Toen zij binnenkwamen zagen zij Dorian Gray. Hij zat voor de piano,
met zijn rug naar hen toe en hij bladerde in een deel van Schuberts
Waldscenen.
--Je moet ze me leenen, Basil! riep hij uit. Ik wil ze leeren, ze zijn
allerliefst.
--Dat zal er heelemaal van afhangen hoe je vandaag pozeert, Dorian!
--O, ik ben moê van dat pozeeren, en ik heb geen levensgroot portret
van mij noodig, antwoordde hij, op den muziekstoel omdraaiende met de
ongeduldige beweging van een bedorven jongen.
Toen hij Lord Henry in het oog kreeg, tintte een flauwe blos zijne
wangen en schrikte hij op.
--Pardon Basil, maar ik wist niet, dat je iemand bij je hadt.
--Lord Henry Wotton, Dorian, een oud vriend uit Oxford. Ik heb hem
juist verteld hoe uitstekend je pozeerde, en nu bederf je alles.
--Maar u bederft niet mijn genoegen om u te ontmoeten, Mr. Gray, zei
Lord Henry, terwijl hij nader kwam en zijn hand uitstak. Mijn tante
heeft mij dikwijls over u gesproken; u is een van haar lievelingen en,
naar ik vrees, ook een van haar slachtoffers.
--Ik sta tegenwoordig in een zwart blaadje bij Lady Agatha, antwoordde
Dorian, als een kind, dat stout is. Ik beloofde verleden Dinsdag met
haar naar een liefdadigheidsvoorstelling in West End te gaan, en ik
vergat het heelemaal. Wij zouden samen een quatre-mains gespeeld
hebben, drie quatre-mains', geloof ik. Ik weet heusch niet hoe ze me
ontvangen zal; ik ben veel te bang haar nu een visite te maken.
--O, ik zal bij tante wel een goed woordje voor u doen; ze is dol op
u, en ik denk niet, dat het er toe deed of u er was of niet. Het
publiek zal wel gedacht hebben, dat het een quatre-mains was; als
tante Agatha voor de piano zit, maakt ze leven voor twee.
--Dat is een affront voor haar en geen compliment voor mij, antwoordde
Dorian lachend.
Lord Henry zag hem aan. Ja, hij was waarlijk buitengewoon mooi, met
zijne fijn besneden lippen, zijne open blauwe oogen en zijn goud
kroeshaar. Er was iets in zijn gezicht, waarom men hem dadelijk
vertrouwde. Alle openhartigheid van jeugd, en alle jeugdige
hartstochtelijkheid: toch voelde men iets of hij zich onbezoedeld van
de wereld had gehouden. Geen wonder, dat Basil Hallward hem vergoodde.
--U heeft te veel charme om aan filanthropie te doen, Mr. Gray, veel
te veel ...
De schilder was bezig geweest zijne kleuren te mengen en schikte zijne
penseelen klaar. Hij zag er moê uit; toen hij Lord Henry's opmerking
hoorde, zag hij hem aan, aarzelde even, en zei:
--Harry, ik zoû vandaag graag dit portret af maken. Vindt je het erg
onbeleefd van me, als ik je vraag weg te gaan?
Lord Henry glimlachte en keek naar Dorian Gray.
--Moet ik gaan, Mr. Gray? vroeg hij.
--O toe, neen, Lord Henry. Ik merk, dat Basil in een van zijn
vervelende buien is, en ik kan hem niet uitstaan, als hij zoo saai is.
Buitendien ik woû, dat u mij vertelde waarom ik niet aan filanthropie
moet doen.
--Ik geloof niet, dat ik het u vertellen zal, Mr. Gray. Het is zoo een
vervelend onderwerp, dat ik er ernstig over zoû moeten spreken. Maar
ik zal zeker niet weggaan, nu dat u mij gevraagd heeft te blijven. Het
kan je immers zooveel niet schelen, Basil? Je hebt me dikwijls gezegd,
dat je het aangenaam vond, als je modellen met iemand konden praten.
Hallward beet zich op zijn lip.
--Als Dorian het gaarne heeft, kan je natuurlijk blijven. Dorians
grillen zijn voor iedereen wetten, behalve voor hemzelven.
