LORD LISTER
GENAAMD RAFFLES
DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 36 DE MOOIE JONGEDAME.
DE MOOIE JONGE DAME.
EERSTE HOOFDSTUK.
EEN VREEMDE INBRAAK.
Raffles, de Groote Onbekende, had juist een bad genomen.
Hij hield ervan om, nadat hij had gebaad, gymnastische oefeningen te
maken en had voor dat doel in zijn huis, het zoogenaamde vossehol,
zooals hij het wegens de vele in- en uitgangen noemde, een vertrek
ingericht, waarin zich allerlei gymnastiektoestellen en zware halters
bevonden.
Ook Charly Brand, zijn vriend en helper, nam deel aan deze oefeningen.
Vol bewondering keek hij er telkens naar, wanneer zijn vriend aan den
rekstok de moeilijkste oefeningen met veel vaardigheid en zoo sierlijk
mogelijk uitvoerde.
Na de gymnastiek liet Raffles zijn lichaam door den ouden kamerdienaar
kneden en masseeren en eerst daarna maakte hij zorgvuldig toilet.
Toen hij met Charly Brand aan het ontbijt zat, bracht de bediende op
een gouden blad de aangekomen brieven en couranten.
Bovenop lag een aangeteekende brief voor Charly Brand.
„Heb je geld voor ons laten komen?” vroeg hij zijn vriend.
De secretaris, die de geldzaken beheerde, antwoordde:
„Ja, onze voorraad was uitgeput en ik heb gistermiddag een cheque aan
onzen bankier gezonden met verzoek het geld te zenden, daar ik zelf
geen tijd had om te komen.
„Hier is het! Vijfhonderd pond sterling.”
Charly Brand opende het couvert met een mesje en nam zorgvuldig het
bankpapier eruit.
Raffles maakte het pakje bankpapier los en voor hem lag een stapeltje
witte biljetten van tien pond met de eenvoudige zwarte drukletters,
die, ondanks hun eenvoud, toch zoo moeilijk zijn na te maken, omdat de
samenstelling van het papier een ondoorgrondelijk geheim is.
Raffles streek met zijn aristocratische hand zorgvuldig over de
banknoten en sprak glimlachend:
„Ook ons papiergeld schijnt de mode mee te maken, die Koning Edward
aangeeft met zijn pantalons. Zij zijn volkomen glad en zonder een enkel
plooitje.
„Een fonkelnieuwe banknoot heeft voor mij altijd iets wonderlijks. Het
papier vermoedt nog niet, door hoeveel morsige handen het zal gaan,
hoeveel misdaden, hoeveel ellende en nood, maar ook hoeveel geluk er
aan verbonden zal zijn.
„Zulk een stuk bankpapier, pas uitgegeven door de Bank van Engeland, is
als een pasgeboren kind. Men moest eigenlijk bang zijn, het uit te
geven.”
Opnieuw streek hij liefkoozend over het geld.
Daarop roerde hij peinzend in zijn koffie, die hij elken morgen dronk,
en Charly Brand, die zich in een courant had verdiept, lette er niet
op, dat Raffles met strakken blik naar het bankpapier keek en dat hij
blijkbaar over een groot plan zat na te denken.
Plotseling scheen hij het met zichzelf eens te zijn.
Hij legde het papiergeld weg, nam zijn sigaretten-étui, opende het en
stak een sigaret aan.
„Wat voor nieuws staat er in de courant, Charly? Ik zie, dat je je
amuseert.”
„Ja”, lachte Brand, „ik las daar juist, dat jij meer actueel bent dan
de Europeesche oorlog of de zorg voor onze vloot.
„Hier staat een hoofdartikel over de rede van den minister van oorlog.
Deze zegt:
„Zoolang er nog mannen als Raffles in Londen zijn, behoeven wij geen
vrees te hebben voor eenig land ter wereld. Dergelijke mannen zouden in
staat zijn, de krijgskas van een ons vijandige macht op dat oogenblik
weg te nemen, waarop zij ons zou willen aanvallen. Op die manier
behoeft Engeland geen enkel gevaar te vreezen.”
„Zeer vleiend”, lachte Raffles, „maar dat denkbeeld is nog zoo kwaad
niet. Zonder geld kan geen enkel volk oorlog voeren en ik denk er reeds
eenigen tijd over, of ik niet naar Belgrado zal reizen om den Serviërs
hun vrij lichte krijgskas afhandig te maken, voordat deze waanwijze
domkoppen geheel Europa in een oorlog wikkelen. Ik ben alleen bang, dat
daar geen geld voorhanden is, doch alleen schulden en die kunnen zij
zelf houden.
„Maar ik heb een ander plan.
„Wij zullen samen naar Londen gaan.”
„Zooals je wilt”, sprak Charly, terwijl hij opstond, „ik vind het
alleen jammer, dat we niet langer van ons heerlijk, rustig buitenleven
zullen genieten. Ik had al gehoopt, langen tijd hier met je te zullen
blijven.”
„Mijn beste jongen”, antwoordde Raffles, zijn vriend gemoedelijk op den
schouder kloppend, „rust roest. Mijn hersens hebben weer inspannend
werk noodig!
„Het gaat met de hersens evenals met het lichaam. Ik geloof, als ik een
week lang mijn gymnastische oefeningen verzuim, dat mijn lichaam dan de
noodige veerkracht zou verliezen.
„Het doet mij leed, dat ik jou, die allen aanleg hebt om een rustig en
belastingbetalend burger te zijn, zoo moet derangeeren.
„Maak je dus gereed. Over een uur vertrekken wij.”
Het vossenhol, zooals Raffles zijn tegenwoordig verblijf noemde, was
een ouderwetsch gebouw uit den tijd der Stuarts. Het was verscheiden
eeuwen oud en oorspronkelijk een klein, stevig kasteel geweest, waarin
een der ridders van de Stuarts had gewoond.
Later was het in oproerige tijden in handen van burgers gekomen die het
kleine kasteelachtige gebouw in een landhuis veranderden en het zoo
inrichtten als Raffles het onder den naam van Sir Irving nu al
maandenlang bewoonde.
Het lag tien mijlen van Londen verwijderd op een hoogte, vanwaar men
den geheelen omtrek kon overzien.
Een auto, door Raffles of Charly Brand zelf bestuurd, bood voldoende
verbinding met de stad.
Het was dien dag tamelijk heet, hoewel het pas einde Mei was.
Een wolkelooze, lichtblauwe hemel stond boven het landschap en de auto,
waarin Raffles en Charly Brand zaten, liet dikke stofwolken achter.
„Ik had mij vroeger meer met het besturen van een auto moeten bezig
houden”, sprak Raffles, „men is onder den stofbril en leeren kap beter
gemaskeerd dan met den prachtigsten baard of andere
vermommingsmiddelen.
„Ik wed tien pond tegen een pruimepit, dat onze oude vriend,
politie-inspecteur Baxter, vlak naast onze auto kan staan, zonder te
ontdekken, dat de veelgezochte Raffles zoo vlak bij hem is”.
Charly Brand stemde dit toe.
Eenige minuten later vroeg hij:
„Wat wil je eigenlijk op dezen tijd in Londen doen?”
