„Wel, nu nog mooier! Maar mijn naam is immers Baxter!”

Juwelier Brill staarde den inspecteur met wijd geopende oogen aan.

Eindelijk stamelde hij:

„Gij—gij—gij zijt—de—inspecteur van politie?”

„Ja!” schreeuwde Baxter. „Twijfelt gij daar soms aan? Vraag het dan

mijn secretaris of mijn beambten!”

De juwelier keek herhaaldelijk van den inspecteur naar detective

Marholm.

„Gij—gij—gij zaagt er echter—een paar uur geleden geheel anders uit.”

„Zijt gij dronken?” schreeuwde Baxter, denkend, dat de man zich een

scherts veroorloofde.

„Ik drink niet,” antwoordde de juwelier op beleedigden toon. „Maar het

schijnt, dat gijzelf wat op hebt. Gij ruikt er tenminste naar!”

„Zwijg!” beval de inspecteur. „Waarmee bemoeit gij u?”

De juwelier haalde de schouders op en gaf ten antwoord:

„Ik bemoei mij evenveel met u als gij dat met mij doet.”

„Als gij hier brutaal wordt, laat ik u er door mijn beambten uitgooien.

Wat wenscht gij eigenlijk van mij?”

„Mijn brillanten, die hier bij u zijn.”

Inspecteur Baxter zette de handen in de zijden en schreeuwde:

„Wat wilt gij?”

„Mijn brillanten, die hier bij u zijn!”

„Wat gaan mij uw brillanten aan?”

„O, heel veel. Gij hebt ze in bewaring genomen.”

Inspecteur Baxter hield den adem in.

Dat was meer dan hij kon verdragen.

Deze man was ongetwijfeld krankzinnig.

Baxter bedwong zich derhalve, hoewel zijn vingers jeukten om den

onbeschaamden kerel eruit te gooien.

„Zeg eens, mijn waarde,” zoo begon hij, „zijt gij al eens in een

koudwaterinrichting geweest?”

Juwelier Brill, die zich heel gauw beleedigd gevoelde, keek den

inspecteur met een verachtelijken blik aan en antwoordde:

„Ik zou u raden, eens in een dergelijke inrichting te gaan. Gij schijnt

zeer zenuwachtig te zijn.”

„Wilt gij een beambte beleedigen?”

De politie-inspecteur werd purperrood.

„Beleedig mij niet, dan kom ik niet in de verzoeking u te grieven.”

Detective Marholm, die tot nu toe belangstellend naar de beide

kemphanen had gekeken, kwam nu naderbij om opheldering te geven.

„Wie heeft u hier besteld?” vroeg hij den juwelier.

„Ik zei u reeds,” antwoordde Brill, „de inspecteur van politie uit

Scotland Yard, teneinde mij de brillanten weder ter hand te stellen.”

„De man is stapelgek,” zuchtte inspecteur Baxter. „Misschien vertelt

hij straks nog, dat ik ze hem ontstolen heb.”

„Pardon,” antwoordde de juwelier, „ik zal in geen geval beweren, dat u

degene geweest is, die zich aan mij als inspecteur van politie Baxter

heeft voorgesteld.”

„Dus ik was het niet?” riep Baxter uit.

„Neen, u was het niet!” gaf de juwelier ten antwoord. „Die persoon zag

er heel anders uit.”

Nu ontwaakte in Baxter de detective.

Hij werd wakker.

Met een handbeweging noodigde hij den juwelier uit, plaats te nemen,

nam aan de schrijftafel plaats en begon:

„Laat ons eens van voren af aan beginnen. Hier schijnt een misverstand

plaats te vinden.

„Gij zijt de juwelier Brill?”

De gevraagde boog en antwoordde:

„Ik ben James Brill, eigenaar van de juweliersfirma gebroeders Brill in

de Oxfordstraat.”

„Mooi,” sprak Baxter, „en men heeft u om zes uur hier besteld?”

„Zoo is het. Ik moest bij den inspecteur van politie Baxter komen op

kamer 32.”

„Allright,” antwoordde de inspecteur. „Kamer 32 is het vertrek, waarin

gij u bevindt, het is een paar minuten over zessen en

politie-inspecteur Baxter ben ik. Wat wenscht gij van mij?”