--Je meent het goed, Basil, maar ik moet heusch weg. Ik heb een
afspraak om iemand te ontmoeten bij Orleans. Adieu, Mr. Gray, kom eens
op een middag bij me in Curzon-street. Om een uur of vijf ben ik
meestal thuis. Schrijf mij als u komt. Ik zoû u niet gaarne missen.
--Basil! riep Dorian Gray; als Lord Henry weggaat, ga ik er ook van
door. Jij maakt geen mond open als je aan het schilderen bent, en het
is afschuwelijk vervelend op een estrade te staan en lief te moeten
kijken. Vraag hem te blijven. Ik wil het.
--Blijf, Harry, om Dorian pleizier te doen en om mij pleizier te doen,
zei Hallward, met een strakken blik naar de schilderij. Het is waar,
ik spreek nooit als ik werk en ik luister dan ook niet, en dat moet
heel vervelend zijn voor mijn ongelukkige modellen. Ik verzoek je
vriendelijk te blijven.
--Maar hoe dan met mijn afspraak?
De schilder lachte.
--O, dat komt wel terecht. Ga weêr zitten, Harry. En Dorian, ga jij nu
weêr op de estrade, beweeg je niet en luister niet te veel naar Lord
Henry. Hij heeft op al zijn vrienden een slechten invloed, behalve op
mij.
Dorian Gray stapte op de verhevenheid met het gezicht van een jongen
Griekschen martelaar en trok een moue van verveling tegen Lord Henry,
tot wien hij zich, in eens, getrokken voelde. Lord Henry was zoo heel
anders dan Basil; zij waren een aardig contrast. En hij had zoo een
aangename stem. Na eenige oogenblikken:
--Heeft u waarlijk zoo een slechten invloed, Lord Henry, zooals Basil
beweert?
--Er bestaan geen goede invloeden, Mr. Gray. Iedere invloed is
immoreel, immoreel uit een psychologisch oogpunt.
--Waarom?
--Omdat, zoodra men iemand influenceert, men dien persoon iets van
zijn eigen ziel geeft. Hij denkt niet meer zijn eigen gedachten, hij
voelt niet meer zijn eigen passies. Zijn deugden zijn niet de zijne.
Zijn zonden, als er zoo iets bestaat, zijn geleend. Hij wordt de echo
van een anders muziek, de acteur van een rol, die niet voor hem
geschreven werd. Het levensdoel is zelfontwikkeling, zooveel mogelijk
zichzelve te zijn; daarvoor bestaat men. Tegenwoordig zijn de menschen
bang voor zichzelven. Zij hebben den hoogsten plicht vergeten, den
plicht jegens zichzelven. O ja, zij zijn barmhartig genoeg. Zij voeden
de hongerigen en kleeden de bedelaars. Maar hun eigen zielen
verhongeren en zijn naakt. Er is geen moed meer in ons geslacht.
Misschien hebben we dien ook nooit gehad. Vrees voor de menschen; de
bazis van alle moraliteit; vrees voor God: het geheim van den
godsdienst--zijn de twee dingen, die ons regeeren. En toch ...
--Draai je hoofd een beetje meer naar rechts Dorian, zei de schilder,
verdiept in zijn werk, zich slechts bewust, dat over Dorian's gelaat
eene uitdrukking kwam, die hij daar nooit te voren gezien had.