„Eenige zaken bekijken”.
„Verkennen?”
„Ja”, knikte Raffles.
Zij hadden na een tocht van twee uur de hoofdstad bereikt en Raffles
stuurde zijn auto langs het Strand.
Het drukke leven der hoofdstad woelde om hen heen als de woeste golven
der zee.
In eindelooze rijen schoven de rijtuigen, auto’s, omnibussen en
vrachtwagens achter elkaar voorwaarts en de eene koetsier trachtte den
ander in snelheid de loef af te steken.
Raffles bleef staan voor een modezaak, waarin damesjaponnen, hoeden en
rokken waren uitgestald.
Charly keek zijn vriend verbaasd aan, toen deze de auto vast zette en
met hem den winkel binnenging.
De secretaris had graag gevraagd, wat hij in deze zaak wilde doen, maar
uit principe gaf Raffles geen verklaring van zijn bedoelingen. Met
onverschillig gelaat trad hij den winkel binnen.
Vol belangstelling liep hij de verschillende afdeelingen door, bleef
hier en daar staan, keek met een kennersblik naar rokken, liet zich
zelfs eenige voorleggen, ging naar een andere afdeeling, bekeek met
kritischen blik de nieuwste monsterachtige dameshoeden en vroeg zelfs
sluiers te mogen zien.
Daarop onderhield hij zich met een der verkoopsters over de nieuwste
modes.
Bijna een uur duurde het oponthoud in den winkel, daarop namen zij weer
plaats in de auto en reden naar de Oxfordstraat.
Opnieuw liet de groote onbekende de auto voor een modezaak stilstaan.
Hetzelfde spel herhaalde zich.
En Charly Brand pijnigde zijn hersens met de vraag, welk belang Raffles
plotseling in damesmodes kon stellen.
Nadat ook hier alles bekeken was, reed hij met Charly Brand naar een
restaurant, gebruikte daar zwijgend een klein ontbijt en nam opnieuw in
de auto plaats.
Charly Brand zag, dat Raffles den motorwagen door Londen huiswaarts
stuurde.
Onderweg op de Landstraat durfde Charly Brand eindelijk zijn
nieuwsgierigheid lucht geven door te vragen:
„Zou je mij eens willen vertellen, met welk doel je die magazijnen van
damesmodeartikelen hebt bezocht? Heb je een minnarijtje?”
„Je zult alles te weten komen”, antwoordde Raffles met een lachje,
„breek daar nu je hoofd niet mee, en geniet van de mooie natuur om ons
heen. Een minnarijtje heb ik niet. Je kent mijn voorzichtigheid
tegenover vrouwen. Mijn sport laat dat niet toe”.
De groote onbekende had juist met zijn vriend gedineerd, toen hij tot
Charly sprak:
„Wij rijden nu nogmaals naar Londen en wel per spoor”.
Charly Brand antwoordde:
„Ik zal mij gereed maken. Ben je van plan, een schouwburg te bezoeken?”
„Waarom?”
„Om je toilet”.
„Neen!”
„Allright!”
De secretaris wist nu, dat Raffles een plan had. Het kon slechts een
inbraak zijn. Tevergeefs dacht hij er over na, waar deze plaats zou
moeten vinden.
Het begon reeds te schemeren, toen Raffles per auto met Charly Brand
naar het op een uur afstands gelegen spoorwegstation reed, en nadat hij
zijn auto in een kleine garage had gebracht, nam hij kaartjes naar
Londen, en reed per trein van negen uur naar de stad.
Even over tienen kwamen zij daar aan.
Zij verlieten den trein aan een station van een der voorsteden en reden
per electrische tram naar de City.
In de Oxfordstreet stapten zij uit en liepen de nog vrij drukke straat
door.
Voor het modemagazijn in die straat bleef Raffles staan, stak zeer
langzaam een sigaret aan en bekeek daarbij, als onwillekeurig, de
deuren en vensters van het gebouw.
Stil en donker was het huis.
Niemand was in den winkel.
Raffles opende de huisdeur met een looper en sloop mee Charly Brand de
gang door tot aan een met ijzer beslagen deur, die toegang gaf tot de
afdeeling, welke voor de zaak werd gebruikt.
De groote onbekende moest lachen, toen hij het slot probeerde.
„Idioten!” mompelde hij, „de deur is met blik en ijzeren banden
beslagen, als om inbrekers af te schrikken en daarbij is er een slot in
aangebracht, dat iedere beginner met een eenvoudig haakje open zou
kunnen krijgen.”
Op dit oogenblik klonk een zacht gekraak, ten teeken, dat de looper het
slot bedwongen had.
Geluidloos als twee schaduwen slopen beiden in de donkere ruimte, die
achter de deur lag, voorzichtig elk geruisch vermijdend, sloten zij de
deur weer dicht en lieten toen eenige seconden lang het licht van een
electrische zaklantaarn schijnen.
Lord Lister zag, dat zij zich in het kantoorlokaal van het magazijn
bevonden.
Schrijftafels en stoelen stonden hier en een brandkast dichtbij het
getraliede venster voltooide het ameublement.
Raffles liet het licht aan alle kanten op de brandkast vallen.
Een spottend glimlachje vloog over zijn gelaat, terwijl hij mompelde:
„Een oude conservenbus—die zou in tien minuten te openen zijn”.
Reeds meende Charly Brand, dat het bezoek aan dit huis de brandkast
gold.
Maar hoe verbaasd was hij, toen zijn vriend tot hem fluisterde:
„Kom verder!”
Zij verlieten het bureau en gingen den winkel binnen.
Raffles liep vooruit, terwijl Charly Brand volgde, met een
gelaatsuitdrukking, alsof hij aan het verstand van zijn vriend
twijfelde.
Wat wilde Lord Lister hier in dit magazijn van dameskleeren?
Wat had hij aan de zijden onderrokken, kanten en hoeden?
Was hij plotseling gek geworden?
In de afdeeling van gemaakte dameskleeren bleef Raffles staan en sprak
tot zijn secretaris:
„Trek je jas uit.”
Charly Brand wist niet, of hij de woorden ernstig moest opvatten, of
dat zijn vriend slechts schertste.
„Meen je dat?”
„Natuurlijk. Trek je jas uit, ik ben niet van plan, tot morgen hier te
blijven.”
Nu begreep Charly Brand, dat zijn vriend niet schertste.
Hij ontdeed zich van zijn jas, terwijl de Lord bij het licht van de
lantaarn tusschen de aan kapstokken hangende dameskleeren zocht.
Het duurde niet lang, of hij haalde een donkerblauw costuum te
voorschijn, zette de lamp op tafel en sprak:
„Wees nu eens handig en trek met mijn hulp de taille aan.”
De jonge man keek zijn vriend met open mond aan.
Maar hij hielp Raffles, strekte de armen uit en trachtte in het
kleedingstuk te komen.
Een winkeljuffrouw had niet voorzichtiger en met meer kritischen blik
te werk kunnen gaan dan Raffles bij het passen.
Zorgvuldig sloot hij alle knoopen, keek hoe de taille in den rug zat,
of de lengte der armen en de snit goed waren.