„Mijn brillanten!” klonk het uit den mond van den juwelier.

„Welke brillanten?”

„De brillanten, die door een van uw beambten, of liever door twee,

ontnomen zijn aan een oplichter, die ze bij mij voor valsch geld heeft

gekocht.”

Baxter liet een langgerekt „hm” hooren.

Hij begreep er niets van.

„Bij mij zijn geen brillanten,” sprak hij, „en geen enkele van mijn

beambten heeft ze tot op dit oogenblik bij mij ingeleverd.”

„Dat begrijp ik niet.”

Nu mengde zich de vloo in het gesprek met de opmerking:

„Verschillende van onze beambten zijn nog niet van hun dienst terug.

„Misschien wordt straks het misverstand nog opgehelderd.”

„Dat is heel waarschijnlijk.”

„Om welk soort van brillanten handelt het?”

„Om een paarlencollier ter waarde van 14,000 pond sterling, een

brillanten broche en twee ringen. Alles te zamen over de 16,000 pond

sterling.”

„Een reusachtige prijs,” riep de inspecteur van politie Baxter uit,

„maar wat drommel, wie van mijn beambten zou de brillanten bij zich

dragen? Dat is toch onzin. Hoe zag die man er uit?”

„Groot, smal gezicht, slank, zeer elegant gekleed—”

„En zijn begeleider?”

„Klein, dat wil zeggen van middelbare grootte, nette gestalte,

baardeloos, frisch gezicht.”

De inspecteur van politie Baxter wendde zich tot de vloo en zei:

„Wie van ons kan dat zijn?”

Detective Marholm trok zijn schouders op en antwoordde:

„Ik kan geen oplossing geven, meneer de inspecteur.”

„Vertelt u mij nog eens de heele geschiedenis.”

Juwelier Brill begon nu, vanaf het verschijnen der dame tot de aankomst

der beide detectives alles mee te deelen.

Toen het verhaal ten einde was, steunde inspecteur van politie Baxter

zijn hoofd tusschen zijn handen en dacht na om een verklaring voor het

voorgevallene te vinden.

Op dat oogenblik kwam de vloo naderbij, boog zich omlaag en fluisterde

hem in ’t oor:

„Het moet beslist Raffles zijn.”

Een wespensteek had geen dollere uitwerking kunnen hebben dan deze

woorden.

Baxter sprong op, liep een paar maal de kamer op en neer en riep:

„Dat geloof ik niet”.

„Zeg liever,” sprak de vloo, „dat u het niet gelooven wilt.”

Na een paar minuten was Baxter in zooverre gekalmeerd, dat hij zich

weer tot zijn bezoeker kon wenden met de woorden:

„Ons is van de geheele geschiedenis niets bekend. Ik vermoed, dat u het

slachtoffer is geworden van een schurkenstreek. Geen van mijn beambten

zou zulke waardevolle voorwerpen zoo lang onder zijn berusting houden,

zonder mij daaromtrent eenige mededeeling te doen.

„Hier in Scotland Yard zit geen in hechtenis genomen dame, ook heb ik

geen brillanten voor u in bewaring en evenmin is mij van valsche

bankbiljetten iets bekend.

„Ik vrees, dat gij bedrogen zijt, meneer Brill.”

De juwelier werd doodsbleek. Het verlies was aanzienlijk.

„Dat is niet mogelijk, ik kan niet denken, dat gij gelijk hebt!”

„Gij zult het toch moeten aannemen.”

Op dit oogenblik kwam de dienstdoende beambte binnen en overhandigde

den inspecteur van politie een brief, dien een loopjongen juist

gebracht had.

Uit zijn humeur over deze stoornis, scheurde inspecteur Baxter hem

open. Een visitekaartje viel in zijn handen, dat hij, nauwelijks

gelezen, met een vloek op den grond slingerde.

„Wat is er?” vroeg detective Marholm.

„Daar hebben wij de oplossing,” riep de inspecteur van politie Baxter

uit, „John Raffles zendt ons zijn visitekaartje en draagt ons op, den

juwelier Brill weer aan zijn brillanten te helpen. Een onbeschaamdheid

zonder weerga.”