--En toch--ging Lord Henry voort met zijne zachte stem vol muziek, en
met die bevallige wuiving van hand, die zoo karakteristiek in hem was,
al van Eton af--toch geloof ik, dat als iemand eens zijn leven geheel
en volkomen woû leven, als hij oor gaf aan ieder gevoel, uiting aan
iedere gedachte, werkelijkheid aan iederen droom--de wereld een
frissche wind van genot over zich zoû voelen waaien en wij al onze
middeneeuwsche ziekelijkheden zouden vergeten om terug te keeren tot
het Helleensche ideaal of ... misschien tot iets mooiers, rijkers, dan
het Helleensche ideaal. Maar de moedigste van ons is bang voor
zichzelven. Het aan banden leggen van den wilde in ons wordt ons
tragisch door een zelfontzegging, die het leven verbittert. Wij worden
gestraft voor onze zelfmartelingen. Iedere impulsie, die wij trachten
te smoren, kankert voort in onzen geest en vergiftigt ons. Het vleesch
zondigt ééns en dan is het gedaan, want actie is een soort van
reiniging. Daarna blijft er niets over dan de herinnering aan een
genot of de weelde van een verdriet. De eenige manier om aan een
verleiding te ontkomen, is er aan toe te geven. Strijd er tegen en
je ziel krijgt een ziekelijk verlangen naar de dingen, die ze zich
ontzegd heeft, een wensch naar alles, wat onze slechte wetten slecht
en onredelijk hebben gemaakt. Men zegt, dat de groote wereld-
gebeurtenissen plaats grijpen in de hersens van de menschen. Het
is ook in die zelfde hersens, en ook alleen dáárin, dat de groote
zonden van de wereld gebeuren. Uzelf, Mr. Gray, met uw jonge jeugd,
uzelf heeft al passies gekend, die u angst hebben aangejaagd,
gedachten, die u schrik gaven; droomen, als u sliep, en droomen, als
u wakker was en waaraan de herinnering alleen u doet blozen ...
--Schei uit! stamelde Dorian Gray, schei uit! U overstelpt me. Ik weet
niets te zeggen. Er _is_ een antwoord op alles wat u gezegd heeft,
maar _ik_ kan het niet vinden. Spreek niet. Laat mij denken. Of neen,
laat ik liever niet nadenken ...
Lang stond hij daar, bewegingloos, de lippen half open, de oogen
vreemd glanzend. Hij was zich flauw bewust, dat geheel nieuwe
invloeden in hem werkten. Toch scheen het hem of alles waarlijk uit
hemzelven kwam. De enkele woorden, die Basils vriend tot hem gezegd
had,--woorden, bij toeval geuit, grillige paradoxen--ze hadden eene
geheime snaar geraakt, die nooit te voren beroerd was geworden ...
Muziek had dien zelfden invloed op hem. Muziek had reeds dikwijls hem
zóó getroffen. Maar muziek kon niet spreken. Ze schept niet een nieuwe
wereld, maar een nieuwe chaos in ons. Maar woorden! Woorden! Hoe
vreeselijk waren ze! Hoe klaar, hoe vol van het leven, hoe wreed! Men
kon ze niet ontvluchten. En toch, wat subtiele tooverkracht school in
ze! Ze schenen een plastischen vorm aan vormlooze dingen te geven, en
een geluid te bezitten, even zacht als van een viool. Louter woorden!
Bestond er iets reëelers dan woorden?
Ja, er waren dingen, die hij als jongen nooit begrepen had. Hij
begreep ze nu! Het leven schitterde eensklaps als purper om hem heen.
Het was hem of hij midden door vuur liep. Waarom had hij het nooit te
voren gevoeld ...!
Lord Henry bestudeerde hem met een fijnen glimlach. Hij wist op het
juiste psychologische moment te zwijgen. Zijn studie interesseerde
hem. Hij was getroffen door de plotselinge uitwerking zijner woorden,
en, zich een boek herinnerend, dat hij op zijn zestiende jaar gelezen
had--een boek, dat hèm veel geopenbaard had,--vroeg hij zich af of
Dorian Gray nu een dergelijk oogenblik doorleefde. Hij had een enkele
pijl afgeschoten. Had die getroffen?
Hallward schilderde voort met de breede, krachtige streek, die hem
eigen was, fijn en delicaat van toets, de streek, die men te danken
heeft aan kracht. Hij merkte de stilte niet op.
--Basil, ik ben moê van dat staan, riep Dorian Gray eensklaps uit. Ik
kan niet meer, ik ga wat in den tuin zitten. Het is hier om te
stikken.
--Arme jongen, het spijt me. Als ik aan het werk ben, denk ik aan
niets anders. Maar je hebt nooit beter gepozeerd. Je was doodstil. En
ik heb juist de uitdrukking getroffen, die ik hebben woû, die
lichtschittering in de oogen. Ik weet niet wat Henry je heeft zitten
vertellen, maar dit is zeker, dat hij je gezicht in de juiste plooi
heeft gebracht. Hij heeft je zeker complimentjes gemaakt. Geloof er
maar geen woord van.
