vergoeden, en verzoek u tegelijkertijd om dien dief daar—en hij wees op
Raffles—gevangen te laten nemen. Hij heeft mij het diamantcollier door
een gemeene truc ontstolen.”
Lord Landsdale hief zijn hand op als om den juwelier een slag te geven
en riep vol toorn uit:
„Die heer is mijn vriend, bedenk dat wel ellendeling. En gij zelf—gij
verdient een flinke straf.”
Maar John Raffles hield den arm van Lord Landsdale tegen.
„Hij zal gestraft worden, Lord Landsdale, en veel gevoeliger dan door
een oorvijg. Jou nietswaardige kerel, we zullen je laten kiezen.
„Of je geeft Lord Landsdale een cheque van 5000 pond sterling, die de
Lord kan aanwenden ten behoeve van arme, zieke actrices, of je vliegt
voor een paar jaar achter de tralies. Wij geven je vijf minuten
bedenktijd.”
Juwelier Brill dacht eenige seconden na, daarop vroeg hij toestemming
om zich naar zijn kantoor te begeven teneinde met zijn kassier na te
rekenen of hij de gevraagde som zou kunnen betalen.
John Raffles stond dit toe en de juwelier verdween.
„Waarom wenscht gij, Lord Lister, dat ik het geld voor arme actrices
zal gebruiken?”
„Heel eenvoudig, Lord Landsdale. De brillanten en andere kostbaarheden
zijn de valstrikken, waardoor de meeste actrices tot ellende en armoede
worden gebracht.
„In vurig verlangen naar opschik verliezen zij haar zedelijkheid, en
menschen als Brill worden daardoor rijk. Ik houd ervan, de slachtoffers
van een huichelachtige moraal gelukkig te maken.”
„Een nobele sport,” sprak Lord Landsdale, „bij u vergeleken komt men
zichzelf voor als een boom, die geen vruchten draagt.”
„Ik doe slechts mijn menschelijken plicht, en moet helaas daarvoor
dikwijls in conflict komen met de zoogenaamde wetten.”
Nauwelijks was juwelier Brill in zijn kantoor gekomen of zijn
gierigheid dreef hem tot een wanhopige daad.
Hij wilde het uiterste beproeven.
Haastig nam hij de telefoon op en vroeg aansluiting met Scotland Yard.
Het geluk was hem dienstig.
Baxter antwoordde hem zelf.
„Hier Brill,” sprak de juwelier met opgewonden stem, „in mijn winkel
bevindt zich Raffles en probeert afzetting!”
„Wat?” schreeuwde Baxter, „is dat een feit?—Vergist gij u niet?”
„Neen, neen, kom zoo snel mogelijk, voor hij mijn huis verlaat.”
Als een aeroplane schoot Baxter van de telefoon naar Marholm toe:
„Alles alarmeeren! Raffles is in de zaak van juwelier Brill!”
De vloo trok bedaard aan zijn korte tabakspijp, blies een dikke
rookwolk uit en antwoordde:
„Vreemd, dat u dat zooveel genoegen doet.”
Baxter staarde Marholm aan, alsof hij aan diens verstand twijfelde.
„Zijt ge gek, Marholm?”
„Ik hoop het niet, maar ge denkt het zelf immers altijd te worden.
Misschien vindt gij er bij juwelier Brill aanleiding voor.”
Marholm glimlachte veelbeteekenend.
Baxter echter was als door den duivel bezeten. Hij trok zijn overjas
van den kapstok en riep:
„Doe dadelijk wat ik u beval, groot alarm!”
De vloo stond op en liep op zijn gemak de kamer uit.
Met woedende blikken keek zijn chef hem na.
Verscheiden minuten later reden twee met detectives volgepropte auto’s
de Oxfordstraat in.
De juwelier was intusschen naar den winkel teruggekeerd en had Lord
Landsdale de cheque gegeven.
Charly Brand, die aan Lord Landsdale als Miss Hurryup was voorgesteld,
zat gedurende de onderhandeling zich te vervelen in zijn stoel en keek
naar de voorbijgangers.
Op het oogenblik, dat de Lord en Raffles aanstalten maakten om den
winkel te verlaten, schrok de secretaris en wilde uit zijn stoel
opspringen.
Hij had inspecteur Baxter herkend, die, gevolgd door Marholm en
verscheiden andere beambten, de deur openstiet en riep:
„In naam der wet verklaar ik— —”
Verder kwam hij niet. (Zie titelblad.)
Met groote oogen staarde hij de hem welbekende dame, alias Charly
Brand, aan, die in zijn verbeelding als beschermengel van Raffles
optrad.
Het vertrek begon plotseling voor zijn oogen rond te draaien, zijn
knieën knikten en de vloo moest hem ondersteunen.
„Hallo! inspecteur van politie!” riep Raffles uit.
„Wat is er voor nieuws? Wilt gij uw portefeuille terug komen halen?”
Baxter begreep direct, wat Raffles bedoelde.
De portefeuille met de ontelbare, hem compromitteerende liefdesbrieven
zou hem zijn baantje kosten, als zijn superieuren ze in handen kregen.
Verbaasd keken de beambten hun chef aan.
Alleen Marholm had hetzelfde merkwaardige glimlachje op zijn gelaat als
altijd.
„Wat moet dit beteekenen?” vroeg Lord Landsdale.
John Raffles lachte vergenoegd.
„Onze goede inspecteur van politie heeft ons blijkbaar voor Raffles
aangezien!”
„Ja, ja, zoo is het!” stamelde Baxter. „Een vergissing...!”
„Gij zijt zenuwachtig, inspecteur Baxter,” sprak Raffles, terwijl hij
hem op den schouder klopte. „Ik zal u tegen den avond de portefeuille
op uw bureau bezorgen.
„Tot weerziens, inspecteur!”
Daarop verliet hij met Lord Landsdale en Charly Brand den winkel.
Eerbiedig maakten de voor de deur staande detectives plaats voor de
deftig gekleede heeren, terwijl in den winkel hun chef wanhopig voor
zich uitstaarde.
De vloo gaf bevel, naar Scotland Yard terug te keeren.
Onderdanig verlieten de beambten den winkel.
Toen zij weg waren, stopte de vloo zich een nieuw pijp tabak en met
welbehagen rookend, sprak hij:
„Ik waarschuwde u immers, inspecteur! Nu hadt gij Raffles en ge hebt
hem weer niet in hechtenis kunnen nemen. Zeer merkwaardig voor dengene,
die niet weet, wat hiervan de reden is.”
„Ik word gek,” kermde Baxter. „Wat weet gij er dan van?”
„De geschiedenis van een verlof, een blonde dame en een portefeuille!”
Baxter stopte zijn ooren dicht en haastte zich huiswaarts.
Marholm echter vleide zich behagelijk op den breeden ruststoel van zijn
chef in Scotland Yard en ging een dutje doen.
AANTEEKENING
[1] Een man, die reclameborden door de straten draagt.