„Heb medelijden!” smeekte de inspecteur, „ik ben onschuldig, dat zweer

ik u. Ik wist niet, dat gij getrouwd zijt, dan zou ik het niet hebben

gewaagd dit huis binnen te gaan. Aan de dame alleen is het te wijten,

dat ik hier gekomen ben.”

Met een minachtenden blik nam Raffles den lafaard op.

Daarop gaf hij hem een schop, wees met zijn hand naar de deur en riep:

„Er uit! Gij zijt niet waard, dat ik een kogel aan u verspil. Maar gij

zult voor uw lafheid met de rijzweep gestraft worden.”

Eerst nu zag Baxter dat zijn tegenstander een dergelijk instrument aan

zijn pols had hangen.

Terwijl de Lord de revolver bij zich stak, nam hij de zweep ter hand en

liet die op den inspecteur neerkomen.

„Begrijp goed”, sprak Raffles, „dat gij deze zweepslagen krijgt, omdat

gij het hebt gewaagd, de Lady op schandelijke wijze in den steek te

laten door alle schuld op haar te laden.”

Baxter beschermde zijn gelaat met beide handen en snelde, gevolgd door

Raffles, de kamer uit, de gang door en de donkere trap af tot aan de

voordeur.

Raffles had moeite om niet in luid gelach los te barsten. Hij ging

langzaam weer naar boven, nadat hij Baxter nog een eindweegs op straat

had achtervolgd.

Toen hij tegenover Charly Brand stond, sprak hij:

„Ik heb onzen vriend nog een eindje begeleid, opdat hij het nummer niet

kon opnemen van het huis waar hij is geweest.

„Hij loopt als een haas, zonder overjas, hoed en smoking. Deze

zweepslagen had ik hem al lang toebedacht.

„Nu zal ik den smoking eens gaan onderzoeken.”

Uit den borstzak van het kleedingstuk haalde Raffles de portefeuille

van den inspecteur te voorschijn.

Hij vond daarin zeer waardevolle documenten.

In de eerste plaats de aanstellingsoorkonde van den inspecteur en diens

ambtspenning.

Dan een groot aantal minnebrieven, die Raffles bewezen, dat de

inspecteur in zijn vrije uren zich zooveel mogelijk met vrouwen

ophield.

„Daarom kan die man niet flink werken”, sprak Lord Lister lachend. „De

politie-inspecteur is voor mij werkelijk onbetaalbaar. Voortaan zal ik

nog veel rustiger slapen.”

Ook Charly Brand amuseerde zich kostelijk over de kool, die zij den

inspecteur hadden gestoofd en zei:

„Ik hoop, dat het pak slaag hem goed zal bekomen.”

„Ik ook!” antwoordde zijn vriend. „Hier zijn wel een tiental brieven in

zijn portefeuille, waarin vrouwen of jonge meisjes, aan wie deze Don

Juan zijn liefde heeft verklaard, hem met bittere verwijten overladen.

„Hij heeft ze allen laten zitten. Wel, daarvoor is zoo’n pak slaag

uitstekend.”

Den volgenden morgen kwam inspecteur Baxter niet in dienst.

De vloo moest zijn chef vervangen.

Het was reeds tegen den middag, toen de telefoonbel klonk.

„Hier politie-inspecteur Baxter van Scotland Yard,” sprak Marholm door

de telefoon.

„Doet mij genoegen u te spreken. Hier John Raffles,” klonk het

antwoord.

„Wat wenscht gij?”

„Ik zou inspecteur Baxter graag spreken.”

„Het spijt mij, hij is ziek. Kan ik de boodschap overbrengen?”

„Ja, groet hem van mij en zeg hem, dat hij de Raffles-slagen niet moet

vergeten.”

„Raffles-slagen?” vroeg de vloo verbaasd.

„Ja,” klonk het weer, „hij kreeg gisterennacht een flinke dosis van

mij. Als hij ervan bekomen is, deel mij dat dan, alstublieft, mede?”

„Maar dat is al te gek,” sprak Marholm lachend tot zichzelf, „zou de

inspecteur werkelijk een pak slaag van Raffles hebben gehad?”

Om zich hiervan te overtuigen, ging hij zijn chef in diens woning

opzoeken.