--Het waren alles behalve complimentjes. Misschien geloof ik juist
daarom niets van alles wat hij me verteld heeft.
--U weet heel goed, dat u àlles gelooft, zei Lord Henry, met een blik
van droomerige oogen. We zullen samen wat in den tuin gaan. Het is
hier ontzettend warm. Basil, geef ons eens iets koels te drinken, iets
met aardbeien.
--Zeker Harry, bel maar even, en als Parker komt, zal ik hem zeggen
wat te brengen. Ik moet den achtergrond nog wat bijwerken, ik kom
later wel bij je. Dit wordt mijn meesterstuk. Trouwens, het is het nu
al, zooals het daar staat.
Lord Henry ging den tuin in; hij zag hoe Dorian Gray het gezicht
begroef in de volle, koele seringen-trossen en koortsachtig den geur
ervan indronk, als ware die wijn. Hij kwam vlak bij hem en legde de
hand op zijn schouder.
--Dat is heel goed wat u daar doet, fluisterde hij. De ziel geneest
het best door de zinnen, evenals de zinnen door de ziel.
De jongen schrikte en trok zich terug. Hij was blootshoofds, en de
bladeren hadden het gouddraad van zijn haar verward. Vrees was in zijn
oogen, zooals bij iemand, die in eens wakker is gemaakt. Zijne dunne
neusvleugels trilden en een geheime zenuw deed zijn lippen beven.
--Ja, herhaalde Lord Henry, dat is een van de groote mysteries van het
leven: de ziel te genezen door de zinnen en de zinnen door de ziel. U
is een vreemd amalgama. U weet meer dan u zich bewust is, en u weet
minder dan u wilt weten.
Dorian Gray fronste zijn wenkbrauwen en wendde het hoofd om. Maar hij
kon niet nalaten sympathie te voelen voor dien grooten, gracieuzen
jongen man, met zijn romantisch, olijfkleurig gezicht, waarover
vermoeide uitdrukking waasde. Er was iets zeer aantrekkelijks in zijne
zachte, matte stem; zelfs zijne koele, witte handen, fijn als bloemen,
hadden vreemde betoovering in zich. Zij bewogen zich, wanneer hij
sprak, als muziek en schenen zelve taal uit te drukken. Maar toch was
Dorian bang voor hem en hij schaamde zich dien angst. Waarom had een
vreemde hem aan zichzelven moeten openbaren? Hij had Basil Hallward
maanden gekend: die vriendschap zoû hem nooit veranderd hebben.
Plotseling was er iemand gekomen, die hem het mysterie van het leven
had ontdekt. En waar was hij nu bang voor? Hij was toch geen
schooljongen, toch geen meisje? Dwaas was het bang te zijn.
--Laat ons wat in de schaduw gaan zitten, zei Lord Henry. Parker heeft
iets te drinken gebracht en als u hier nog langer in de zon blijft,
verbrandt u en zal Basil u nooit meer schilderen. U moet u niet zoo
laten verbruinen. Dat flatteert niets!
--Wat kan dat schelen? riep Dorian Gray lachend, terwijl zij achter in
den tuin gingen zitten.
--Het moet u juist heel veel kunnen schelen, Mr. Gray.
--Waarom toch?
--Omdat u een bewonderenswaardigheid van jeugd heeft en jeugd is het
eenige op de wereld, de moeite van het bezitten waard.
--Dat voel ik zoo niet, Lord Henry.
--Neen, nu niet. Maar later, als u oud en gerimpeld en leelijk
geworden is, als er lijnen zijn gekomen over uw voorhoofd door het
denken en uw lippen geschroeid zijn door het vuur van afschuwelijke
passies, dàn zal u het voelen, het intens voelen. Overal waar u nu
gaat, palmt u de wereld in. Zal het altijd zoo zijn?... U heeft een
buitengewoon mooi gezicht, Mr. Gray. Fronst niet. Het is zoo. En
schoonheid is een soort van genie, zelfs hooger, want geen uitlegging
is er bij noodig. Het is een van de groote principes van de wereld,
evenals de zon of het voorjaar. De menschen zeggen soms, dat
schoonheid oppervlakkig is; dat is mogelijk, maar ze is tenminste niet
zoo oppervlakkig als gedachte. Schoonheid is voor mij het grootste
wonder, dat er bestaat. O, geniet van uw jeugd zoolang u ze heeft.