De juwelier, die deze woorden mee aangehoord had, trad naar de beide

beambten toe en zei:

„Gij noemdet daar juist den naam Raffles. Gelooft u, dat hij het was,

die mij met de juweelen heeft bedrogen?”

„Juist,” antwoordde de vloo, „het is Raffles. Ik geloof niet, dat het

iemand, wien ook, gelukken zal, hem de sieraden weer afhandig te

maken.”

„Hoe zag die man er uit?” vroeg nu de inspecteur van politie Baxter.

„Als hoedanig had hij zich vermomd?”

„Hij verscheen als dame. Blonde pruik, grijs zijden mantel,

donkerblauwe rok, zijden blouse en een parasol. De handschoenen waren

parelgrijs.”

„Schrijf het signalement op, detective Marholm,” beval Baxter, „geef

het direct op aan alle politieposten. De detectives moeten op straat

scherp op zulk eene dame letten, want het zou kunnen zijn, dat Raffles

in dit costuum een nieuwen truc trachtte uit te voeren.”

„Ik zou dat bevel niet geven,” antwoordde de vloo, „het zou eene massa

onaangenaamheden voor u ten gevolge kunnen hebben.”

„Bemoei u daar niet mee en doe, wat ik u beveel!” riep Baxter.

De juwelier, die niet wist, wat hij hier verder nog zou doen, nam

afscheid en inspecteur Baxter uitte op beleefden toon zijn leedwezen.

Baxter nam aan zijn schrijftafel plaats en dacht na over het

signalement, dat de juwelier hem had gegeven.

Hij had de onaangename gewaarwording, alsof deze zaak hem meer aanging

dan hem lief was.

De vloo keek naar het peinzende gelaat van zijn chef en daar hij niet

kon nalaten dezen man, die volgens Marholms overtuiging alleen door

protectie de betrekking als inspecteur van politie had gekregen, te

plagen, sprak hij:

„Gedurende uw afwezigheid is een zekere mijnheer Webster hier geweest

om te vragen, of gij al weer in dienst waart.

„Toen ik dit bevestigde, meende hij, dat het nachtelijke verlof u niet

goed bekomen was.

„De blonde dame was u waarschijnlijk niet meegevallen.”

Baxter fronste het voorhoofd en keek den secretaris met woedende

blikken aan.

„Wat is dat voor nonsens? Wat voor een blonde dame? Ik ben met geen

enkele dame in gezelschap geweest.”

„Maar Mister Webster zei het toch. Hij dacht dat gij een ontmoeting

hadt gehad met den echtgenoot van die dame.”

„Zwijg!” bulderde de inspecteur, „ik wil er niet van hooren!”

De vloo lachte ironisch.

„Ik geloof toch wel, dat die blonde dame u moet interesseeren!”

Nu keek Baxter den detective met onzekeren blik aan.

Hij voelde plotseling den bodem onder zich wankelen.

Zou Marholm soms iets weten van zijn nachtelijk avontuur in de

Holbornstraat?

Duivels! Dat kon hem zijn betrekking kosten, hier moest dus gehandeld

worden.

„Ik begrijp u niet, Marholm, zelfs al was ik in gezelschap van een dame

geweest, wat heeft dat dan volgens uwe meening met deze zaak te maken?”

Een langgerekt, veelbeteekenend „Wel” van Marholm volgde, hij keek

eenige oogenblikken met bijzondere belangstelling naar de tabakswolken

van zijn pijp en antwoordde:

„Ik weet het niet. Hier bij den juwelier Brill was het een blonde

jongedame en wel, naar wij nu begrijpen, de adsistent van Raffles, en

bij u was het eveneens een blonde dame. Ik zou als detective alles

durven verwedden, dat het niet de echtgenoot van de dame was, met wien

gij een ontmoeting hebt gehad, maar Raffles.”

Inspecteur Baxter keek zijn ondergeschikte met open mond aan.

Zijn hand omknelde krampachtig de leuning van zijn stoel en met een

blik vol ontzetting staarde hij naar de vloo.

Daarop stamelde hij:

„Maar—dat—zou immers—de grootste brutaliteit zijn—die men mij kon

aandoen!

„Als gij werkelijk gelijk hebt, schiet ik dien kerel bij de

eerstvolgende gelegenheid een kogel door de hersens.”

Marholm lachte.