Baxter lag te bed en had een paar dikke compressen om zijn gezicht.

„Ik zal de eerstvolgende dagen niet op kantoor kunnen komen,” sprak

hij. „Ik heb den afgeloopen nacht een wanhopig gevecht gehad aan de

Theems met misdadigers en heb er ternauwernood het leven afgebracht.”

„Wat hadt gij dan aan de Theems te doen? Gij hadt immers geen dienst,

inspecteur?”

„Ik gebruik altijd mijn vrije uren om op eigen gelegenheid de

misdadigers in Londen na te speuren. Als alle beambten zooveel

plichtsbesef hadden als ik, dan zouden wij het misdrijf in Londen

spoedig den kop hebben ingedrukt.”

„En Raffles gevangen,” voegde de vloo er aan toe.

„Maak mij niet zenuwachtig,” sprak de inspecteur van politie, „ik wil

van dien man niets hooren.”

De vloo wist nu genoeg en ging innig vergenoegd naar het hoofdbureau

van politie terug.

John Raffles was tezelfdertijd Lord Landsdale gaan opzoeken, die hem

onder den naam van Lord Talhome kende.

Raffles liet zich door hem de geschiedenis met den bediende vertellen

en deelde den Lord daarop mee, welke wanhoopsdaad die man uit gekrenkt

eergevoel had gepleegd.

De Lord was een streng en driftig man, maar had een edel karakter.

Het deed hem leed, den ouden bediende zoo ver te hebben gedreven.

Hij sprak, na een langdurig onderhoud over het geval met zijn bezoeker:

„Zeg aan mijn bediende, dat hij bij mij terug moet komen en dat ik hem

geloof. Maar wat kan ik doen om weer in het bezit te komen van den

kostbaren diamanten collier van mijn vrouw?

„De juwelier zal hem niet uit handen geven.”

„In geen geval!” antwoordde Raffles. „Het valt ook niet te bewijzen,

dat hij den diamanten collier heeft achtergehouden. Kunt u mij een

nauwkeurige beschrijving ervan geven?”

„Jawel!” gaf de Lord ten antwoord. „Ik heb hier een photografie van

mijn vrouw, waarop zij den collier om den hals draagt.”

„Mag ik die photo eenige oogenblikken behouden?” vroeg de bezoeker na

deze mededeeling.

Verbaasd keek Lord Landsdale den clubvriend aan.

„Wilt gij voor detective spelen?”

„Ja”, lachte deze, „en ik geloof wel, met goed gevolg.”

VIJFDE HOOFDSTUK.

EEN WELGESLAAGDE TRUC.

„Je kunt me een genoegen doen”, sprak Raffles een paar dagen later tot

Charly Brand, „met te beproeven of je voor tienduizend pond sterling op

de Engelsche Bank geheel nieuwe banknoten van honderd pond kunt

krijgen.

„Ik verzoek je, nauwkeurig toe te zien, dat de banknoten inderdaad

nieuw en door niemand gebruikt zijn. Ik hoop, dat je begrijpt wat ik

wensch.”

„Zeer zeker. Maar ik weet niet, welke bijzondere waarde die nieuwe

banknoten voor je kunnen hebben. Het is volgens mijn meening precies

hetzelfde of ze nieuw of oud zijn; de hoofdzaak is, dat ze echt zijn.”

Een glimlach vloog over Raffles’ gelaat, zooals altijd, wanneer Charly

Brand zijn bedoeling niet snapte.

„Ik hoop schitterende zaken met de banknoten te maken”, antwoordde hij.

„Hoe bedoel je dat, zijn nieuwe meer waard dan oude?”

„Zeker”, schertste Raffles, „ik zou bijna zeggen het dubbele. Je zult

je daarvan zelf kunnen overtuigen. Ga nu naar de bank en haal 10,000

pond sterling van ons tegoed.”

Charly Brand stond op en daar hij in dameskleeren was vroeg hij:

„Je zult hopelijk niet verlangen, dat ik in dit toilet ga.”

„Wel neen, verkleed je en breng de zaak zoo gauw mogelijk in orde.”

Des avonds keerde Charly Brand in het vossehol terug en overhandigde

Raffles een pakje fonkelnieuwe, nog niet in omloop geweest zijnde

banknoten van de Engelsche Bank. De helft was in biljetten van

vijfhonderd pond, de rest in biljetten van honderd pond.