Leef. Leef het leven, dat in u is. Laat niets verloren gaan. Zoek
altijd naar nieuwe sensaties. Wees nergens bang voor ...
Dorian Gray luisterde verwonderd met open oogen. Het takje seringen
viel uit zijne hand op het grint. Een bij kwam en gonsde er een
oogenblïk om heen. Toen kroop ze over die bestarrelde globe van kleine
bloemen. Dorian zag er naar met die vreemde belangstelling in
kleinigheden, die wij aan den dag leggen, als iets belangrijks ons
vrees aanjaagt, als een nieuw gevoel in ons trilt, waarvoor wij geene
woorden kunnen vinden; als eene gedachte vol schrik eensklaps beslag
legt op onze hersenen en ons dwingt toe te geven. Na eene pooze vloog
de bij weg. Hij zag haar toen kruipen in den getijgerden kelk van een
Tyreensche convolvulus. De bloem scheen even te sidderen, toen wuifde
ze zachtjes heen en weêr.
De schilder verscheen aan de deur van het atelier en wenkte om te
komen. Zij zagen elkaâr aan en glimlachten.
--Ik wacht! riep hij. Komt binnen. Het licht is uitstekend, en je kan
je glazen meêbrengen.
Zij stonden op en volgden langzaam het pad. Twee wit-en-groene
kapellen fladderden om hen rond; in den pereboom in den hoek van den
tuin begon een merel te zingen.
--Doet het u plezier mij ontmoet te hebben, Mr. Gray? vroeg Lord
Henry, hem aanziende.
--Ja, nu wel. Zal ik het altijd blijven?
--Altijd! Dat is een verschrikkelijk woord. Ik krijg een huivering als
ik het hoor. Vrouwen gebruiken het zoo dikwijls. Ze bederven iederen
roman door hem _altijd_ te willen laten voortduren. En het is een
woord zonder eenige beteekenis. Het eenige verschil tusschen een gril
en een levenslange passie is, dat de gril een beetje langer duurt.
Terwijl zij het atelier binnentraden, legde Dorian Gray zijn hand op
Lord Henry's arm.
--Als dat zoo is, laat onze vriendschap dan een gril zijn, fluisterde
hij, kleurende over zijn eigen vrijmoedigheid; toen stapte hij op de
estrade en nam zijne poze aan.
Lord Henry wierp zich in een groten rieten stoel. De op-en neêrstreek
van het penseel over het doek was het eenige geluid, dat de stilte
brak, tenzij Hallward een paar passen achteruit ging om zijn werk op
een afstand te bezien. In de schuine stralen, die door de opene deur
naar binnen stroomden, dansten de stofatoompjes en zij waren als goud.
De geur der rozen scheen zwaar over alles te drijven. Na een kwartier
hield Hallward op met schilderen, zag Dorian Gray lang aan, beet op
een van zijne lange penseelen, rimpels in zijn voorhoofd.
--Het is klaar! riep hij ten laatste en zich bukkend, schreef hij zijn
naam met lange vermiljoenen letters in den linkerhoek van het doek.
Lord Henry stond op en bezag de schilderij. Het was zeker een
wondervol stuk van kunst, wondervol van gelijkenis.
--Kerel! ik feliciteer je van harte! sprak hij. Het is het mooiste
moderne portret, dat ik tot nu zag. Komt eens hier, Mr. Gray, en
bekijk uzelven.
De jongen schrikte op, als uit een droom.
--Is het waarlijk klaar? murmelde hij, van de estrade stappend.
--Geheel en al! zei de schilder. En je hebt vandaag uitstekend
gezeten, dat moet ik zeggen.
--Dat heb je aan mij te danken, viel Lord Henry daarop in. Niet waar,
Mr. Gray?
