zag u laatst met hem in de opera.
Zij lachte zenuwachtig, terwijl zij sprak en hem opnam met haar vage
vergeet-me-niet-blauwe oogen. Zij was eene vreemde vrouw; haar
toiletten schenen in een warrelwind ontworpen en in een stormwind
aangedaan te zijn. Zij was gewoonlijk verliefd op iemand en daar hare
passies nooit beantwoord werden, had zij al hare illuzies behouden.
Zij deed haar best er schilderachtig uit te zien, maar bracht het niet
verder dan slordigheid. Zij heette Victoria en had een manie van naar
de kerk te gaan.
--Dat was met Lohengrin, Lady Henry, geloof ik.
--Ja, het was met dien heerlijken Lohengrin. Ik hoû het allermeest van
Wagners muziek. Die klinkt zoo hard, dat je altijd door kan spreken,
zonder dat iemand het hoort, vindt u niet, Mr. Gray?
Hetzelfde zenuwachtige staccato-lachje kwam weêr over hare dunne
lippen en hare vingers speelden met een lang schildpadden vouwbeen.
Dorian glimlachte en schudde het hoofd.
--Ik vrees, dat ik het niet met u eens zal zijn, Lady Henry. Ik spreek
nooit onder muziek, tenminste onder goede muziek. Wanneer men slechte
muziek hoort, is het niet meer dan zijn plicht die te overpraten.
--O dat is iets van Harry, nietwaar Mr. Gray? Ik hoor altijd Harry's
ideeën door zijn vrienden. Dat is voor mij de eenige manier ze te
hooren. Maar u moet niet denken, dat ik niet van goede muziek hoû. Ik
ben er dol op, maar ik ben er bang voor. Het windt me te veel op! Ik
heb pianisten aangebeden, soms twee te gelijk, beweert Henry. Ik weet
niet wat ze voor charme voor me hebben. Misschien is het omdat ze
vreemdelingen zijn. Dat zijn ze toch allemaal, niet waar? Zelfs zij,
die in Engeland geboren zijn, worden vreemdeling na een poosje, niet
waar? Het is erg knap van hen, een heel compliment aan de kunst. Het
wordt daardoor ook heel cosmopolitisch, vindt u niet? U is nooit op
een van mijn soirées geweest, niet waar Mr. Gray. Maar u moet bepaald
eens komen. Orchideeën zijn me te duur, maar ik spaar geen moeite om
vreemdelingen te hebben. Zij stoffeeren een salon zoo aardig. Maar
hier is Harry. Harry, ik kwam hier om je wat te vragen, ik ben het nu
vergeten, en ik vond Mr. Gray. Wij hebben heel prettig samen gesproken
over muziek. Wij hebben zoo precies dezelfde ideeën. O neen, toch
niet, zij waren juist zeer uiteenloopend. Maar hij is heel aardig
geweest. Ik ben blij hem ontmoet te hebben.
--Dat doet me pleizier, lieve, zeer veel pleizier, zei Lord Henry, de
sikkels zijner donkere wenkbrauwen optrekkend en beiden aanziende met
een glimlach van-voor-den-gek-houden ...
--Het spijt me, dat ik zoo laat ben, Dorian. Ik was uitgegaan op een
stuk oud brokaat in Wardour Street en ik moest wel een uur bieden en
loven. Tegenwoordig weet iedereen den prijs van alles en niemand de
waarde van iets.
--Maar ik moet nu weg, riep Lady Henry, een benauwende stilte
verbrekend, met haar kinderachtig lachje. Ik heb beloofd met de
Hertogin te gaan rijden. Goeden dag, Mr. Gray. Adieu Harry. Je gaat
zeker uit dineeren, niet waar? Ik ook. Misschien zie ik je nog wel bij
Lady Thornburg.
--Dat kan wel, zei Lord Henry, de deur achter haar sluitend, terwijl
zij de kamer uitzweefde, met iets van een paradijsvogel, die een nacht
in den regen heeft gestaan, een geur van frangipani achter zich
latend. Toen stak hij een cigarette op en wierp zich neêr op de bank.
--Trouw nooit een vrouw met geel haar, Dorian, zei hij, na een paar
trekken.
--Waarom?
--Omdat ze zoo sentimenteel zijn.
--Maar ik hoû wel van sentimenteele menschen.