„Ik heb een goede keus gedaan”, lachte hij eindelijk. „Het past.
Probeer nu den rok.”
Ook dit deed Charly Brand.
Deze was volgens Raffles’ oordeel een handbreed te kort. Een andere
echter paste uitstekend.
Daarop beval de groote onbekende zijn secretaris om zich weer van de
kleeren te ontdoen. Met de kleeren over den arm ging hij naar de
afdeeling onderrokken.
Opnieuw moest Charly Brand een rok passen.
Toen dit geschied was meende Charly Brand, dat het bezoek aan deze zaak
wel afgeloopen zou zijn.
Maar Raffles ging verder.
Hij liep naar de afdeeling dameshoeden en koos daaruit een niet al te
opzichtigen, maar toch modernen modelhoed, die bij het gelaat van
Charly Brand goed paste.
Hij legde alles bij elkaar in een kartonnen doos en begaf zich daarop
naar het zich in het sousterrain bevindende magazijn van handschoenen,
voiles, kousen en eindelijk naar de schoenenafdeeling.
„Je voet is niet erg groot”, sprak Raffles, „vele jonge dames zouden je
dezen kleinen voet benijden. Ik was al bang, dat ik geen passend nummer
voor je zou vinden. Ik maak je mijn compliment, Charly.”
„Je zult toch niet van mij verlangen”, vroeg zijn vriend, die zich in
de damesschoenen zeer onbehaaglijk gevoelde, „dat ik in deze schoenen
ga loopen?”
Raffles antwoordde lachend:
„Het is alles een gewoonte. Trek voorloopig deze martelwerktuigen maar
uit.”
Hij legde de schoenen eveneens in een doos, pakte handschoenen, kousen,
zelfs kousebanden, een corset en zakdoeken in een andere en ging nog
naar de afdeeling mantels.
Hier zocht hij een zijden stofmantel uit en een wandelcostuum, nam nog
een blouse en ten slotte een parasol.
„Ben je eindelijk klaar?” vroeg Charly Brand.
Raffles dacht even na en antwoordde:
„Ik hoop van ja. Mocht er iets ontbreken, dan zal ik het wel
aanschaffen.”
Hierop verlieten zij, bepakt met de doozen, het magazijn en stapten
zonder aangehouden te worden de straat op.
Niemand koesterde argwaan, dat de beide elegante heeren met de doozen
in hun handen, inbraak hadden gepleegd.
Een huurrijtuig bracht hen naar het station van den ondergrondschen
spoorweg, vanwaar zij hun terugtocht begonnen.
Des nachts om drie uur kwamen zij op het kleine dorpsstation aan,
stegen in de auto en reden naar huis.
Nadat zij thee hadden gedronken waagde Charly Brand het, nog eens te
vragen:
„Zou je mij niet de bestemming van damesgarderobe willen verklaren?”
Doch Raffles lachte slechts en de jonge man zag in, dit hij voorloopig
niets te weten zou komen.
Den volgenden dag begaf Raffles zich alleen naar Londen.
Laat in den nacht kwam hij terug en bracht een pakketje mee.
Voor het verbaasde gezicht van zijn vriend haalde hij hieruit een
goudblonde damespruik, terwijl hij uit zijn zak nog eenige
hoedenspelden te voorschijn haalde.
„Ziezoo!” sprak hij tot Charly, „nu kan mijn onderricht beginnen. Ik
heb mij voorgenomen jou als een liefelijke schoone in mijn nabijheid te
hebben. Je gelaat is jong, baardloos en goed gevormd; met wat schmink
en houtskool kan men van jou een schoonheid maken, die iederen man het
hoofd op hol zal brengen!”
„Ik ben absoluut niet geschikt voor de rol, die je me hebt toebedeeld”,
antwoordde Charly Brand.
„Dat verlang ik ook niet van je”, glimlachte zijn vriend en meester,
„ik hoop echter, dat je mij het genoegen zult doen om je door mij te
laten onderrichten. Ik zeg je, mijn jongen, de zaak is niet zoo
eenvoudig als ze er uitziet.
„Reeds om te leeren hoe men den rok opneemt, hoe men de parasol
vasthoudt, hoe men de voeten neerzet, vereischt al een oefening, die
niet in een uur is aan te leeren. Laten we dus beginnen.
„Kleed je geheel in mijn tegenwoordigheid als dame aan. Begin met het
corset, de kousen, kousebanden, daarna de onderrok en japon. Ik geloof,
dat dit de volgorde is, waarin zich de dames aankleeden. Precies weet
ik het ook niet.”
Charly Brand zette een gezicht als at hij zure kersen, terwijl Raffles
zich amuseerde. Hij hielp het corset aandoen en snoerde het zoo nauw
dicht, dat zijn secretaris bijna stikte.
„Houd op!” riep deze, „ik stik!”
„Daar zul je wel aan gewend raken, Charly!” lachte Raffles, „me dunkt,
wat de dames kunnen, dat kunnen wij ook.
„Over vijf minuten zul je je in het martelinstrument wel behaaglijker
voelen.”
Charly Brand’s gelaat begon blauw te worden. Hij snakte naar lucht,
zoodat Raffles het corset wat losser moest maken.
Daarop moest Charly Parijsche opengewerkte zijden kousen aantrekken en
ze met de kousebanden aan het corset bevestigen. Nu kwamen de schoenen
aan de beurt.
Charly begon de situatie uiterst onaangenaam te vinden. Vooral de
schoenen met hooge hakken veroorzaakten hem moeilijkheden bij het
loopen.
„Langzaam loopen!” commandeerde Raffles, „ik zei je immers van te
voren, dat het niet zoo gemakkelijk is. Probeer eens om eerst de teenen
neer te zetten.”
Charly Brand maakte allergrappigste loopoefeningen.
Verscheiden minuten nadat hij tenminste in de schoenen kon staan beval
Raffles hem den onderrok aan te trekken, daarop het lijfje en den
japonrok.
Bij alles was de groote onbekende hem behulpzaam.
„Allerliefst zie je er uit, Charly! Als ik niet wist, dat je Charly
Brand bent, zou ik je een liefdesverklaring doen.
„Nu zullen wij de pruik opzetten.”
Hij zette Charly Brand het moderne kapsel op het hoofd, wat dadelijk
goed paste.
Daar de secretaris slechts een dunnen haardos bezat, zei Lord Lister
schertsend:
„Zooals je ziet, krijg ik alles gedaan. Ik laat zelfs uit jouw kalen
schedel lokken groeien.
„Jongen, wat zie je er behoorlijk uit! Maar nu de hoed nog!”
Hij gaf hem de hoedespelden en beduidde hem:
„Probeer nu den hoed vast te zetten, zonder dat je je hoofd bezeert.
Dat is een kunst, die slechts de dames verstaan. Wees voorzichtig,
Charly, het geldt je leven.
„Waarschijnlijk voel je het wel, als je je prikt. Trek dan den naald
terug en steek ergens anders.”
Charly Brand was voor den spiegel gaan staan en probeerde nu den hoed
met de spelden te bevestigen.
Plotseling slaakte hij een luiden gil. Raffles lachte.
„Ik zei je al van te voren, dat het je het leven kan kosten.