Dorian antwoordde niet en langzaam, zonder belangstelling, ging hij
voor het portret staan. Toen ging hij een paar passen terug en een
rood van plezier kwam over zijne wangen. Glans van vreugde kwam in
zijne oogen, als zag hij zich voor het eerst. Hij stond daar stil en
verwonderd, zich flauwtjes bewust, dat Hallward tot hem sprak, maar de
beteekenis zijner woorden niet vattend. Het wezen zijner schoonheid
kwam over hem als eene openbaring. Nooit te voren was dat zoo geweest.
Basil Hallwards complimenten hadden hem steeds toegeschenen als de
lieve overdrijvingen van hun vriendschapsgevoel. Hij had ze
aangehoord, over ze gelachen en ze weêr vergeten. Zij hadden niets op
hem uitgewerkt. Toen was Lord Henry gekomen met zijne vreemde
panegyrie over jeugd; dit had hem een oogenblik getroffen en nu,
terwijl hij stond te kijken naar de afschaduwing van zijn eigen mooi,
nu flitste de waarheid door hem heen. Ja er zoû een dag komen, dat
zijn gezicht oud en gerimpeld zoû zijn, zijn oog dof en zonder kleur,
de gratie van zijn lichaam gebogen en misvormd. Het rood zoû van zijn
lippen verbleeken, het goud uit zijn haar verdwijnen. Het leven, dat
zijne ziel was, zoû zijn lichaam slijten. Hij zoû leelijk worden,
afschuwelijk onsmakelijk. De gedachte hieraan doorstak hem als met de
pijn van een mes en deed iedere zenuw van zijn delicaat wezen
sidderen. Zijn oogen diep-blauwden tot amethyst en er kwam een waas
van vocht over. Het scheen of eene ijzige hand op zijn hart was
gelegd.
--Vindt je het niet mooi? riep Hallward, een beetje geprikkeld, door
het stilzwijgen van den jongen, dien hij niet begreep.
--Natuurlijk vind hij het mooi, zei Lord Henry. Wie zoû het niet mooi
vinden?! Het is een van de mooiste, knapste dingen in moderne kunst.
Ik geef je alles wat je er voor vraagt, ik moet het hebben.
--Het is niet van mij, Henry.
--Van wien dan?
--Van Dorian natuurlijk! antwoordde de schilder.
--Hij is wel af!
--Hoe vreeselijk! murmelde Dorian Gray, starend op het portret. Hoe
vreeselijk! Ik zal oud, leelijk, afzichtelijk worden. Maar dit portret
zal altijd jong blijven. Het zal nooit ouder zijn, dan zooals het nu
is, op dezen dag, in Juni ... O, was het maar omgekeerd! Was _ik_ het
maar die altijd jong bleef, en werd het portret maar ouder! Daarvoor
... dáárvoor! zoû ik alles geven.
--Daar zoû jij dan toch wel tegen zijn, Basil! riep Lord Henry
lachend. Het zoû niet erg flatteus zijn voor je werk.
--Daar zoû ik zeer zeker op tegen hebben, Henry, zei Hallward.
Dorian Gray wendde zich om en zag hem aan.
--Ja, dat geloof ik ook, Basil. Je hebt je kunst meer lief dan je
vrienden. Voor jou ben ik niet meer dan een bronzen beeld. Niet eens
zooveel misschien.
De schilder zag hem met verbazing aan. Het was niets voor Dorian zoo
te spreken. Wat was er gebeurd? Hij scheen zeer boos, zijne wangen
gloeiden.
--Ja, ging hij voort. Voor jou ben ik nog minder dan die ivoren Hermes
of die zilveren Faun. Van die dingen zal je altijd blijven houden. Hoe
lang van mij? Tot ik mijn eersten rimpel heb, zeker! Ik weet nu, dat
als je leelijk wordt, je daarmeê ook alles en alles verliest. Je
schilderij leerde me dat. Lord Henry Wotton heeft volkomen gelijk.
Jeugd is alles. Als ik merk, dat ik oud word ... maak ik me van kant.
Hallward werd bleek en pakte zijne hand.
--Dorian! Dorian! riep hij; spreek zoo niet. Ik had nooit een vriend
zooals jij, en nooit zal ik een ander zoo hebben. Je bent toch niet
jaloersch van dingen van materie, jij, die mooier bent dan wat ook!