--Trouw nooit, Dorian. Mannen trouwen uit moêheid en vrouwen uit
nieuwsgierigheid; beiden worden teleurgesteld.
--Ik geloof niet, dat ik ooit trouwen zal, Harry. Ik ben veel te
verliefd. Dat is een van je aforismen. Ik breng ze nu in praktijk,
zooals alles wat jij zegt.
--En wie is de gelukkige? vroeg Lord Henry na een pauze.
--Een actrice, zei Dorian Gray met een kleur. Lord Henry haalde de
schouders op.
--Nog al een banaal debuut.
--Als je haar zag, zoû je dat niet zeggen, Harry.
--Wie is ze?
--Ze heet Sybil Vane.
--Nooit gehoord.
--Neen, niemand heeft van haar gehoord. Maar eens zal ze beroemd
worden, want ze is een genie.
--Beste jongen, geen vrouw is ooit een genie. Vrouwen zijn het
decoratieve geslacht. Ze hebben nooit veel bizonders te vertellen,
maar wàt ze zeggen, zeggen ze aardig.
--Harry!
--Beste Dorian, het is de zuivere waarheid. Ik bestudeer op het
oogenblik de vrouwen. Ik moet het dus wel weten. Ik ben tot de slotsom
gekomen, dat er maar twee soorten van vrouwen zijn: leelijke en
geverfde. Leelijke vrouwen zijn heel nuttig. Als je een reputatie van
soliditeit wilt maken, heb je er maar een aan het souper te brengen.
De andere vrouwen zijn allerliefst, maar ze hebben één fout. Ze verven
zich om er jong uit te zien. Onze grootmoeders verfden zich om een
brillante conversatie te hebben. Vroeger gingen rouge en esprit samen.
Dat is nu voorbij. Zoolang een vrouw er tien jaar jonger uitziet dan
haar dochter, is ze volmaakt tevreden.
Maar wat de conversatie betreft, zijn er in heel Londen maar vijf
vrouwen, waar je meê praten kan, en twee ervan kan je niet in
fatsoenlijk gezelschap brengen. Maar vertel jij nu over je genie. Hoe
lang ken je haar?
--O Harry, je maakt me bang.
--Kom! Trek het je maar niet aan. Hoe lang ken je haar?
--Drie weken.
--En waar heb je haar ontmoet?
--Dat zal ik je vertellen, Harry, maar je moet er niet om lachen. Want
eigenlijk zoû het ook nooit gebeurd zijn, als ik jou niet ontmoet had.
Je hebt me een dol verlangen gegeven om alles van het leven te kennen.
Dagen nadat ik je ontmoet had, scheen een vuur in mij te gloeien. In
de lucht om mij heen scheen een exquis vergift te hangen. Ik had een
passie voor sensaties ... Wel, op een avond, om een uur of zeven, ging
ik op avonuren uit. Ik voelde, dat ons grijs, wijd Londen met zijn
duizenden menschen, en zijn schitterende zonden, zooals je het eens
noemde, iets voor mij in petto had. Ik dacht me duizend dingen. Het
gevaar alleen al gaf me een gevoel van heerlijkheid. Ik herinnerde mij
wat je den eersten wonderen avond, toen wij samen dineerden, gezegd
had: omtrent het zoeken naar schoonheid als naar het werkelijke geheim
van het leven. Ik weet niet wat ik verwachtte, maar ik ging uit en
dwaalde naar East End, waar ik gauw mijn weg verloor in een labyrinth
van vuile straatjes, en donkere dorre pleinen. Om een uur of half
negen kwam ik voorbij een bespottelijk klein theater, met groote
flikkerende gaslichten en bonte affiches. Een afschuwelijke jood in
den vreemdsten rok, dien ik ooit zag, stond in de entrée met een
gemeene sigaar in den mond. Hij had vettige lokken, en een kolossale
diamant schitterde in het midden van zijn vuil hemd.
--Een loge, meneer? riep hij, toen hij mij zag en hij nam zijn hoed af
met een vertoon van pompeuze nederigheid.
Er was iets in hem, Harry, dat mij amuzeerde. Hij was zoo leelijk. Je
zal mij uitlachen, denk ik, maar ik ging er in en betaalde niet minder
dan een pond voor de loge. Tot op het huidige oogenblik weet ik niet,
waarom ik zoo deed, en toch, als ik het niet gedaan had, mijn beste
Harry, zoû ik den interessantsten roman van mijn leven gemist
hebben.--Ik zie wel, dat je me uitlacht. Het is niet aardig van je.