„Daartoe is in de eerste plaats noodig, dat gij hem hebt. Maar gij hebt

het zeldzame geluk, hem te hebben, zonder dat gij het weet.”

„Hij maakt mij gek, die man,” kermde Baxter, zijn hoofd met beide

handen vasthoudend. „Ik word werkelijk krankzinnig, als dit alles waar

is.”

Marholm legde vertrouwelijk zijn hand op den schouder van zijn chef en

sprak:

„Hebt gij veel slaag gehad?”

Een nieuwe blik vol ontzetting trof den detective.

Nu werd het den inspecteur duidelijk, dat zijn ondergeschikte meer wist

dan hij kon vermoeden.

„Ik zweer u,” riep Baxter, „dat niemand mij heeft aangeraakt. Ieder,

die het gewaagd zou hebben was een kind des doods geweest.”

„Nu, nu,” lachte de vloo en de spottende uitdrukking op zijn gelaat

deed Baxter alle kalmte verliezen. „Ik heb bewijzen van het tegendeel.”

Woedend sprong Baxter op en stiet den stoel omver, zoodat deze op den

vloer viel.

„Wat vermeet gij u,” barstte hij los. „Wilt gij uw superieur van

lafhartigheid beschuldigen? Wilt gij deze woorden onmiddellijk

terugnemen? Wilt gij—of ik bega een ongeluk aan u!”

Met woedende oogen keek Baxter den detective aan.

Maar deze bleef kalm.

Op hem maakte de razende en scheldende inspecteur geen indruk meer.

Hij was voor hem niets anders dan een dondermachine, die achter de

schermen een kunstmatig onweer voorstelt.

„Gij zult opnieuw ziek worden, inspecteur. Wind u toch niet zoo op. Gij

moet een beetje meer op uw gezondheid letten.”

„Ja, dat is waar!” zuchtte Baxter, die altijd allerlei denkbeeldige

kwalen had. „Wat moet ik doen?”

„Dat weet ik ook niet,” antwoordde Marholm, schouderophalend.

„Gij weet nooit iets!” barstte Baxter opnieuw los, „gij zijt een

geboren idioot. Alleen uit domheid zijt gij detective geworden.”

„Zeker,” lachte de vloo, „ik neem een voorbeeld aan mijn chef.”

De inspecteur zuchtte diep, tilde den stoel weer op en nam erop plaats.

Met Marholm schoot hij niet op, die was hem te slim.

Om echter uiting te geven aan zijn woede, sloeg hij met de vuist op de

schrijftafel, zoodat de inkt uit den koker spatte en schreeuwde:

„Weet gij, hoe de collega’s en de misdadigers van Eastend u noemen?”

„Ja,” gaf Marholm lachend ten antwoord, „de Vloo— —”

„Zoo,” riep Baxter uit, „de vloo en gij zijt een echte vloo! Door uw

vervloekte steken verstoort gij dag en nacht mijn rust. Men moest u

kunnen dooddrukken.”

„Komaan,” sprak Marholm schaterend van lachen, terwijl hij zijn armen

uitbreidde, „druk de vloo aan uw hart. Ik vind alles goed, wat mijn

chef wenscht.

„Slechts op een enkel gebied hebben wij verschil van meening, namelijk

waar het betreft:

„Raffles!”— —

„Zwijg!” schreeuwde Baxter, hem in de rede vallend.

„Raffles! De duivel moge u en hem halen.”

„Raffles hebt gij altijd, als gij het zelf niet weet. En als gij hem te

pakken hebt en het wel weet, dan kunt gij hem niet vasthouden!”

„Ik zal krankzinnig worden!” kermde Baxter en met een wanhopigen blik,

als iemand, die werkelijk op het punt is om zijn verstand te verliezen,

verzocht hij Marholm hem een glas water te halen.

De vloo ging naar een kast, opende deze en nam er een groote flesch

brandewijn uit.

Daarop schonk hij een glas vol en gaf dit aan zijn chef, die het in één

teug leegdronk en daarna met zichtbare verlichting sprak:

„Dat doet iemand goed!”

Nu nam Marholm eveneens een glas vol en de vrede was weer geteekend

tusschen chef en ondergeschikte.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

RAFFLES ALS DETECTIVE.