Den volgenden dag ging Raffles, vermomd als een zestigjarig heer en

versierd met eenige ordeteekenen, in gezelschap van Charly Brand als

dame, naar Londen.

Onderweg—zij reden in de auto, die bestuurd werd door Joe, den

kamerdienaar—onderrichtte hij Charly Brand.

„Ik zal nu”, sprak hij, „met je in een juwelierszaak gaan en je zult

daar een diamanten collier met paarlen ter waarde van negen à

tienduizend pond sterling, volgens een photographie uitzoeken.”

„Volgens een photographie?”

„Ja, naar deze”.

Raffles haalde het portret te voorschijn, dat Lord Landsdale hem had

gegeven.

„Bekijk het nauwkeurig. De juwelier is een gauwdief en heeft het

collier verduisterd. Je moet je best doen om het van hem te koopen”.

„Ik hoop, dat het mij gelukt”, antwoordde Charly Brand, en bekeek het

collier met scherpen blik. „Waarom probeer je het echter zelf niet?”

„Wel, omdat dergelijke menschen tegenover dames niet zoo voorzichtig

zijn. Ik zal niet bij je blijven, maar voorwenden, dat ik weinig tijd

heb, en je dadelijk verlaten.

„Je moet het sieraad niet onmiddellijk koopen en per trein naar huis

terugkeeren”.

Zij gingen den deftigen winkel van gebroeders Brill binnen.

De oude heer vergezelde zijn dochter, totdat zij in een der fauteuils

had plaats genomen en nam toen afscheid.

Voordat hij wegging, sprak hij tot den juwelier:

„Ik heb weinig tijd. Wij zijn slechts voor een paar dagen uit New-York

hier. Ik moet nu naar het parlement. Mijn dochter wenscht voor haar

zuster een huwelijkscadeau te koopen ten bedrage van 9 à 10,000 pond

sterling.

„Laat haar eens zien, wat gij hebt.”

Daarop wendde hij zich tot Charly Brand, kuste hem op vaderlijke wijze

op het voorhoofd en sprak:

„Tot ziens, mijn kind.”

Met wantrouwende blikken keken de juwelier en zijn bediende naar de

jonge dame, die zich kostbare diamant-colliers liet voorleggen. Geen

enkele ervan beviel haar, totdat de juwelier het door Raffles bedoelde

collier te voorschijn haalde. Maar ook dit beantwoordde blijkbaar niet

aan de bedoeling.

Na een half uur gekeken te hebben, duidde de vreemdelinge eindelijk het

diamant-collier aan als dat, wat haar het beste beviel.

De juwelier sprak:

„Het kost 14,000 pond sterling.”

„Ik zal het aan papa vertellen, tot weerziens.”

Charly Brand stond op, verliet trotsch als een dame uit den hoogsten

stand het magazijn, nam een rijtuig en reed naar het station.

In het vossenhol teruggekomen, vertelde hij Raffles, dat het collier

werkelijk aanwezig was.

De Groote Onbekende sprak:

„Dus je moet er morgen nog voor 4000 pond aan nieuwe banknoten

bijhalen.”

Plotseling echter, alsof een nieuw plan bliksemsnel in zijn brein

opkwam, riep hij uit:

„Hoe groot is ons bankconto?”

Charly Brand haalde zijn chequeboek te voorschijn, tekende eenige

oogenblikken en antwoordde:

„Wij hebben nog een tegoed van 17,000 pond sterling.”

„Dus het wordt tijd, het conto een beetje te verhoogen.

„Laat je de rest van ons tegoed in nieuwe banknoten uitbetalen en koop

in den winkel nog een juweelen broche en een paar ringen met

diamanten.”— —

Den volgenden middag omstreeks twee uur begaf zich Charly Brand, weer

als dame verkleed, naar den winkel.

„Ik moet helaas weer alleen komen”, sprak hij, „papa is ook heden naar

het parlement en ik moet dus alleen handelen.”

Dit wekte het wantrouwen van den juwelier op.

Het was voor den eersten keer, dat een jonge dame een dergelijken

inkoop alleen kwam doen.