--Ik lach volstrekt niet, Dorian, tenminste niet om jou. Maar je moet
niet zeggen: de interessantste roman van je leven; je moet zeggen: de
eerste roman van je leven. Ze zullen altijd van je houden en jij zal
altijd verliefd zijn, om verliefd te zijn. Een grande passion is het
privilege van menschen, die niets te doen hebben. Dat is de eenige
bezigheid voor werkeloozen. Wees niet bang, daar is nog een heele boel
moois voor je weggelegd. Dit is alleen het begin.
--Denk je, dat ik zoo klein voel? riep Dorian boos.
--Neen, ik geloof juist, dat je diep voelt.
--Hoe meen je dat?
--Beste jongen, menschen die maar ééns in hun leven liefhebben, zijn
in werkelijkheid klein voelend. Wat zij hun loyaliteit en hun
getrouwheid noemen, noem ik óf luiheid van gewoonte of gemis aan
verbeelding. Getrouwheid is voor het gevoelsleven, wat conservatisme
is voor het verstandsleven; niets dan de bekentenis van onmacht.
Trouw, dat moet ik toch eens analyzeeren ... De passie voor het bezit
is er in. Er zijn veel dingen, die we zouden weggooien als we niet
bang waren, dat anderen ze zouden oprapen. Maar laat me je niet
storen, ga voort met je verhaal.
--Nu, daar zat ik dan in een klein leelijk logetje met een gemeen
gordijn voor mij. Ik zag van achteren het gordijntje uit en keek door
de zaal. Het was een kling-klang-boel, niets dan engeltjes en horens
van overvloed, als een bruiloftskaart van de derde soort. De galerij
en de pit waren zoo goed als vol, maar de twee rijen vuile stalles
waren heelemaal leêg, en er was nauwlijks iemand in wat de dresscircle
moest verbeelden. Vrouwen gingen rond met china's-appelen en
gemberbier en door de geheele zaal werden noten geknabbeld.
--Het moet iets geweest zijn als in de gulden dagen van het Britsche
drama.
--Ja zoo iets dergelijks, denk ik, en zeer beklemmend. Ik begon me af
te vragen, wat ik in godsnaam doen zoû, toen ik het affiche zag. Wat
denk je, dat ze gaven, Harry?
--De idioten jongen, of Stom maar onschuldig. Onze voorvaders hielden
van dat stuk, geloof ik. Hoe langer ik leef, Dorian, hoe duidelijker
ik voel, dat wat genoeg was voor onze voorvaders, niet goed genoeg is
voor ons. Zoowel in kunst als in politiek: les grands-pères ont
toujours tort.
--Dit stuk was ook voor ons goed genoeg, Harry. Het was Romeo and
Juliet. Ik moet bekennen, dat het mij hinderde Shakespeare te zien
spelen in zoo een plaats. Maar ik was toch benieuwd. Ik besloot in
ieder geval op de eerste acte te wachten. Er was een afschuwelijk
orkest, gedirigeerd door een jongen jood, die voor een rammelkast van
een piano zat, en dat joeg mij bijna weg. Maar eindelijk ging het
gordijn op en begonnen ze te spelen. Romeo was een dikke oude meneer,
met gekurkte wenkbrauwen, een schone drakenstem en een figuur als een
bierton. Mercutio was bijna even slecht. Hij werd gespeeld door den
bas-comique, die moppen van zijn eigen er in laschte en op den besten
voet was met de pit. Zij waren beiden zoo grotesk als de decoraties en
die waren als uit een kermistent. Maar Julia, Harry! Stel je voor een
meisje, nauwlijks zeventien, een klein gezichtje als een bloem, een
klein Grieksch hoofdje met donkerbruine vlechten, violette oogen als
bronnen van passie! en een mondje als een roos. Ze was het liefste
ding, dat ik ooit in mijn leven gezien had. Je hebt me eens gezegd,
dat pathos je ongevoelig liet, maar dat schoonheid, niets dan
schoonheid, je tot tranen kon roeren. Nu Harry, ik kan je zeggen, dat
ik dit kind nauwlijks kon zien door den nevel, dien ik voor mijn oogen
had. En haar stem--ik heb nooit zoo een stem gehoord. Zij klonk eerst
heel zacht met diepe volle tonen, die je ieder apart scheen te hooren.