Omstreeks dienzelfden tijd begaf Raffles zich met den bediende naar

Lord Landsdale.

De ongelukkige, die de laatste dagen op het schip had doorgebracht,

wilde absoluut niet weer naar den Lord terug. De Groote Onbekende had

al zijn overredingskracht moeten aanwenden om hem tot den terugkeer

over te halen.

„Wacht hier in de vestibule,” sprak Raffles tot zijn beschermeling,

„totdat ik alles met Lord Landsdale heb besproken.”

Daarna begaf hij zich naar de studeerkamer.

„Ik breng u een goede tijding,” sprak Lord Lister tot Landsdale, toen

hij tegenover dezen stond, „de zaak is beter afgeloopen dan ik dacht.”

„Brengt gij mij inderdaad het collier terug?”

„Ik kan het u teruggeven, mijn beste Lord,” antwoordde Raffles, „maar

ik doe dit slechts op één voorwaarde.”

„En die is?”

„Indien gij het diamantcollier van mevrouw uw echtgenoote terug wilt

hebben, dan moet gij mij duizend pond sterling in handen geven voor de

armen van Londen.”

„Met genoegen,” klonk het antwoord, „het collier is 15 à 16000 pond

sterling waard. Ik ben dus gaarne bereid, die som aan u te betalen.”

„Wees dan zoo goed, mij een cheque te geven.”

Lord Landsdale nam aan zijn schrijftafel plaats en wilde het formulier

invullen.

Voordat hij er toe overging, wendde hij zich eerst nog eens tot

Raffles.

„Mag ik mij een vraag veroorloven?”

„Zeker, zeker,” sprak Raffles, een sigaret aanstekend.

„Ik twijfel geen oogenblik aan uw woorden, ik ben er stellig van

overtuigd, dat gij mij het diamantcollier weer ter hand zult stellen,

maar ik zou er zeer veel belang in stellen om te weten, op welke wijze

gij in het bezit zijt gekomen van het sieraad.”

De Groote Onbekende haalde eens flink aan zijn sigaret, liet de asch op

een gouden aschbakje vallen, dat op de schrijftafel stond en

antwoordde:

„Ik veronderstel, Lord Landsdale, dat gij evengoed als iedereen in

Londen reeds eenige jarenlang de eigenaardige en interessante sport van

iemand uit onzen stand volgt.”

Lord Landsdale dacht even na.

„Bedoelt gij soms Raffles?” vroeg hij daarna.

„Ja, ik bedoel John Raffles of Lord Lister, zooals zijn familienaam

is.”

Met een plotselingen ruk keerde Lord Landsdale zich om, keek zijn

bezoeker scherp in de oogen en vroeg:

„Kent gij—den—den—dezen sportsman?”

De Groote Onbekende glimlachte en antwoordde op denzelfden toon:

„Ja, Lord Landsdale, ik ken den—den—dezen sportsman zoo goed als mij

zelf!”

„Drommels, Sir!” riep Lord Landsdale, „hoe komt gij aan die

kennismaking?”

„Op de allereenvoudigste wijze, Sir,” klonk het uit Raffles’ mond, „met

dat doel ben ik geboren.”

Eerst begreep Landsdale dit antwoord niet.

Hoofdschuddend keek hij naar zijn bezoeker, totdat hij eindelijk zeide:

„Als ik goed begrijp, kent gij hem reeds sinds uw jeugd.”

„Vanaf mijn geboorte,” lachte Raffles.

„Vanaf uw geboorte?” herhaalde de Lord, „maar hebt gij dan dezelfde min

gehad of zijt gij samen opgegroeid, of—ik begrijp er niets van!”

John Raffles antwoordde niet dadelijk.

Hij haalde uit zijn borstzak het in zijdepapier verpakte diamantcollier

van de Lady, nam het uit zijn omhulsel en liet de prachtige steenen

spelend door zijn vingers glijden.

Met wijdgeopende oogen keek Lord Landsdale naar het teruggevonden

kleinood.

„Ziet gij, Lord Landsdale, ter wille van dit collier had een mensch

bijna het leven ingeboet en wie weet, aan hoeveel menschen deze steenen

het leven reeds hebben gekost.

„Aan bijna elken steen van deze kostbare sieraden, waarmede onze dames

zich tooien, kleeft een misdaad, dikwijls zelfs een moord.