„Ik wensch nog”, ging Charly Brand verder, „een juweelen broche en dito

ringen te koopen. Het bedrag, dat papa mij heeft toegestaan, bedraagt

17,000 pond; wees dus zoo goed, daarmee rekening te houden.”

De juwelier boog beleefd en liet de dame het verlangde zien.

Na eenige minuten had Charly Brand zijn keus gedaan en sprak:

„Pak de voorwerpen dadelijk voor mij in, ik wil ze meenemen.”

Daarop haalde hij uit zijn handtaschje een portefeuille en begon, voor

de verbaasde blikken van den juwelier, de eene banknoot van 500 pond na

de andere op tafel te leggen.

Nu werd de juwelier nog achterdochtiger.

Nog nooit had een zijner klanten zulk een hoog bedrag contant betaald,

maar altijd hadden zij hem een cheque gegeven.

Ook de bediende keek met verbaasden blik naar de zeldzame wijze van

betalen van deze jonge dame.

„Papa gaf mij een cheque”, sprak Charly Brand, precies zooals Raffles

het hem had voorgezegd, „maar daar ik het gekochte dadelijk mee wilde

nemen, heb ik die onderweg op de Engelsche Bank ingewisseld.”

De verklaring stelde den juwelier gerust.

Maar toch kon hij een zeker wantrouwen niet van zich afzetten en vooral

de absolute nieuwheid der banknoten verbaasde hem.

Met zijn kassier telde hij het bedrag na, verontschuldigde zich bij

Charly Brand en begaf zich naar het kantoor, dat zich achter den winkel

bevond.

„Wat denkt gij van die jonge dame?” vroeg hij den kassier.

„Zij komt mij verdacht voor”, antwoordde deze, „maar ik zou niet kunnen

zeggen, waarom.”

„Houdt gij dit geld voor echt? Het is splinternieuw en nog niet in

omloop geweest.”

De kassier nam een der banknoten van 500 pond, bekeek deze nauwkeurig

en sprak:

„Ik houd ze voor echter dan echt. Er is niets verdachts aan te

ontdekken.”

„Zeer vreemd! Zeer vreemd!” mompelde de juwelier, „begeef u zoo snel

mogelijk met de banknoot van 500 pond naar het filiaal der Engelsche

Bank hiernaast om deze in te wisselen. Zeg tegen den kassier, dat gij

de banknoot niet voor echt houdt.”

„Een zeer goed idee”, knikte de kassier en verdween met de banknoot uit

het bureau.

Vijf minuten later kwam hij terug en legde voor den juwelier een

stapeltje vuile, gekreukte bankpapiertjes, tot een gezamenlijk bedrag

van 500 pond, op tafel.

„Wat zei de kassier van de Bank?” vroeg de juwelier.

„Hij lachte mij uit, zei, dat de banknoten onberispelijk waren en

vroeg, of we zulke idioten waren, dat we valsch geld niet meer van echt

konden onderscheiden.”

„Zoo, zoo”, mompelde de juwelier, „berg dan het geld maar op, we hebben

ons heel erg vergist.”

Met bijna onderdanige voorkomendheid ging hij naar Charly Brand terug,

boog eenige malen en verontschuldigde zich over zijn wegblijven, daar

een dringende zakelijke aangelegenheid hem in beslag had genomen.

Hij reikte Charly Brand de gekochte sieraden over, geleidde de deftige

klant persoonlijk naar de deur, liet een rijtuig voorkomen en maakte

zelf het portier open, waarna Charly Brand den koetsier, zoodat de

juwelier het moest hooren, het bevel gaf:

„Naar het Parlement.”

Peinzend trad de juwelier zijn magazijn weer binnen.

Wie zou toch die voorname klant zijn? Hij had niet naar haren naam

durven vragen, daar dit zeer onbeleefd zou zijn geweest.

Een vreemdeling was het in ieder geval, en daarom ook had hij haar,

zonder eenige vrees, het briljanten sieraad van Lord Landsdale

verkocht.

Een paar uur later hield voor den winkel van den juwelier een gesloten

auto stil, waaruit twee heeren, volgens hunne kleeding blijkbaar

geheime agenten van politie, de zaak binnentraden.

De oudste der twee wendde zich tot den juwelier en zei:

„Zijt gij de eigenaar van de zaak?”