Toen klonk zij wat harder en het werd als een fluit of een hobo, in de
verte. In de tuin-scène hoorde je de trillende extaze van nachtegalen,
als zij 's morgens heel vroeg zingen. Later waren er momenten, dat je
de wilde passie van violen in heur stem hoorde. Je weet zelf hoe een
stem je aan kan doen. Jouw stem en die van Sibyl Vane zijn twee
dingen, die ik nooit zal vergeten. Als ik mijn oogen sluit, hoor ik
ze, en ze zeggen ieder iets verschillends. Ik weet niet welke ik
volgen moet. Waarom zoû ik niet van haar houden!--Harry, ik heb haar
lief. Zij is alles voor mij.--Avond aan avond zie ik haar spelen.--Den
eenen avond is zij Rosalind en den volgenden Imogen. Ik heb haar zien
sterven in de somberte van een Italiaansch graf, terwijl zij het
vergift opzoog van de lippen van haar geliefde. Ik heb haar zien
dwalen door de bosschen van de Ardennen, verkleed als een aardige
jongen, in een broek en buis, met een coquet petje op. Zij is
krankzinnig geweest en ze is bij een schuldigen koning gekomen en zij
heeft hem met berouw overstelpt en hem bittere kruiden laten proeven.
Zij is onschuldig geweest en de zwarte handen van jaloezie hebben heur
teeren hals omkneld. Ik heb haar gezien in iedere eeuw en in ieder
kostuum. Gewone vrouwen werken niets op je verbeelding. Ze zijn
begrensd door hun eeuw. Ze veranderen nooit door een toovermacht. Je
kan ze ook altijd vinden. Daar is niets geheimzinnigs om haar heen.
Zij rijden 's morgens in het Park en babbelen 's middags op tea's. Ze
hebben stereotype glimlachjes en geleerde momentjes. Je kent ze door
en door. Maar een actrice! Een actrice is heel wat anders. Harry,
waarom heb je me nooit gezegd, dat de eenige vrouw van wie je houden
kan een actrice is.
--Ik ben er zelf op zooveel verliefd geweest, Dorian.
--O ja, verschrikkelijke wezens met geverfd haar en geverfde
gezichten.
--Vaar nu niet uit tegen geverfd haar en geverfde gezichten. Zij
hebben soms heel veel charme, zei Lord Henry.
--Ik woû, dat ik je niet verteld had van Sybil Vane.
--Dat kon je toch niet nalaten, Dorian. Je heele leven zal je me alles
vertellen wat je doet.
--Ja Harry, dat geloof ik ook. Ik mòet je alles vertellen. Je hebt
zulk een vreemden invloed op me. Als ik ooit een misdaad deed, zoû ik
dat jou bekennen. Jij zoû me begrijpen.
--Menschen zooals jij, de zonnestralen van het leven, begaan geen
misdaden, Dorian. Maar ik dank je in ieder geval voor je compliment.
En zeg me eens--geef me even de lucifers; dank je:--op welken voet sta
je nu eigenlijk met Sybil Vane ...
Dorian vloog op, gloeiende wangen, schitterende oogen.
--Harry! Sybil Vane is heilig!
--Alleen heilige dingen zijn ook de moeite van het aanraken waard,
Dorian, zei Lord Henry, met een vreemden tint van weemoed in zijne
stem. Maar waarom ben je daar boos om? Ze zal toch eens van jou zijn.
Als men verliefd is, begint men zichzelven voor den gek te houden en
eindigt anderen voor den gek te houden. Dat is wat de wereld een roman
noemt. Maar je kent haar toch zeker?
--O, natuurlijk. Den eersten keer, toen ik in dat theater was, kwam
die afschuwelijke oude jood na afloop van de voorstelling bij me en
offreerde me, mij achter de schermen te brengen en aan haar voor te
stellen. Ik was woedend op hem en antwoordde, dat Juliet al eeuwen
dood was en dat haar lijk in een marmeren graf in Verona lag. Ik
geloof, te oordeelen naar zijn blik vol stomme verbazing, dat hij
dacht, dat ik te veel champagne had gedronken.
--Dat verwondert me niets.