„Meermalen wensch ik, dat de duivel deze steenen niet in het binnenste

van onze aarde had gezaaid.

„Maar ik doe alle moeite om zooveel mogelijk er toe bij te dragen, de

ellende, welke zij in het leven riepen, te verzachten en den vloek, die

op hen rust, weg te nemen.

„Ik geef niet om diamanten. Zij hebben voor mij niet meer waarde dan

kiezelsteenen.

„De sigaret, die ik rook, is mij meer waard dan de betooverende glans

van die steentjes.

„Zonder een oogenblik te aarzelen zou ik ze in de Theems werpen, als ik

daarmede het leven van een enkelen ongelukkige zou kunnen redden.

„Neem de steenen in ontvangst, die zonder mijn toedoen voor eeuwig voor

u verloren zouden zijn geweest. Maar opdat gij zult weten, aan wien gij

ze te danken hebt, moet gij eens lezen, wat er op het kleine gouden

plaatje staat, dat ik aan den ketting heb laten bevestigen.”

En Lord Landsdale las:

Geschonken aan Lord Landsdale door John C. Raffles.

Met ingehouden adem staarde Lord Landsdale naar deze woorden.

Toen wendde hij zich tot Raffles en sprak:

„Vergis ik mij, of is het waar? Zijt gij Lord Edward Lister, genaamd

John Raffles?”

„Zoo is het,” antwoordde Raffles met fieren blik, „ik ben John

Raffles.”

Eerst scheen het, alsof Lord Landsdale van plan was, op te staan en

zich eenige schreden van zijn bezoeker te verwijderen, alsof hij eenige

aanraking met dezen vreesde. In het volgende oogenblik echter stak hij

Raffles vol bewondering de hand toe en sprak:

„Ik dank u, Lord—Lord Lister!”

„Daarvoor is geen reden,” antwoordde Raffles, „het was niet om der

wille van de diamanten, dat ik het collier redde uit de handen van dien

schurk van een juwelier, maar ter wille van het leven van uw bediende.

„Als gij mij nu nog de hand wilt reiken om mij er voor te danken, dat

ik een mensch heb gered, die door een misdaad in den dood zou worden

gedreven, dan wil ik die hand aannemen.”

De Lord trok zijn hand niet terug, maar stak ze nogmaals uit en sprak:

„Ik dank u, Lord Lister, dat gij dien armen man het leven hebt gered!”

„Bravo!” riep Raffles uit, „dat is ware adel! Haal den armen drommel

hier; hij wacht in de vestibule en zeg hem, dat gij hem vergiffenis

vraagt voor uw onrechtmatige verdenking.”

John Raffles zag, hoe bij deze woorden de trots van den Lord boven

kwam.

Maar weldra zegevierde de edel denkende mensch in hem en hij riep den

bediende, die vol spanning wachtte, binnen.

Aarzelend kwam de ongelukkige de kamer binnen.

„Ik bied u mijn verontschuldiging aan,” sprak Lord Landsdale, „omdat ik

u onrechtvaardig heb verdacht. Gij zijt een eerlijke kerel en ik

verzoek u in mijn dienst te willen blijven.”

Hij reikte den ouden bediende de hand, welke deze vol eerbied aan zijn

lippen bracht.

Daarop gaf hij den man een wenk om heen te gaan.

Nu stond Raffles op en, terwijl hij Lord Landsdale zijn hand toestak,

sprak hij:

„Ik neem nu afscheid en verzoek u, morgenochtend om elf uur met mij

naar juwelier Brill te gaan.

„Die man moet voor de gemeene daad, die hij tegen uw bediende wilde

volvoeren, worden gestraft.

„Daarvoor verzoek ik uwe hulp.”

Lord Landsdale had Raffles’ hand gegrepen, hij drukte deze hartelijk en

antwoordde:

„Ik zal mij stipt om elf uur bij juwelier Brill bevinden.”

Nogmaals drukten zij elkaar de hand en de groote onbekende verliet het

huis.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

ZOO DICHTBIJ EN TOCH ZOO VER.

Precies om elf uur bevond Lord Landsdale zich den volgenden morgen voor

den winkel van juwelier Brill en ontmoette Raffles, in wiens gezelschap

zich een beeldschoone jonge dame bevond.