De juwelier boog en knikte bevestigend.

De vreemdeling sloeg zijn overjas wat terug, en juwelier Brill herkende

den zilveren ambtspenning, die de detectives in Londen als bewijs bij

zich dragen.

„Ik ben de inspecteur van politie Baxter van Scotland Yard”, stelde de

vreemdeling zich voor, „en dit is mijn beambte Wilson. Hier is

bovendien mijn diploma.”

„Zeer aangenaam,” antwoordde de juwelier, „wat verschaft mij de eer,

mijne heeren?”

„Gij moogt den hemel danken, dat het mij gelukt is, na dagenlang

onderzoek, een paar oplichters in hechtenis te nemen.

„Bevond zich in uwe zaak vandaag of gisteren een oudachtig heer met

witten baard en gouden bril, die zich voor Amerikaan uitgaf?”

„Ja”, antwoordde de juwelier, „die heer was gisteren bij mij en

weliswaar in gezelschap van zijn dochter.”

De inspecteur van politie Baxter stiet een zacht gefluit uit.

„Geef mij de juweelen eens, meneer Wilson”, wendde hij zich tot den

begeleidenden detective.

De beambte opende de handtasch en overhandigde den inspecteur van

politie eenige met fluweel overtrokken doozen, die de juwelier direct

als de zijne herkende.

De inspecteur van politie Baxter hield de grootste doos den juwelier

geopend voor.

„Heeft de oude heer met den witten baard gisteren bij u een brillanten

collier gekocht?”

„Neen,” antwoordde de juwelier.

Verbaasd keek Baxter den eigenaar der zaak aan.

„Hoe moet ik dat begrijpen?”

„Pardon, meneer de inspecteur, niet de oude heer kocht het sieraad,

doch de jonge dame en weliswaar niet gisteren, doch een paar uur

geleden.”

„Aha,” gaf inspecteur van politie Baxter ten antwoord, „daarom droeg

zij het ook bij zich, toen ik haar voor het Parlementsgebouw in

hechtenis nam.”

„Dat klopt,” sprak de juwelier, „de dame ging van hier met het sieraad

daar naar toe.”

„Waar ik haar afwachtte en gevangen nam,” lachte de inspecteur. „Gij

moogt van geluk spreken, meneer Brill. Ik had gedacht, dat de ouwe

schurk, nadat hij u de dingen afhandig had gemaakt, ze alleen aan zijn

medeplichtige in bewaring had gegeven, opdat men ze niet bij eventueele

in hechtenisneming op hem zou vinden.”

De juwelier verbleekte.

„Hoezoo, meneer de inspecteur, ben ik opgelicht geworden?”

„Heel eenvoudig, meneer Brill,” lachte de inspecteur van politie en

haalde zijn portefeuille te voorschijn.

Langzaam opende hij deze, en haalde er een fonkelnieuwe, ongebruikte

banknoot van 100 pond uit te voorschijn van de Engelsche bank.

Hij legde haar op de toonbank en zei:

„Mij dunkt, dat geld komt u bekend voor.”

„Jawel,” antwoordde de juwelier. „Is het—valsch?”

„Ik zou u op het hoofdbureau van politie eene collectie van deze

banknoten tot een bedrag van verscheidene millioenen kunnen voorleggen.

De bankbiljetten zijn valsch. Ze zijn weliswaar volgens de nieuwste

techniek uitmuntend vervaardigd en hebben alleen de fout, dat men, in

weerwil van de geniale uitvoering, met behulp van een loupe de

vervalsching ontdekt in verscheidene technische fouten.

„Het zijn Amerikanen, die met speciaal ingerichte machines de biljetten

vervaardigden en zich er nu op toeleggen ze door hooge inkoopen van

juweelen in omloop te brengen.”

„Dat heb ik dadelijk al gedacht,” riep de juwelier luid en wendde zich

tot zijn kassier.

„Ziet ge wel, dat ik gelijk had? Het was eene oplichtster. Mijn hemel,

wat moeten we nu doen?”

„Ik zei u immers al,” antwoordde de inspecteur van politie, „dat u van

geluk mocht spreken. Hier zijn uwe juweelen en geen steen ontbreekt er

aan. Kom binnen twee uur bij mij op het hoofdbureau van politie in

Scotland Yard, kamer no. 32, dan kunt ge uwe juweelen mee naar huis

nemen. Tot op dat oogenblik moeten ze bij de politie in bewaring

blijven.