--Toen vroeg hij mij of ik voor een van de couranten schreef. Ik zei
hem, dat ik er nooit één las. Toen scheen hij erg teleurgesteld en
vertelde me, dat al de critici tegen hem samenspanden, en dat hij ze
allen zoû moeten omkoopen.
--Dat zoû me niets verwonderen. Maar aan den anderen kant geloof ik,
dat ze niet heel duur zijn.
--Nu, ze schenen hèm te duur te zijn, lachte Dorian. Maar in dien
tusschentijd waren de lichten in de zaal uitgedraaid en ik moest weg.
Hij woû mij een paar sigaren laten probeeren, die hij erg
recommandeerde. Ik bedankte. Den volgenden dag was ik natuurlijk weêr
op dezelfde plaats. Toen hij mij zag, boog hij heel diep en verzekerde
me, dat ik een machtig beschermer van de kunst was. Hij was een
brutale kerel, maar hij had een passie voor Shakespeare. Hij heeft me
verteld, met een soort van trots, dat zijn vijf bankroeten het gevolg
waren van zijne admiratie voor den "Bard", zooals hij hem noemde. Hij
scheen dat een heele distinctie te vinden.
--Het is een distinctie, mijn beste Dorian, een heele distinctie. De
meesten gaan bankroet, omdat ze te veel hebben gezet op het proza van
het leven. Je te ruïneeren door poëzie is een eer. Maar wanneer sprak
je Miss Sybil Vane voor het eerst?
--Den derden avond. Ze had Rosalind gespeeld. Ik kon niet nalaten
achter de schermen te gaan. Ik had haar bloemen toegegooid, en zij had
me aangezien: tenminste,--dat verbeeldde ik me. De oude jood drong
weêr aan. Hij scheen besloten mij bij haar te brengen, ik gaf dus toe.
Vindt je het niet curieus, dat ik in het geheel niet verlangde haar te
kennen?
--Neen, dat vind ik niet.
--Maar Harry, waarom?
--Dat zal ik je wel eens later vertellen. Nu woû ik graag alles van
het meisje hooren.
--Sybil? O ze was erg verlegen en heel lief. Ze heeft iets zeer
kinderlijks. Haar oogen vergrootten zich in een zalige verwondering,
toen ik haar zei wat ik van haar spel dacht, en ze scheen geheel
onbewust van haar talent. Ik geloof, dat we beiden nogal zenuwachtig
waren. De oude jood stond te grinniken in de deur van den muffen foyer
en hield hoogdravende redeneeringen over ons beiden, terwijl wij als
kinderen elkaâr stonden aan te zien. Hij hield vol mij altijd door "My
Lord" te noemen, zoodat ik Sybil moest verzekeren, dat ik volstrekt
geen aanspraak had op dien titel. Toen zei ze heel eenvoudig-weg:
--U lijkt meer op een prins. Ik zal u Prins Charmant noemen.
--Op mijn woord, Dorian, Miss Sybil kan goed complimentjes maken.
--Je begrijpt haar niet, Harry. Ze beschouwde me als iemand uit een
van haar stukken. Ze kent niets van het leven. Ze woont met haar
moeder, een verlepte vrouw, die Lady Capulet speelde in een soort van
magenta-rooden peignoir, en er uitziet of ze betere dagen gekend
heeft.
--O, dat ken ik. Zoo iets maakt me akelig, murmelde Lord Henry, naar
zijne ringen turend.
--De jood woû me haar geschiedenis vertellen, maar ik zei, dat het me
niet schelen kon.
--Je hadt groot gelijk. Daar is altijd ontzettend veel vulgaire in de
tragedies van andere menschen.
--Sybil is het eenige waar ik om geef. Wat kan het mij schelen! waar
zij vandaan komt. Van haar hoofdje tot haar voetjes is zij volmaakt
hemelsch. Iederen avond ga ik haar zien spelen en iederen avond is zij
verrukkelijker.
--O, is dat de reden, dat je tegenwoordig nooit meer met me dineert.
Ik dacht, dat je iets heel interessants om handen had. Dat heb je nu
ook wel, maar het is toch niet wat ik verwachtte.
--Maar Harry, iederen dag lunchen en soupeeren we toch samen, en ik
ben heel dikwijls naar de opera geweest met je, zei Dorian, met
verwondering in zijn blauwe oogen.
--Je bent altijd verschrikkelijk laat.