„Ik geloof, dat je, als je je twaalf maal gestoken hebt, wel de
vaardigheid hebt gekregen om langs je huid te steken zonder deze te
schenden.”
Eindelijk stond de hoed vast.
Raffles nam zijn vriend met kritischen blik op, reikte hem de
handschoenen aan en daarna de parasol.
„Ziezoo, mijn lieve Charly,” sprak hij, „nu kunnen we met de lessen
beginnen. Dan zul je van nu af de eerstvolgende dagen in damestoilet
gekleed gaan.
„Je moet leeren, je zonder behulp van een kamermeisje aan en uit te
kleeden en vóór alles je in je kleeren goed te bewegen.
„Denk eens een oogenblik, dat hier een plas was op straat, die je met
je sleepjapon moest oversteken.
„Vergeet vooral niet, dat je een rok aan hebt en geen broek. De laatste
wordt hoog omgeslagen, de eerste echter opgetild. Probeer het dus
eens.”
Charly Brand tilde met een onhandige beweging zijn rok op.
„Neen, Charly, zoo gaat het niet! Kijk eens, zoo!”
Raffles deed Charly Brand de beweging voor van het optillen van den
rok.
„Steek nu je parasol op!”
Ook dat deed Charly.
Daarop liet Lord Lister hem ontelbare keeren door de kamer wandelen tot
hij er warm van werd en verklaarde, eerst even te moeten rusten.
„Het is een kwelling,” zuchtte hij.
De groote onbekende scheen de zaak als een enorme grap op te vatten en
sprak:
„Over een paar dagen zal je aan die kwelling gewend zijn.
„Morgen leer je trappen op en af loopen en een rijtuig in en uit
stappen.
„Dat zijn kunststukjes, mijn vriend, die de dames uitvoeren, zonder
zich ervan bewust te zijn.”
„Daar twijfel ik geen oogenblik aan,” gaf Charly Brand ten antwoord,
„maar zou je me niet het doel willen meedeelen, dat deze maskerade
beoogt?”
„Dat doel is groot, mijn lieve Charly, ik zou anders die inbraak niet
gepleegd hebben.
„Wanneer je nu nog iets ontbreekt, dan kun je het de eerstvolgende
dagen als dame gaan koopen.
„De eerste kleedingstukken voor je nieuwe beroep moest ik wel stelen,
daar het opgevallen zou zijn als ik als heer het volledig costuum had
willen koopen. Bovendien zou het misschien niet gepast hebben.
„Wij zullen nu gaan slapen en vanaf morgen zul je je hoop ik als dame
zoodanig gedragen, dat ik het plan kan uitvoeren, dat ik heb beraamd.”
TWEEDE HOOFDSTUK.
HET SPOOR VAN HET WILD.
Den daaropvolgenden dag ging Raffles alleen naar Londen om, zooals hij
Charly vertelde, eenige inkoopen te doen.
Inderdaad echter ging hij een bepaald plan uitvoeren.
Hij zocht als een jachthond het spoor van wild, dat hij hoopte neer te
vellen.
Hij had tot nu toe steeds het blinde toeval gevolgd en dit was hem
altijd gunstig geweest.
Langzaam slenterend als een nietsdoener liep hij door het drukke gewoel
van de Oxfordstraat, bleef hier en daar voor een winkel staan, bekeek
schijnbaar belangstellend de uitstallingen, terwijl hij in
werkelijkheid de gesprekken van menschen trachtte af te luisteren.
Hij bleef voor de bekende juwelierszaak van Gebroeders Brill staan.
Een oudachtige bediende in livrei kwam er juist uit met een pakje in de
hand en de uitdrukking van wanhoop op diens gelaat boezemde Raffles
belang in.
Onmerkbaar volgde hij den bediende, die langzaam, bijna wankelend als
een beschonkene, den weg insloeg naar het Strand, hier en daar bleef
staan en zacht in zichzelf praatte.
Dikwijls hoorde Raffles, dat de bediende zei: „Ik ben een verloren man.
Mijn God, wat moet ik toch doen!”
Deze woorden boezemden Lord Lister veel belang in.
Hij besloot, den man niet uit het oog te verliezen.
Met dezen man moest iets bijzonders zijn gebeurd.
Weldra sloeg de bediende een kleine zijstraat in, die naar de Theems
leidde en ging een restaurant binnen, dat uitsluitend door kooplieden
en ambtenaren werd bezocht.
Daar bestelde hij een flesch wijn.
Ook dit trok Raffles’ aandacht.
Hij begreep, dat die man, die overigens nuchter scheen, zich in groote
ongerustheid moest bevinden, welke hij door wijn trachtte te verjagen.
Raffles, die zich een glas bier liet brengen en eenige sandwiches at,
bemerkte, dat de bediende verscheiden glazen wijn snel achter elkaar
leegdronk en starend voor zich uitkeek.
Eindelijk opende hij het pakket, dat hij in de hand hield en haalde een
ketting te voorschijn, die schijnbaar met kleine briljanten, paarlen en
robijnen was bezet en waaraan een medaillon hing.
„Aha!” dacht Raffles, „de arme kerel heeft geldzorgen. De ketting
behoort niet aan hem, maar aan zijn meester. Hij wil zich het sieraad
toeëigenen en zoodoende diefstal plegen.”
De bediende scheen steen voor steen te onderzoeken, nu en dan
hardnekkig het hoofd schuddend en zelfs eens met de vuist op tafel
slaand.
„Het sieraad schijnt hem niet genoeg waarde te hebben”, dacht Raffles,
„of misschien is het niet voldoende om er het geld, dat hij noodig
heeft, voor te krijgen.”
Na eenigen tijd stond de bediende op, betaalde en verliet het lokaal.
Bijna op den voet volgde Lord Lister hem naar buiten, waar het reeds
schemerdonker was.
Met haastige schreden snelde de man voort en sloeg den weg in naar de
Theems.
Raffles dacht, dat hij òf naar huis zou gaan, òf een bank van leening
opzoeken.
In plaats hiervan, liep de bediende dicht langs het hek, dat den
wandelweg van de Theems afscheidt. Af en toe keek hij schuw om zich
heen, totdat hij plotseling op een plaats, waar zich op dat oogenblik
niemand bevond, nog eens als een krankzinnige om zich heen keek en,
voordat Raffles het kon verhinderen, over het hek in de rivier sprong.
Deze wanhoopsdaad van den ongelukkige deed Raffles onmiddellijk
begrijpen, dat deze man geen dief was.
Zonder zich een oogenblik te bedenken, wierp Lord Lister zijn overjas
af en sprong eveneens in de Theems.
Het stroomende water had den zelfmoordenaar reeds tamelijk ver van den
oever meegevoerd.
Met krachtige slagen gelukte het Raffles om den ongelukkige, die reeds
den dood nabij was en wiens hoofd juist als een zwarte bal boven water
verscheen, te bereiken.
Reeds wilde hij toegrijpen, toen de drenkeling wederom verdween.
Tegelijkertijd dook ook Raffles; het gelukte hem den zelfmoordenaar in
den rug te grijpen en met een krachtigen stoot boven water te brengen.