„Ik heb ze noodig ter overtuiging, als bewijs tegen de oplichters.

„Tegelijkertijd verzoek ik u, mij het gezamenlijke valsche geld, dat u

ontving, ter hand te stellen.”

„Onmiddellijk, heer inspecteur! Mijn hemel, hoe gelukkig voor mij, dat

ik daar zoo goed en zonder schade afkom!”

De juwelier snelde naar zijn brandkast en nam er de aan hem betaalde

16,800 pond sterling uit.

Zonder dat de inspecteur van politie het merkte, gaf hij den kassier de

ingewisselde 500 pond en fluisterde hem toe:

„Snel naar de Bank en haal, zonder dat iemand het hier merkt, de

banknoot van 500 pond terug.”

Terwijl de kassier dat deed, telde de inspecteur met zijn beambte het

geld zorgvuldig na en verklaarde eindelijk:

„Het bedrag klopt niet geheel en al. Volgens de aanteekening, die ik

bij de juweelen heb gevonden, ontbreken nog 500 pond.

„Hebt gij dat biljet soms uitgegeven? Daaruit zouden veel moeilijkheden

kunnen ontstaan.”

„Neen,” stelde de juwelier den politie-inspecteur gerust, „mijn kassier

heeft dat biljet en zal het dadelijk brengen.”

Hij had dit nauwelijks gezegd of de kassier kwam reeds binnen en

overhandigde zijn chef de banknoot van 500 pond.

Nu nam de inspecteur van politie het geld, bond het tot een pakje te

zamen, stak het in een couvert en overhandigde het zijn beambte, die

het in zijn tasch bij de juweelen legde.

Zich tot heengaan gereedmakend, sprak hij:

„Het is nu drie uur. Wees precies om zes uur bij mij in Scotland Yard,

kamer 32.”

„Ik zal stipt op tijd zijn.”

Zeer beleefd opende de juwelier de deur voor den politie-inspecteur en

diens ondergeschikte en hij hoorde hoe deze den chauffeur toeriep:

„Scotland Yard.”

ZESDE HOOFDSTUK.

BAXTER STAAT WEER OP HET PUNT OM GEK TE WORDEN.

Inspecteur Baxter was juist, om vier uur in den namiddag, zijn bureau

binnengegaan en had den groet van zijn secretaris, detective Marholm,

of de vloo, zooals hij spottend werd genoemd, met een onverstaanbaar

gebrom beantwoord, daar hij vermoeid was.

Weliswaar niet vermoeid van het vele werken, maar omdat hij met

verscheiden kooplieden in de city een diner had gehad, dat wel een

beetje overdadig was geweest.

„Is er nieuws?” vroeg hij, zich van zijn overjas ontdoende.

„Geen nieuws van Raffles!” antwoordde de vloo.

Baxter fronste zijn voorhoofd en keek zijn secretaris met woedende

blikken aan.

„Wel alle drommels! Ik heb u niet gevraagd, of ge nieuws wist van

Raffles. Ik ben maar al te blij, dat hij gedurende de laatste maanden

niets van zich heeft laten hooren.”

„Des te erger,” antwoordde Marholm.

„Waarom? Wilt gij mij zenuwachtig maken? Gij weet, dat de naam Raffles

op mij werkt als het roode doek op een stier. Jarenlang heeft hij mij

het leven moeilijk gemaakt, ik hoop, dat hij nu eindelijk zijn onzalig

werk heeft geëindigd.”

„Dat geloof ik niet,” sprak detective Marholm en legde de pen, waarmee

hij geschreven had, zorgvuldig naast het document, waaraan hij bezig

was.

„Houd nu verder uw meening voor u en laat mij met rust. Gij schijnt mij

graag in prikkelbare stemming te brengen.”

Detective Marholm onderdrukte een lachje en sprak:

„Het zou mij veel aangenamer zijn, als ik elken dag iets van Raffles

hoorde.

„In de eerste plaats zorgt hij ervoor, dat de eentonigheid van onzen

dienst nu en dan eens wordt verbroken.