--Maar ik moet Sybil gaan zien, riep hij, al is het dan ook één acte.
Ik smacht naar haar tegenwoordigheid en als ik denk aan de wondere
ziel, verborgen in dat kleine ivoren lichaam, voel ik een eerbiedige
vrees in me.
--Je kunt van avond toch wel met me dineeren, Dorian, niet waar?
Hij schudde het hoofd.
--Van avond is zij Imogen, antwoordde hij, en morgen Juliet.
--Wanneer is zij Sybil Vane?
--Nooit.
--Ik feliciteer je.
--Je bent afschuwelijk. In haar zijn al de heldinnen van de wereld
vereenigd. Zij is meer dan één persoon. Je lacht, maar ik verzeker je,
dat zij een genie is. Ik heb haar lief en ik moet maken, dat zij mij
ook lief krijgt. Jij, die alle geheimen van het leven kent, zeg me hoe
ik Sybil Vane daartoe moet betooveren. Ik wil Romeo jaloersch maken.
Ik wil, dat al haar minnaars, die nu dood zijn, ons lachend geluk
zullen hooren en er om treuren. Ik wil, dat de adem van onze passie
hun stof zal opwekken en hun asch zal doen lijden. Groote God, Harry,
ik aanbid haar.
Terwijl hij sprak, liep hij de kamer op en neêr. Koortsig rood gloeide
op zijne wangen. Hij was zeer opgewonden.
Lord Henry volgde hem met een verfijnd genot. Hoezeer verschilde hij
nu van den verlegen knaap, dien hij in het atelier van Basil Hallward
ontmoet had. Zijne natuur had zich ontwikkeld als eene bloem en droeg
bloesems als vurig purper. Zijne ziel was geslopen uit hare geheime
schuilplaats, hartstocht tegemoet.
--En wat denk je nu te doen? vroeg Lord Henry eindelijk.
--Ik woû, dat jij en Basil eens met me meêgingt om haar te zien
spelen. Ik ben niets bang voor den uitslag. Je zal dan zeker moeten
bekennen, dat ze talent heeft. Dan moeten wij haar uit de handen van
dien jood zien te krijgen. Zij is aan hem verbonden voor drie jaar,
tenminste twee jaar en acht maanden. Ik zal hem natuurlijk wat moeten
betalen. Als dat alles geregeld is, koop ik een West-End theater en
lanceer haar. Zij zal het publiek stormenderhand innemen, zooals zij
het mij gedaan heeft.
--Dat is onmogelijk, mijn beste jongen.
--Toch zal ze het doen. Ze heeft niet alleen kunst in zich, fijn
instinct voor kunst, maar zij is een persoonlijkheid, en je hebt mij
dikwijls gezegd, dat de wereld beheerscht wordt door personaliteiten,
en niet door principes.
--Nu, wanneer zullen we gaan?
--Laat eens zien: vandaag is het Dinsdag. Laat ons het op morgen
houden. Ze speelt Juliet morgen.
--Goed. Om acht uur in de Bristol, en ik zal Basil meêtroonen.
--Acht uur! Maar Harry, als je blieft niet. Half zeven. We moeten er
zijn vóór het gordijn opgaat. Je moet haar zien in de eerste acte, als
ze Romeo ontmoet.
--Half zeven?... Wat een uur! Het zal iets zijn of je slappen bouillon
drinkt of dat je een Engelsch romannetje leest. Laten we dan zeven uur
zeggen. Welk fatsoenlijk mensch dineert nu vóór zeven? Zie je Basil
nog vóór dien tijd, of zal ik hem schrijven?
--Die goede Basil. Ik heb hem de geheele week nog niet gezien. Het is
niets lief van me, want hij heeft me mijn portret gezonden in een
prachtige lijst, door hemzelven ontworpen, en hoewel ik wel een beetje
jaloersch ben van dat portret, dat een heele maand jonger is dan ik,
moet ik bekennen, dat het mij toch aangenaam aandoet ... Misschien is
het toch maar beter, dat jij hem schrijft. Ik zie hem liever niet
alleen. Hij zegt dingen, die mij hinderen. Hij geeft me altijd goeden
raad.
Lord Henry glimlachte.
--De menschen houden er van juist dat weg te geven, wat ze zelf het
meest noodig hebben. Ik noem dat overmaat van edelmoedigheid.