--Ik ben jaloersch van alles wat mooi is en mooi blijft, altijd mooi
blijft. Ik ben jaloersch van dat portret, dat je van mij gemaakt hebt.
Waarom zal dàt altijd behouden, wat ik verliezen moet! Ieder moment,
dat voorbij gaat, neemt iets van mij weg, en geeft het aan dat
portret. O, was het dan toch omgekeerd! Veranderde dat portret maar,
en bleef ik altijd, die ik nu ben! Waarom heb je het geschilderd? Eens
zal het mij bespotten, verschrikkelijk bespotten!
Heete tranen kwamen in zijne oogen; hij trok zijne hand weg, gooide
zich op den divan, verborg het gezicht in de kussens, als bad hij.
--Dat is jouw werk, Harry, zei de schilder bitter.
Lord Henry haalde de schouders op.
--Het is de ware Dorian Gray, dat is alles.
--Dat is het niet.
--Als het niet zoo is, wat heb ik er meê te maken?
--Je hadt weg moeten gaan, toen ik het je vroeg, mompelde Basil.
--Ik bleef, toen jij me dat ook vroeg, was het antwoord.
--Harry, ik kan niet op het zelfde oogenblik met mijn twee beste
vrienden kibbelen, maar jullie met je beiden hebt me mijn mooiste werk
leeren haten en ik zal het vernietigen. Wat is het anders dan een doek
met wat kleuren? Ik wil niet, dat het iets leelijks wordt in onze drie
levens.
Dorian Gray hief zich op uit de kussens; met een bleek gezicht met
betraande oogen zag hij naar Basil: hij ging naar de schildertafel
voor het hooge raam. Wat deed hij daar? Zijne vingers rommelden
tusschen tinnen tubes en droge penseelen, als zochten zij iets. Ja,
zij zochten het lange schildersmes met het dunne lemmet van fijn
staal. Eindelijk vond hij het. Hij zoû het doek doorrijten ...
Met een onderdrukten snik sprong de jongen van de bank, vloog op
Hallward toe, wrong hem het mes uit de hand en slingerde het in een
hoek van het atelier.
--Niet doen, Basil, niet doen! kreet hij, het zoû een moord zijn!!
--Ik ben blij, dat je eindelijk mijn werk op éénige waarde stelt,
Dorian, zei de schilder, koelweg. Ik dacht niet, dat je dat nog doen
zoû.
--Op waarde stellen? Maar ik ben er verliefd op, Basil. Het is een
deel van mijzelven. Dat voel ik.
--Nu ... zoodra je droog bent, zal ik je laten vernissen, encadreeren
en thuis zenden. Dan kan je met je eigen doen wat je wilt.
En hij ging naar een hoek van de kamer om voor de thee te bellen.
--Jij drinkt natuurlijk thee, Dorian, niet waar? En jij Harry? Of heb
je een diepe minachting voor zoo een onschuldig genot?
--Ik hoû heel veel van onschuldige genoegens. Maar ik hoû niet van
scènes, behalve op het tooneel natuurlijk. Wat een dwaze kerels zijn
jullie toch allebei! Wie heeft ook weêr gezegd, dat een mensch een
beredeneerd dier was! Het is het voorbarigst oordeel, dat ik ooit
gehoord heb. Een mensch is een heele boel, maar beredeneerd; alles
behalve! Eigenlijk, ben ik er blij om, maar ik woû, dat jullie nu
nooit meer kibbelden over dat portret. Je moest het mij maar geven,
Basil. Het kan dien flauwen jongen eigenlijk niets schelen, en mij
wel.
--Als je het aan iemand anders geeft dan aan mij, Basil, vergeef ik
het je nooit! riep Dorian Gray, en ik geef niemand permissie mij een
flauwen jongen te noemen.
--Je weet, dat het portret van jou is, Dorian. Ik gaf het je, nog vóór
het bestond.
--En u weet heel goed, dat u een heel klein beetje flauw geweest is,
en dat u het eigenlijk ook zoo heel naar niet vind er aan herinnerd te
worden, dat u nog zeer jong is.
--Ik zoû het van morgen wel degelijk heel naar gevonden hebben, Lord
Henry.
--O van morgen! U heeft "geleefd" na dien tijd ...