De bediende had het bewustzijn nog niet verloren en, toen hij bemerkte,
dat hij gered zou worden, begon hij zich als een wanhopige te
verdedigen en te schreeuwen:
„Laat mij los! Ik wil sterven.”
Maar Raffles hield hem met ijzeren vuist vast, toen de bediende hem
plotseling bij de keel greep.
Lord Lister, die met de eene hand den ongelukkige vasthield en de
andere noodig had om te zwemmen, kon zich niet verdedigen.
Als met stalen schroeven omspande de hand van den bediende den hals van
zijn redder en sneed dezen bijna de lucht af.
Raffles begreep, dat deze strijd hem het leven zou kosten en er bleef
hem niets anders over dan met een vuistslag den zelfmoordenaar
onschadelijk te maken.
Reeds dreigden de krachten Raffles te begeven. De stroom had hem reeds
meegevoerd tot in het midden der rivier.
Daar daagde plotseling redding op.
Van af een koopvaardijschip, dat in de Theems voor anker lag, hadden
eenige matrozen de worsteling aangezien en een boot vlot gemaakt. Met
snelle roeislagen waren zij naderbij gekomen en trokken nu Raffles en
den bediende in de boot.
„Bravo, jongens”, riep de Groote Onbekende. „Een paar seconden later,
en de visschen in den Oceaan hadden zich aan mij te goed gedaan.”
Het duurde niet lang of het tweetal lag in warme dekens gehuld in
hangmatten in eene verwarmde kajuit, terwijl de matrozen hun grog
brachten.
De natte kleeren werden in de machinekamer te drogen opgehangen.
Nadat Raffles en de ongelukkige op hun verhaal waren gekomen, sprak
Raffles tot den stuurman, die den afwezigen kapitein verving:
„Laat ons nu eenige oogenblikken alleen, ik wil dien man iets vragen.”
Gehoor gevend aan dien wensch, verlieten de matrozen en de stuurlieden
de kajuit.
„Ik geloof niet”, sprak Lord Lister tot den geredde, „dat gij mij erg
dankbaar zult zijn voor uwe redding.”
„Vervloekt, Sir”, antwoordde de ongelukkige, „ik zou niet weten, waarom
ik u zou moeten bedanken, want gij hebt mij voor de gevangenis uit het
water gehaald.”
„Dat is nog zeer de vraag”, antwoordde Raffles, „er zijn middelen
genoeg om een mensch zelfs van de galg te redden.
„Ik ben bereid, om u, zoover het in mijn macht ligt, te helpen.
„Natuurlijk moet ge mij vertellen, wat u tot den zelfmoord heeft
gedreven.”
„Gij maakt mij beschaamd, Sir”, antwoordde de bediende, „maar ik stel
vertrouwen in u.
„Gij hebt uw leven voor mij gewaagd, en wie dat doet, helpt den ander
ook in een minder moeilijke positie.”
„Ik help u”, herhaalde Raffles, „en als gij u sterk genoeg gevoelt,
vertel mij dan nu, waarom gij in de Theems zijt gesprongen.”
De bediende richtte zich een weinig op in de hangmat, keek Raffles aan
en vertelde:
„Ik ben sinds een half jaar bediende van Lord Landsdale.”
„Aha”, mompelde Raffles, „de president van de Cros-Club.”
„Juist”, antwoordde de bediende, „kent gij mijn meester?”
„Zeker”, klonk het antwoord, „ik ben zelf lid van die Club.”
„Om ’s Hemels wil”, fluisterde de ongelukkige, „dan heeft een Lord mij
het leven gered?”
„Yes, mijn vriend”, glimlachte Raffles, „een echte Lord sprong je na in
de Theems om je armzalig leven te redden. En tot dank daarvoor heb je
je vingers gelegd om den hals van dezen pear van Engeland, die blauw
bloed in zijn aderen heeft en je hebt hem willen vermoorden.”
„Vergiffenis heer”, stamelde de bediende, „het was de wanhoop, die mij
daartoe dreef.”
„Stel je gerust”, antwoordde Raffles lachend, „ik heb maling aan mijn
Lords-titel. Ik ben precies zulk een mensch als jij. Mijn opmerking was
slechts scherts en spot. Vertel nu verder.”
Met zachte stem vervolgde de bediende:
„Uwe Lordschap kent mijn meester als een uitermate driftig en zeer
opvliegend mensch.”
„Jawel”, lachte Raffles, „ik weet, dat hij er met de rijzweep op
inslaat, wanneer zijn bevelen niet precies worden opgevolgd.
„Had je straf te wachten?”
„Veel erger. Zijn Lordschap zond mij naar den juwelier Brill in de
Oxfordstraat om een sieraad van zijn echtgenoote, dat zich daar ter
reparatie bevond, terug te halen.
„Ik had deze opdracht uitgevoerd, doch nauwelijks had de Lord het étui
geopend, of hij brak in een vloed van scheldwoorden los en riep in de
grootste opgewondenheid:
„„Dat is niet het sieraad, dat ik den juwelier heb gegeven!”
„Hij beval mij, dadelijk terug te keeren en het juiste voorwerp mee te
brengen.
„De goudsmid echter verklaarde mij het goede sieraad te hebben ter hand
gesteld. Dat, hetwelk ik hem nu liet zien, kende hij in ’t geheel niet.
„Ik wist niet, wat ik daarvan moest gelooven. Ik snelde naar Zijn
Lordschap terug en deelde hem mede, wat de man had gezegd.
„Daarop wierp Zijn Lordschap mij de grofste beleedigingen naar het
hoofd en schreeuwde, dat ik een dief, een bedrieger was en bij Raffles
thuis behoorde.”
„Dat is prachtig!” lachte de groote onbekende bij de laatste woorden,
zoodat de bediende verbaasd stond, waarom zijn redder plotseling zoo
hartelijk lachte.
„Gij steekt den draak met mij?” vroeg de ongelukkige bedroefd.
„In geen geval”, antwoordde de groote onbekende. „Ik amuseer mij alleen
over je Lord, omdat hij je verdenkt. Ge zijt een eerlijke kerel! Wat
gebeurde er verder?”
„Zijn Lordschap dreigde mij, mij aan de politie te zullen overleveren
wanneer ik niet binnen het uur het sieraad terugbracht, dat, naar hij
beweerde, een uiterst kostbare briljanten halsketting was van de Lady.
Ik ging naar den juwelier Brill terug en bezwoer hem, mij het goede
sieraad ter hand te stellen, daar ik anders in de gevangenis zou komen.
„Ik kan met den heiligsten eed bezweren, dat ik het pakket, dat de heer
Brill mij gaf, niet uit handen heb gegeven of opengemaakt, zoodat ik
het had kunnen verruilen.
„Maar de juwelier zette mij uit den winkel en telefoneerde
tegelijkertijd aan Zijn Lordschap, dat hij mij het goede sieraad had
meegegeven.
„Ik wist geen andere uitkomst dan mij van kant te maken.”
„Dat is eigenlijk geen uitkomst”, gaf Raffles ten antwoord, „het leven
beneemt men zich niet, want het is het kostbaarste, wat wij bezitten.