„In de tweede plaats voel ik mij gedurende den tijd, waarin we niets

van Raffles hooren, altijd onbehaaglijk.

„Tot dusverre volgde op een dergelijke pauze altijd een groote truc van

hem. De een of andere daad, waarvoor gij verantwoordelijk wordt

gesteld.”

„Zwijg, voor den duivel!” schreeuwde Baxter, „als er iets gebeurt, is

het nog vroeg genoeg om ervan te spreken.

„Ik wil nu rust hebben en gij moogt mij alleen voor dringende

aangelegenheden storen.”

Hij begaf zich naar het aangrenzende vertrek, dat voor hem als

particuliere rustkamer was ingericht en dat hij speciaal voor

nachtdienst gebruikte.

Hier stond een leeren chaise longue, waarop hij ging liggen en weldra

insliep.

Terwijl hij rustig sluimerde en detective Marholm verder werkte, werd

er aan de deur geklopt. De dienstdoende beambte meldde:

„Juwelier Brill van de firma gebroeders Brill, Oxfordstraat, wenscht

den heer inspecteur te spreken.”

„De inspecteur is nu niet te spreken, breng den man bij mij!”

De beambte verdween en liet den bezoeker binnen.

Na een korte begroeting vroeg Marholm:

„Wat wenscht gij?”

„De inspecteur van politie heeft mij persoonlijk op dit uur hier

besteld.”

„Zoo?” vroeg de vloo op langgerekten toon, „dan moet ik den inspecteur

wekken. Is het gewichtig?”

„Zeer zeker,” antwoordde de juwelier.

De detective stond op en ging naar de kamer, waar Baxter sliep.

Eerst nadat Marholm hem herhaaldelijk heen en weer had geschud, keek

Baxter zijn secretaris slaapdronken aan en bromde:

„Wat is er? Wat is er gebeurd?”

„Juwelier Brill wenscht u te spreken.”

„Hij moet mij met rust laten. Ik ken hem niet. Laat hij u vertellen,

wat hij wil.”

Hij draaide zich op de andere zijde en wilde doorslapen.

Marholm stiet hem opnieuw aan.

„Gij hebt den juwelier persoonlijk hier besteld. De zaak is dringend,

naar de man beweert.”

„Ik heb hem niet besteld,” sprak de inspecteur op ontevreden toon, „ik

ken den man in ’t geheel niet. Vraag hem, wat er gebeurd is.”

Detective Marholm verliet de kamer en vroeg den juwelier:

„De inspecteur laat u weten, dat er hem niets van bekend is, dat gij

hier zoudt komen.”

„Wat?” riep Brill, „wat bezielt mijnheer den inspecteur? Drie uur

geleden heeft hij mij gezegd, dat ik mij om zes uur bij hem in Scotland

Yard, kamer 32, moest bevinden.”

De vloo begreep er niets van.

Maar hij dacht, dat de inspecteur misschien ten gevolge van groote

vermoeidheid de zaak had vergeten en daarom ging hij nogmaals naar zijn

chef.

Baxter sliep al weer.

Marholm volgde nu een andere taktiek.

Hij boog zich over den slapende heen en schreeuwde:

„Brand!”

De politie-inspecteur, die ook chef van de Londensche brandweer was,

sprong verschrikt op en vroeg, met slaapdronken oogen den detective

aanziende:

„Brand? Brand? Waar is brand?”

Marholm lachte.

„Juwelier Brill wacht op u.”

„Vervloekt, laat mij toch met rust. Waar is hij?”

„Bij mij aan de schrijftafel.”

Ten gevolge van zijn gestoord middagdutje woedend als een stier, die

geplaagd is, stormde inspecteur Baxter het bureau binnen en riep op

barschen toon:

„Wat wilt gij van mij?”

Juwelier Brill staarde wezenloos den inspecteur aan en antwoordde:

„Van u niets! Ik ken u in ’t geheel niet.”

„Als gij mij niet kent, hoe durft gij dan op deze manier mij lastig te

komen vallen en te zeggen, dat ik u persoonlijk heb besteld?”

„Pardon,” sprak de juwelier, „ik heb u niet bedoeld, ik wensch den

inspecteur van politie Baxter te spreken.”

Lord Lister No. 0036: De mooie jongedame · 第 2 / 4 段