--O, Basil is een goede vent, maar voor mij heeft hij iets van een
Filistijn. Sedert ik jou ken, Harry, heb ik dat uitgevonden.
--Mijn beste jongen, Basil legt al het moois, dat hij heeft, in zijn
werk. Bijgevolg blijft er niets over voor het leven dan zijn
vooroordeelen, zijn principes en zijn verstand. De eenige artisten,
die ik gekend heb met persoonlijke charmes, waren slechte artisten.
Goede artisten bestaan alleen in hetgeen zij voortbrengen, en zijn dus
bijgevolg alleronbeduidenst als mensch. Een groot dichter, een
werkelijk groot dichter is het meest prozaïsche van alle schepsels.
Maar mindere dichters zijn allercharmantst. Hoe slechter hun rijm is,
hoe schilderachtiger, zij er zelf uitzien. Alleen het feit een boek
uitgegeven te hebben met sonnetten van de tweede soort, maakt een man
onweêrstaanbaar. Hij leeft de poëzie, die hij niet uiten kan; anderen
uiten de poëzie, die zij niet tot werkelijkheid durven maken.
--Zoû dat waarlijk zoo zijn, Harry? vroeg Dorian Gray. Het zal wel,
als jij het zegt. Vergeet onze afspraak niet voor morgen. Adieu.
Toen hij de kamer verliet, vielen Lord Henry's zware oogleden toe en
begon hij te denken. Het was waar: weinig menschen hadden hem zoo
geïnteresseerd als Dorian Gray en toch gevoelde hij niet de minste
pijn van verongelijking of afgunst om de opgewonden aanbidding van den
jongen voor een ander. Het deed hem zelfs pleizier. Het maakte de
studie nog belangwekkender. Hij was altijd aangetrokken door de
methode van natuurlijke historie; maar hare gewone onderwerpen vond
hij triviaal en van weinig belang. Hij was dus begonnen zichzelven te
ontleden, zooals hij nu eindigde met anderen te ontleden. Alleen het
leven van de ziel scheen hem de moeite van uitpluizen waard. Daarbij
kon niets vergeleken worden. Bij het bestudeeren van het leven, met
zijn vreemd dooreengewarrel van smart en geluk, kon men zich het
gelaat niet bedekken met een masker van glas, kon men niet beletten,
dat mist kroop over de hersenen en de verbeelding troebel maakte met
monsterideeën en wanschapen droomen. Er bestonden zulke subtiele
vergiften, dat men ze, tot walgens toe, moest gebruiken, wilde men er
de essence van weten. Er bestonden ziekten, zoo vreemd, dat men ze
moest doorgemaakt hebben, wilde men hun karakter kennen. En toch, hoe
groot de belooning! Hoe vreemd het geheele samenstel van de wereld!
Welk een genot de vreemd-harde logica van het passieleven tegen het
emotievolle kleurrijke leven van het verstand. Op te merken, waar ze
elkaâr ontmoeten en waar ze zich scheiden, waar ze samen smelten en
waarin zij verschil vormen! Wie vroeg naar den prijs? Men kon immers
eene sensatie nooit te duur betalen.
Hij was zich bewust--en de gedachte bracht glans van genoegen in zijne
bruine agaten oogen: het was door woorden van hèm,--woorden van muziek
met eene stem van muziek geuit,--dat Dorians ziel zich getrokken
voelde tot die vrouw vol blanke reinheid en zich voor haar boog in
aanbidding. De jongen was voor een groot gedeelte zijne eigen
schepping. Hij had hem vroeg rijp gemaakt. Dat was reeds iets. Gewone
menschen wachten tot het leven zijne geheimen aan hen openbaart, maar
enkelen, den uitverkorenen, worden de mysteries van het leven
geopenbaard, nog vóór de sluier is weggetrokken. Soms was dit het
effect der kunst, en vooral van literatuur, die onmiddellijk werkt op
passies en intellect. Maar nu en dan nam eene gecompliceerde
persoonlijkheid de plaats in en deed het werk van de kunst, was in
zijn genre een waar kunstvoorwerp, want het leven zelve ook heeft
zijne elaborate meesterstukken, evenals poëzie, plastiek of
schilderkunst.