„Daarom wordt ook op zelfmoord de zwaarste straf gesteld, namelijk
eeuwige gevangenschap in een donkere cel. Maar hoe kom je tot zulke
gedachten? Het eene oogenblik voelt men zich zoo ellendig en wanhopig,
dat er geen andere uitweg schijnt te bestaan en het volgende oogenblik
kan het leven weer in helderen zonneschijn voor ons liggen.”
„Maar wat moet ik dan doen?”
„Wel, niets!” antwoordde Raffles.
„Ik zal persoonlijk Lord Landsdale bezoeken en met hem deze
aangelegenheid in orde brengen.
„De juwelier is een groote schurk, maar ik zal het hem betaald zetten,
daar kun je van opaan.”
Het zou nog verscheidene uren duren, voordat de kleeren van Lord Lister
weer droog waren geworden.
Daar hij echter niet zooveel tijd wilde verzuimen, vroeg hij den
stuurman, of deze hem een pak kon leenen.
De stuurman stemde toe en weldra stond de groote onbekende in
zeemanskleeren gereed om aan land te gaan.
Daar Raffles veel geld bij zich had, schonk hij aan de matrozen een
vorstelijke gift en liet zich door eenige van hen aan land roeien.
Tegelijkertijd gaf hij hun de opdracht den bediende niet te laten
vertrekken voordat hij zijn toestemming had gegeven.
Hij beloofde den stuurman, te zullen schrijven waarheen deze den
ongelukkige moest zenden.
DERDE HOOFDSTUK.
EEN SANDWICHMAN. [1]
Nauwelijks was Raffles eenige schreden voortgeloopen langs het Strand,
waar het op dit oogenblik druk was van schouwburgbezoekers en menschen
die afleiding zochten, toen vlak bij hem politie-inspecteur Baxter met
de vloo, zooals detective Marholm, de secretaris van Baxter, werd
genoemd, opdoken.
Lord Lister, die zijn zeemansmuts diep over het voorhoofd had
getrokken, een dikken doek om den hals had geknoopt, welken hij wegens
de avondlucht zoo hoog ophaalde, dat hij zijn mond geheel bedekte, liep
rakelings langs den inspecteur van politie, zoodat hun mouwen elkaar
aanraakten.
Raffles lachte in stilte.
Daarop overlegde hij, of hij niet een grap met Baxter kon uithalen.
Hij ging een sigarenwinkel binnen, liet zich een groot stuk papier en
blauw potlood geven en schreef daarop haastig eenige regels.
Hierna verliet hij den winkel.
De inspecteur van politie was nog niet ver weg, toen Raffles reeds weer
achter hem liep.
Hij bemerkte niets van hetgeen de groote onbekende achter zijn rug
uitvoerde.
Weer liep hij dicht langs Baxter heen en bleef toen op kleinen afstand
voor dezen loopen, den loop van een zeeman nabootsend.
Na eenige minuten bemerkte hij, dat de voorbijgangers, die achter
Baxter liepen, hartelijk lachten.
„Ik weet niet,” sprak de inspecteur tot Marholm, „wat de menschen toch
te lachen hebben”.
Op dit oogenblik trad een jonge man, die naar het uiterlijk een
winkelier moest zijn, naar hem toe en sprak:
„Goeden avond, Sir!”
„Wat wilt gij van mij?” vroeg Baxter op norschen toon.
„Ik wil een weddenschap met u aangaan”, antwoordde de ander lachend.
„Wat voor een weddenschap?”
„Ik weet, wie gij zijt?”
De inspecteur van politie keek zeer verbaasd.
Hij kende den koopman niet.
„Ik wed niet”, antwoordde hij met afwijzend gebaar.
„Allright!” sprak de koopman, „dan zal ik ’t u zoo zeggen. Gij zijt
politie-inspecteur Baxter van Scotland Yard. Hebt gij Raffles
gevonden?”
Hij nam zijn hoed af, lachte en ging verder.
Nauwelijks was hij weg, of een paar jongens grijnsden den inspecteur
aan en de een zei tot den ander:
„Dat is inspecteur Baxter van Scotland Yard, die John Raffles niet kan
te pakken krijgen”.
„Vervloekte bengels”, bromde de beambte en wilde met zijn stok naar hen
slaan, toen een luid gelach van het publiek hem deed aarzelen.
Waarheen hij keek, overal zag hij lachende gezichten.
„Ben ik betooverd?” vroeg hij aan Marholm, „laten wij het eerste café
binnengaan”.
Haastig verdween het tweetal in het bierlokaal.
Maar vreemd, ook hier, toen zij bij de toonbank stonden, begonnen de
bezoekers luide te lachen, wezen met de vingers naar den inspecteur,
totdat een der gasten op hen toetrad en sprak:
„Goeden avond, inspecteur—hebt gij Raffles al?”
Nu was Baxter’s geduld ten einde.
„Hoe kent gij mij?” vroeg hij den bezoeker.
„Hoe?” riep deze lachend uit.
„Ik wed, dat vanavond iedereen in Londen u kent”.
„Wel alle duivels!” riep de inspecteur buiten zichzelf uit, „niemand
kent mij behalve mijn beambten!”
„Dat is onmogelijk”, antwoordde de cafébezoeker, „maar ik zal u helpen.
Onder den kraag van uw overjas is op uw rug een groot stuk papier
vastgestoken. Lees dat eens!”
De vloo keek snel naar den rug van zijn chef, om op het volgende
oogenblik een groot stuk wit papier te voorschijn te halen, dat met een
hoek onder den kraag van de overjas was geschoven.
Hij hield Baxter het papier voor den neus.
Alle bezoekers van het lokaal kwamen om hem heen staan en lazen.
Met dikke letters in blauw potlood stond er op geschreven:
Let op!
Dit is mijn Sandwichman, politie-inspecteur Baxter
van Scotland Yard, die onbekend wil blijven! Men
vrage hem naar mij.
Veel groeten van
JOHN C. RAFFLES.
Terwijl de bezoekers in een luid gelach uitbarstten, draaide alles voor
de oogen van inspecteur Baxter in het rond.
Daarop pakte hij als een razende stier het plakkaat beet om het in
flarden te scheuren.
Maar de eigenaar van het café greep het met een snelle beweging uit
Baxters hand en riep:
„Laat mij dat papier, heer inspecteur!”
Nu wendde de van woede brieschende beambte zich tot Marholm en
overlaadde dezen met een vloed van scheldwoorden, omdat hij niet had
gezien, hoe het plakkaat op den rug van zijn chef was gekomen.
„Raffles maakt mij gek en jouw domheid erbij!” schreeuwde Baxter.
Daarop verlieten zij het lokaal.
Eenige oogenblikken later reeds werd het restaurant bestormd door
verslaggevers, die van het geval hadden gehoord en spoedig verdrong
zich een dichte menschenmassa voor het venster, waarvoor de eigenaar
het plakkaat had opgehangen.
John Raffles zou hebben genoten bij het zien van al die menschen, die
de grootste pret hadden.
Hij was intusschen per spoor naar zijn vossenhol teruggekeerd.