Een klop op de deur en de butler kwam binnen met een beladen theeblad;
hij zette het neêr op een Japansch tafeltje. Daar was een gerinkel van
kopjes en schoteltjes en het sissen van een geribden zilveren ketel.
Twee porceleinen schalen werden door een knechtje binnen gebracht.
Dorian Gray ging naar het tafeltje en schonk thee.
--Laat ons van avond naar de komedie gaan, zei Lord Henry. Daar zal
ergens wel wat moois gegeven worden. Ik heb wel een afspraak om in
White te komen dineeren, maar het is een oud vriend; ik kan hem dus
wel telegrafeeren, dat ik ziek ben, of dat ik verhinderd ben te komen
door een latere afspraak. Mij dunkt, dat is nogal een aardig succes;
het zoû de verrassing van openhartigheid hebben.
--Het is zoo vervelend je in een rok te steken, mompelde Hallward. En
als je hem eens aan hebt, ben je afschuwelijk.
--Ja, antwoordde Lord Henry; ons toilet van de 19de eeuw is heel
leelijk. Het is zoo somber, zoo saai. Zonde, dat is eigenlijk het
éénige wat een kleurtje geeft aan het moderne leven.
--Je moet werkelijk zulke dingen niet zeggen, als Dorian er bij is,
Harry!
--Welke Dorian? Die daar voor ons thee schenkt of die van het portret?
--Voor geen van beiden.
--Ik zoû wel met u naar de opera willen gaan, Lord Henry, zei de
jongen.
--Dat is heel goed: jij gaat toch ook meê, Basil?
--Neen, ik kan niet, waarlijk liever niet. Ik heb nog een boel te
doen.
--Nu, dan zullen wij samen gaan, Mr. Gray.
--Dat vind ik heel prettig.
De schilder beet zich op de lippen en ging met zijn kopje in de hand
voor de schilderij staan.
--Ik zal bij den waren Dorian blijven, sprak hij weemoedig.
--Is dat de ware Dorian? vroeg het origineel bij hem komend. Lijk ik
daar heusch op?
--Ja precies.
--Hoe wreed, Basil!
--Ten minste uiterlijk. Maar dàt zal nooit veranderen! zuchtte
Hallward. Dat is tenminste iets.
--Wat een drukte maken de menschen toch over trouw! riep Lord Henry
uit. Lieve hemel! zelfs in de liefde is het niets dan een fyziologisch
verschijnsel. Het heeft niets met onzen wil te maken. Jonge lui willen
trouw zijn, maar blijven het niet; oude lui willen ontrouw zijn, maar
kunnen niet; dat is alles wat je er van zeggen kan.
--Ga van avond niet naar de opera, Dorian! zei Hallward. Blijf bij mij
dineeren.
--Ik kan niet, Basil.
--Waarom niet?
--Omdat ik Lord Henry Wotton beloofd heb met hem meê te gaan.
--Hij zal niets meer van je houden, omdat jij je belofte trouw bent.
Hij verbreekt altijd de zijne. Ik verzoek je niet te gaan.
Dorian Gray lachte en schudde het hoofd.
--Ik smeek je.
De jongen aarzelde en zag naar Lord Henry, die hen met een glimlach
vol vermaak opnam.
--Ik moet heusch gaan, Basil, antwoordde hij.
--Heel goed, zei Hallward, en hij zette zijn kopje op het blad neêr.
Het is al laat en daar je je nog kleeden moet, mag je wel gaan. Dag
Harry. Dag Dorian. Kom weêr eens gauw bij mij. Kom morgen.
--Goed.
--Zal je het niet vergeten?
--Neen, natuurlijk niet! riep Dorian.
--En ... Harry!
--Ja, Basil.
--Denk aan hetgeen ik je vroeg, vanmorgen, in den tuin.
--Ik ben het vergeten.
--Ik vertrouw op je.
--Ik woû, dat ik mezelven kon vertrouwen, lachte Lord Henry. Kom, Mr.
Gray, mijn coureuse is voor en ik kan u even thuis afzetten. Adieu
Basil. Ik heb een interessanten middag gehad.
Terwijl de deur achter hen dicht sloeg, wierp de schilder zich op zijn
bank; een trek van smart kwam over zijn gelaat.