John Raffles stelde de dame voor als miss Hurryup, een actrice.

Lord Landsdale boog beleefd en daarop ging hij op Raffles’ verzoek den

winkel binnen om den juwelier nadere opheldering te vragen omtrent de

geschiedenis met het diamantencollier.

Juwelier Brill ontving den Lord met koele afgemetenheid en vroeg naar

diens wensch.

„Gij zult wel weten, mr. Brill, voor welke zaak ik hier kom,” sprak

Lord Landsdale.

„Ach zoo, die zaak met uw misdadigen bediende,” antwoordde de juwelier.

„Hopenlijk hebt gij dat sujet zonder veel plichtplegingen gevangen

laten nemen.”

De aderen op het voorhoofd van Lord Landsdale zwollen op tot koorden.

Zijn oogen vlamden van eerlijke woede.

„Neen,” antwoordde hij op barschen toon, „ik heb gelukkig zoo niet

gehandeld tegenover een onschuldig, eerlijk mensch!”

„Onschuldig?—Onschuldig?” vroeg de juwelier, „wilt gij daarmede soms

zeggen, dat ik medeplichtig ben aan den diefstal?”

„Ja!” klonk een metalen stem bij de voordeur van den winkel en juwelier

Brill keek in het hem welbekende gelaat van den juweelendief, Raffles!

Een oogenblik verbleekte hij, maar onmiddellijk herwon hij zijn

koelbloedigheid en vroeg:

„Wat wilt gij?”

De kalmte, waarmede de juwelier deze woorden sprak, verbaasde zelfs

Raffles.

Hij trad naar de toonbank en, terwijl hij den man scherp aankeek, vroeg

hij:

„Ik denk, dat gij mij wel kent?”

Juwelier Brill veinsde groote verbazing.

„Zou ik u kennen? Ik weet niet, dat ik u ooit in mijn leven heb gezien.

Ik verzoek u, mij te verklaren, waarom gij op een dergelijke

beleedigende wijze mijn winkel binnenkomt.”

Raffles’ vingers jeukten om den koelbloedigen schurk een oorvijg te

geven.

Maar hij bedwong zijn woede.

„Uw ontkennen helpt u niet, juwelier Brill. Gij hebt een domheid begaan

en zijt erin gevlogen, toen gij u naar politie-inspecteur Baxter in

kamer no. 32 hebt begeven. Dat wil zeggen, gij meendet uw brillanten

terug te krijgen en hebt inplaats daarvan mij een paar onpartijdige

getuigen van uw daad bezorgd.

„Overigens was uw plan zeer goed bedacht.

„Ik zelf had immers op straat den bediende bestolen kunnen hebben—en

daarmee wildet gij de schuld op mij schuiven.

„Mis, mijn waarde juweelendief!

„Ik heb getuigen, dat ik de brillanten van Lord Landsdale bij u heb

gekocht!”

Nu was het gedaan met de koelbloedigheid van den juwelier.

John Raffles had hem doorzien.

Een vale bleekheid trok over zijn gelaat.

Maar een laatste poging tot redding wagende, sprak hij:

„Ik wil toegeven, dat er een verwisseling plaats heeft gehad in mijn

reparatiewerkplaats. Ik heb het te laat ontdekt en vreesde, de schade

te moeten bijpassen.”

„Neen!” riep Raffles lachend uit, „dan hadt gij Lord Landsdale niet

eerst uw leugens moeten vertellen, maar, zooals een eerlijk mensch

betaamt, de waarheid moeten bekennen. Lord Landsdale zal wel weten,

welken schurk hij moet laten gevangen nemen.”

Juwelier Brill werd beurtelings bleek en rood.

Nu kreeg de zaak een bedenkelijk karakter voor hem. Het begon

gevaarlijk te worden.

Hij vertrok zijn gelaat tot een smeekende, deemoedige uitdrukking en

sprak:

„Lord Landsdale zal een eerlijk, oud koopman niet gevangen laten

nemen.”

„Schurk,” viel Raffles hem in de rede.

„Dat zal ik toch doen,” voegde Lord Landsdale er aan toe.

Lord Lister No. 0036: De mooie jongedame · 第 3 / 4 段