Charly Brand verbaasde zich er over, hoe zijn vriend aan het
zeemanspakje was gekomen en luisterde vol verbazing naar de verhalen
over den schurkachtigen juwelier, den ongelukkigen bediende en den
inspecteur van politie, die voor sandwichman had gespeeld.
VIERDE HOOFDSTUK.
EEN PAK SLAAG.
„Ik heb van mijn vroegere werkzaamheden een kistje vol prachtige
damesringen overgehouden”, sprak Lord Lister, terwijl hij een zwart
étui op tafel zette en het opende.
„Je moogt geen heerenringen dragen, want je zoudt wel eens in de
noodzakelijkheid kunnen komen om je handschoenen uit te moeten trekken
en een dergelijke kleinigheid zou je verdacht maken.
„Men moet de rol, die men speelt, tot in de geringste bijzonderheden
doorvoeren. Slechts dan kan men eenig resultaat verwachten. Kies dus
hier eenige uit.”
Charly Brand zocht uit de ringen eenige exemplaren, die hem bevielen en
schoof ze aan zijn vingers.
Raffles bekeek de hand van zijn vriend en sprak:
„Je bent werkelijk door de natuur ruimschoots bedeeld met vrouwelijk
schoon, daarom heb je ook een eenigszins week en zenuwachtig karakter.
„Hedenavond ben ik van plan met je naar een schouwburg te gaan, om eens
te beproeven, welken indruk je maakt als dame.”
„Het is mij zeer onaangenaam”, sprak Charly Brand, „in deze kleeren te
loopen. Ik zal blij zijn, als ik er weer van verlost ben. Ik ben al
tweemaal uitgeweest en herhaaldelijk door heeren lastig gevallen.”
„Zoo, zoo”, sprak zijn vriend, „de gentlemen hebben dus een goed oogje
op je. Nu, wij zullen vanavond eens zien.”
Het was tegen half elf des avonds, toen zij, uit een schouwburg komend,
een deftig restaurant binnengingen en aan een klein tafeltje plaats
namen, dat keurig voor een souper gedekt was.
John Raffles had zich gestoken in de uniform van een Engelsch
marine-officier en zijn gelaat onkenbaar gemaakt door een zwarten,
kortgeknipten ringbaard.
Charly Brand droeg een gedistingeerd avondtoilet en een grooten,
modernen hoed vol struisveeren.
Zij hadden juist hun soep gegeten, toen Raffles Charly Brand onder de
tafel op den voet trapte en sprak:
„Wij krijgen interessante buren.”
Charly keek in de aangeduide richting en ontdekte inspecteur Baxter met
twee jongere heeren.
Zoowel hij als de beide heeren waren in avondtoilet, hadden witte
orchideeën in de zijden opslagen van hun smokings en waren in uiterst
vroolijke stemming.
„Zij zullen in een schouwburg zijn geweest”, fluisterde Raffles. „De
inspecteur schijnt vrij van dienst te zijn en zijn tijd te besteden met
eens flink te boemelen. Ik heb hem altijd voor een ouden zwierbol
gehouden, maar ik betrap hem nu voor den eersten keer.”
De groote onbekende verloor Baxter geen oogenblik uit het oog.
De secretaris zag, hoe af en toe een vroolijk glimlachje over Raffles’
gelaat vloog.
„Waarom lach je?” vroeg Charly Brand.
„Ik amuseer mij over onzen vriend Baxter. Hij tracht tevergeefs een
gesprek aan te knoopen met een paar opzichtig gekleede dames, die met
eenige heeren dichtbij hem zitten. Luister eens, Charly, ik heb een
prachtig idee!
„Wij zullen vannacht niet naar ons vossehol teruggaan, maar in ons
klein kwartier in de Holbornstraat overnachten.
„Hier heb je een sleutel. Ik heb zelf een tweede exemplaar.
„En nu, let op:
„De inspecteur zoekt, naar ik merk, damesgezelschap. De gentleman vindt
het vervelend om den nacht alleen met een flesch wijn door te brengen.
„Ik zal nu het restaurant verlaten en ik durf mijn gewone weddenschap
aangaan: tien pond tegen een pruimepit, dat, zoodra ik ben heengegaan,
onze lieve, beste vriend met je begint te praten en je het hof gaat
maken. Daarvoor zal hij voorbeeldig gestraft worden.”
Charly Brand trommelde nerveus met zijn vingers op tafel.
„Is het werkelijk waar, moet ik met den inspecteur van politie
coquetteeren?”
„Niet alleen dat,” antwoordde Raffles, „maar alles wat daarbij behoort
en daarna laat je je door hem naar huis brengen.
„Het zal een grap worden, om nooit te vergeten. Je kunt volkomen
onbezorgd zijn. Je ziet er echter uit dan alle dames, die hier zitten,
en geen sterveling zoekt achter je melkgezicht, dat je iets anders bent
dan een dame.
„Zelfs je stem is zeldzaam vrouwelijk.
„Misschien is dat de reden, waarom ik je zoo graag bij me heb.
„Een vrouw zou ik om haar onverstandigheid en nieuwsgierigheid nooit
als vertrouwde kunnen gebruiken.
„Luister dus eens, mijn jongen:
„Ik verlaat het restaurant, laat het verdere aan den inspecteur van
politie over.
„Onthoud echter nog één ding: Zeg vier keer „neen”, voordat je éénmaal
„ja” zegt.”
John Raffles betaalde het souper, kuste galant de hand van Charly
Brand, zooals hij het een dame zou hebben gedaan en verliet het
restaurant.
Alle aanwezigen keken den rijzigen zee-officier, wien de uniform kranig
stond, na.
Zoo ook inspecteur Baxter en diens vrienden.
Nauwelijks was Lord Lister verdwenen, of de inspecteur van politie
sprak tot den jongen koopman Webster, die naast hem zat:
„Waarvoor houdt gij de dame, die met den marine-officier soupeerde?”
Mr. Webster keek naar het door Raffles verlaten tafeltje en, terwijl
hij Charly Brand fixeerde, antwoordde hij:
„Voor een dame uit de beste kringen.”
„Natuurlijk”, antwoordde Baxter, „maar ik bedoel, of zij met hem gehuwd
is?”
„Daar valt niet veel van te zeggen.”
„Gij schijnt u sterk voor die dame te interesseeren, inspecteur.”
„Dat wil ik niet ontkennen. Zij is ontegenzeggelijk een schoonheid. Ik
zou dolgraag den avond met haar doorbrengen.”
„Nonsens!” meende Mr. Webster, „dat zult gij u moeten ontzeggen.”
„Oho!” lachte Baxter, „mannen zooals wij, breed van gestalte en met een
knap uiterlijk, hebben bij iedere vrouw succes.
„Ik wed om drie flesschen champagne, dat het mij zal gelukken, binnen
eenige minuten gehoor te krijgen bij de dame. Zij zal het prettig
vinden, niet meer alleen aan de tafel te zitten.”
„Vertel toch geen nonsens”, antwoordde Mr. Webster, „als de officier
terugkwam, zou het wel eens oorvijgen kunnen regenen.”
„Dat zou de vraag zijn”, sprak Baxter, „zoo gauw geeft men mij geen
oorvijgen. Overigens ben ik tegen iedereen opgewassen, dat brengt mijn
beroep mee.”