Ja, de jongen was vroeg rijp. Hij haalde zijn oogst al binnen, terwijl
het nog lente was. Het leven en de hartstocht der jeugd sliepen nog in
hem, maar hij werd zichzelven al bewust. Het was heerlijk hem gade te
slaan. Met zijn mooi gezicht en zijne mooie ziel, was hij wel iets om
te bewonderen. Het deed er niet toe hoe dit alles eindigen zoû, hoe
het voorbestemd was te eindigen. Hij was als een van die gracieuze
figuren in een marionettenspel of in eene feërie, wier genoegens ver
van ons staan, maar wier smarten ons schoonheidsgevoel roeren, en wier
wonden zijn als roode rozen.--Ziel en lichaam, lichaam en ziel, hoe
mysterievol waren zij. Daar was dierlijkheid in de ziel en het lichaam
had zijne oogenblikken van spiritualiteit. De zinnen konden zich
verfijnen en het intellect kon verbeestelijken. Wie kon zeggen waar
het impulsie van het vleesch eindigde, waar de impulsie van de ziel
begon? Hoe kleingeestig waren de tegenstrijdige beschrijvingen van
psychologen. En toch, hoe moeilijk was het te kiezen tusschen de
verschillende richtingen. Was de ziel slechts eene schim, die spookte
in een huis vol zonden? Of was het lichaam waarlijk eene
verpersoonlijking van de ziel, zooals Giordano Bruno beweert. De
scheiding van geest en materie was een geheim, evenals de eenwording
van geest en materie een geheim was. Hij vroeg zich af of de
psychologie ooit zoû opgevoerd worden tot zulk eene absolute
wetenschap, dat zelfs de kleinste bron van het leven ons geopenbaard
zoû worden. Zooals zij nu was, begrepen wij onszelven altijd verkeerd
en anderen in het geheel niet. Ondervinding was van geene ethische
waarde. Het was slechts een naam, die de menschen gaven aan hunne
mistastingen. Zedemeesters beschouwden ze in den regel als eene
waarschuwing, hechtten ethische waarde aan ze bij de vorming van
karakters, prezen ze als iets, dat ons leerde, wat wij volgen, wàt
ontwijken moesten, maar er was geene oorspronkelijke kracht in
ondervinding. Ze was evenmin een middel tot handeling als het geweten.
Het eenige, wat ze aanduidde, was: dat de toekomst gelijk zoû zijn aan
het verleden en dat men de zonde, die men ééns gedaan had met afschuw,
nog vele malen zoû doen met genot.
Het was duidelijk, dat de proefondervindelijke methode de eenige was,
waarmeê men tot eene wetenschappelijke analyze van passies kon komen,
en zeker was Dorian Gray een prachtig sujet, dat een rijk en
vruchtbaar resultaat beloofde. Zijne plotselinge opgewonden liefde
voor Sybil Vane was een psychologisch verschijnsel van geen kleine
beteekenis. Zonder twijfel was er veel nieuwsgierigheid bij in het
spel; nieuwsgierigheid en de zucht naar nieuwe sensaties; toch was het
geen eenvoudige maar eene zeer ingewikkelde passie. Wat er in school
van zuiver zinnelijk instinct der jeugd was herschapen door de werking
der verbeelding, veranderd in iets, dat den jongen zelven toescheen
geheel belangeloos te zijn--en het was juist om die reden des te
gevaarlijker.--Want het waren de hartstochten, in de origine waarvan
wij ons bedrogen, die ons het zeerst overheerschten.
Onze zwakste motieven waren die, welke wij ons bewust zijn. Het
gebeurde dikwijls, dat, als wij dachten op anderen proeven te nemen,
wij in werkelijkheid proeven namen op onszelve.
Terwijl Lord Henry hierover zat te droomen, klonk een klop op de deur
en de knecht kwam binnen om hem te herinneren, dat het tijd was zich
voor het diner te kleeden. Hij stond op en zag op straat. De
ondergaande zon had de bovenste ruiten van het huis tegenover gesmeed
in vurig goud. De dakpannen glansden als platen gloeiend metaal. De
lucht daarboven was als eene verwelkte roos. Hij dacht aan het jonge
leven, vlammend rood, van zijn vriend, en vroeg zich af wat het einde
zoû zijn ...
Toen hij over half twaalf thuis kwam, lag een telegram op de tafel in
de gang. Hij opende het en zag, dat het van Dorian Gray was. Hij
meldde, dat hij geëngageerd was met Sybil Vane.