„Daaraan twijfel ik niet”, antwoordde de ander op drogen toon, „als gij
geluk hebt, vertel mij dan morgen hoe het avontuur u is bekomen.”
Inspecteur Baxter hoorde nauwelijks nog de woorden, die de jonge man
tot hem sprak.
Hij liep rechtstreeks op het tafeltje toe, waaraan Charly Brand zat,
die zich blijkbaar verveelde en in een klein notitieboekje las.
„Pardon, dame”, sprak Baxter tot hem met een onberispelijke buiging,
„ik bemerk reeds sinds een half uur, dat gij alleen zit. Misschien is
het mij mogelijk, u den tijd, gedurende welken gij op uw gezelschap
moet wachten, te bekorten.”
„Pardon, ik wacht niet”, antwoordde Charly Brand met zachte stem,
terwijl een kokette blik onder den breeden rand van den
struisveerenhoed naar den inspecteur werd geworpen.
„Ah, wacht gij niet?”
„Neen. Ik lijd een beetje aan slapeloosheid en ben daarom nog hier
gebleven, terwijl mijn echtgenoot zich naar het departement van marine
heeft begeven, waar hij nachtdienst heeft.”
„Jammer!” sprak Baxter.
„In hoeverre?”
„Staat gij toe?” vroeg de inspecteur en zonder een antwoord af te
wachten, nam hij plaats op den stoel, dien Raffles had verlaten.
Hij voelde zich reeds als overwinnaar en, terwijl hij de wijnkaart
opnam, vervolgde hij:
„Wat mag ik voor u bestellen, mevrouw?”
„Ik drink nog koffie.”
„Dat zal niet bevorderlijk zijn voor uw slapeloosheid.”
„Och”, antwoordde Charly Brand lachend en Baxter was in verrukking over
het prachtige gebit der mooie dame, „ik ben aan koffie en sigaretten
gewoon, maar als gij u iets te drinken wilt bestellen, ga dan gerust uw
gang.”
„Gewonnen”, dacht de inspecteur, „zij heeft mij niet afgewezen.”
Hij keek naar zijn verlaten stoel en bemerkte, dat zijn beide vrienden
over hem spraken.
„Afgunstig!” mompelde hij, „zoo zie je weer, den dappere behoort de
wereld!”
Hij bestelde een halve flesch champagne en het gesprek tusschen hem en
Charly Brand werd al vertrouwelijker en geanimeerder.
Zijn beide vrienden stonden net een uurtje op en namen afscheid van
hem.
Baxter glimlachte vol trots, toen hij de bewonderende blikken zag,
welke zij op de schoone jonge dame wierpen.
Nauwelijks hadden de beide heeren het restaurant verlaten, of Charly
Brand begon te geeuwen en ging zijn handschoenen aantrekken.
„Wilt gij heengaan?” vroeg Baxter op teleurgestelden toon.
„Ja”, antwoordde Charly Brand, „ik begin vermoeid te worden en, hoe
aangenaam mij uw gezelschap ook was, toch moet ik nu afscheid nemen”.
„Zou mijn verder gezelschap u niet aangenaam zijn?” vroeg Baxter met
verlangenden blik.
Charly Brand sloeg koket de oogen neer, zooals hij dat dikwijls van
dames had gezien:
„Ik weet het niet, ik ben bang”.
Baxter waagde het, zijn hand op den arm der mooie, jonge vrouw te
leggen.
Op overredenden toon sprak hij:
„Mevrouw, voor mij behoeft geen enkele dame bang te zijn.”
„Dat komt uit”, dacht Charly Brand en hij antwoordde:
„Meent gij dat werkelijk?”
„Ik zal u het bewijs geven”, sprak Baxter. „Gij kunt bij uw echtgenoot
niet onder veiliger hoede zijn dan bij mij”.
Zonder iets te antwoorden, liet de jonge secretaris zich den
avondmantel om de schouders leggen, Baxter trok snel zijn overjas aan
en beide verlieten het lokaal.
Het waren behaaglijke, prachtvol ingerichte appartementen, die Raffles
zich in de Holbornstreet had ingericht.
Hierheen begaven zich na een korten autotocht Mr. Baxter en zijn
schoone.
„Wij moeten voorzichtig zijn”, fluisterde Charly Brand tot den
inspecteur, toen zij de woning binnen gingen, „opdat mijn kamermeisje
niet wakker wordt”.
Op de punten van zijn teenen volgde Baxter de mooie vrouw naar een
klein, in rococostijl ingericht salon, waar hij haar den mantel afnam
en eveneens zijn overjas uittrok.
„Neen, mijnheer”, beduidde Charly Brand hem, „gij moogt hier niet
blijven. Ik heb mij door u naar huis laten brengen, omdat ik het u had
beloofd, maar nu moet gij gaan”.
Maar Baxter had door den wijn en door den betooverenden indruk, dien
Charly Brand op hem maakte, alle zelfbeheersching verloren.
„Neen”, riep hij, „niets kan mij uit dit boudoir verdrijven, ik
trotseer alles”.
Charly Brand, die juist zijn hoed vol struisveeren had afgezet, keek
Baxter schijnbaar verschrikt aan.
„Een uurtje wil ik blijven”, sprak de inspecteur, „daarna zal ik dit
heerlijke nestje verlaten. Niemand zal het bemerkt hebben.”
„Het is hier vreeselijk warm”, sprak Charly Brand, „vindt gij ook
niet?”
„Ja”, antwoordde Baxter, zich het zweet van het voorhoofd vegend. „Als
gij het toestaat, trek ik mijn smoking uit.”
De Engelsche dames zijn het, evenals de Amerikaansche, gewend, dat de
heeren uit de beste kringen zich ongegeneerd van dit kleedingstuk
ontdoen.
Zoo deed ook Baxter.
Charly Brand had in achtelooze houding op een divan, die met een
ijsberenvel was bedekt, plaats genomen en liet het mooie hoofd in de
hand rusten.
Nu knielde Baxter voor hem neer en met zijn rechterhand op het hart,
sprak hij:
„Ik kan niet nalaten u van mijn gevoelens jegens u te spreken. Ik bemin
u, schoone onbekende, ik bemin u, zooals slechts een man beminnen kan;
verhoor mij en geef mij een kus van uw schoone lippen.”
Hij wilde den arm om Charly’s hals slaan, toen hij plotseling bij den
kraag werd gegrepen, een paar klinkende oorvijgen kreeg en languit op
het tapijt rolde.
„Ellendeling, wat doet gij hier bij mijn vrouw?” schreeuwde Raffles.
De inspecteur van politie keek met angstige blikken op naar den
marine-officier.
Hij zag, dat Raffles in de eene hand een revolver hield, waarvan hij
den loop op hem richtte.
„Om ’s Hemels wil, schiet niet!” schreeuwde Baxter, „ik zal
onmiddellijk het huis verlaten—er is niets gebeurd.”
„Neen”, riep Lord Lister met donderende stem, terwijl hij inwendig
lachte, „levend komt gij, schurk, niet uit deze kamer. Nu zullen wij
afrekenen. Na u komt mijn vrouw aan de beurt.”