Ik heb eens iemand ontmoet, die veel in Friesland gereisd had, maar van
de meren nooit iets had gezien, dan alleen, wat hij noemde, een grooten
plas midden in de kale weiden tusschen Workum en IJlst. Dat zijn de
Oudegaster Brekken en daar gaat de trein vlak langs. Inderdaad liggen
die meren verborgen, haast nooit gaat er een berijdbare weg langs hun
oevers of dwars er door heen, zooals dat met de Utrechtsche meren het
geval is.
Die Friesche meren liggen in een breede strook door de heele provincie
heen en hebben door allerlei vaarten en plasjes gemeenschap met
elkander. Het land, dat er tusschen ligt, is voor het meerendeel ook
laag en dras, maar er is uitstekend hooiland bij en dat maakt, dat het
nog al dicht bevolkt is. Het aanleggen van wegen schijnt er echter
altijd heel moeilijk geweest te zijn, zoodat tal van boerderijen en
gehuchten alleen te water bereikt kunnen worden. Er zijn maar drie
rijwegen, die dwars door het gebied heen leiden: de straatweg van de
Lemmer naar Sneek, die van Heerenveen naar Leeuwarden en die van
Drachten naar Bergum. Geen wonder dus, dat de bewoners van deze streken
uitstekende zeilers en schaatsenrijders zijn geworden en dat de
Friesche meren in de toeristenwereld een vermaardheid hebben verworven,
die misschien nog wel niet gelijk staat met die van de Alpen, maar er
toch niet heel ver onder blijft.
Wanneer mijn vriend, die niet zeilt of meezeilt, iets van de Friesche
waterbeweging te zien wil krijgen, dan kan hij niet beter doen, dan op
een mooien zomermorgen eens een uurtje te gaan zitten in de bovenzaal
van het hotel Oostergoo (143) te Grouw of op het onmetelijk balkon van
de aloude waterherberg Oude Schouw. Wij hebben dat eens gedaan op een
winderigen Augustusmorgen, van uit Leeuwarden. We hadden den tijd, om
een beetje om te rijden en nu hadden we in ons oude reisgidsje een
mooie beschrijving gelezen van de Wiarda state bij Goutum en wilden
daar wel eens iets van zien. Wij naar Goutum, maar van de state noch
van zijn voorplein en singels en hoog geboomte was geen spoor meer te
ontdekken. Alles was geslecht en vergraven, er stonden een paar nieuwe
huizen en er was ook nog een overschotje van een terp, dat er misschien
ook nog aan moet gelooven. Zoo verandert hier in korten tijd het
aangezicht der aarde.
Wij bleven onzen binnenweg houden en die leidde aangenaam kronkelend
langs mooie boerderijen naar het aanzienlijk dorp Warga. Er is een brug
midden in het dorp en als je daarop staat zie je naar het noorden een
alleraardigst schilderijtje: huizen en schuurtjes met kleurige tuinen
uitkomend aan ’t water, vroolijk beschilderde schepen en op den
achtergrond een reusachtige korenmolen met daarnaast een
scheepstimmerwerf met een mooi zeilvaartuig op de helling. En al die
bedrijvigheid lag nu in de rust van den zonnigen Zondagmorgen.
Toen verder langs de Wargaster Vliet. De klinkerweg werd grindweg en de
grindweg liep ten slotte uit op niets, daaraan merkten we nu, dat we in
het gebied van de Friesche meren kwamen, de streek der blindloopende
wegen. Gelukkig konden we bij een watermolen overgezet worden en langs
een polderkade met de noodige hekken Eagum bereiken met zijn witte
kerkje in de witte wilgen. Vandaar bereikten we over Roordahuizum weer
den grooten straatweg en zoo kwamen we vlug tot Irnsumerzijl (132),
nadat we ons onderweg nog een even hadden opgehouden, om te kijken naar
een partijtje jongelui, die met grooten ijver in het weiland aan het
kaatsen waren. „Hoe echt Friesch”, zeiden we, maar we begrepen er niets
van. Maar als je nagaat, dat kaatsen in het Friesche volksleven al een
even belangrijke plaats inneemt als zeilen en schaatsenrijden, dan
begrijp je vanzelf, dat het een nobel spel moet zijn. De weg van
Irnsumerzijl naar Grouw is ook alweer iets heel aparts; een breede
vlakke, harde macadamweg, omzoomd door hooge witte wilgen: een mooie
toegang tot een beroemd oord.
Even voor het dorp zagen we rechts een mooi park en daarin het
borstbeeld van Dr. Eeltje Halbertsma, den bekenden Frieschen dichter en
schrijver. Hij is te Grouw (115) geboren in 1797, heeft daar veertig
jaar lang gewerkt als geneesheer en is er in 1858 gestorven. Hij en
zijn broeders Joost en Tjalling hebben hun leven lang geijverd voor den
bloei der Friesche taal en wel op de best mogelijke manier door het
schrijven van gedichten en vertellingen, die later verzameld zijn tot
één bundel: Rimen in Teltsjes fen de Broarren Halbertsma. Daar zijn er
onder, die het zeker voor een Hollander de moeite waard maken om zich
eens een maand of zoo te oefenen in het lezen van het Friesch. Het is
geen heksenwerk en misschien vindt ge ook nog wel een vriendelijken
Fries—ze zitten overal—die u een handje helpen wil met de uitspraak.
Voor de aardigheid schrijf ik een paar regels over, probeer maar eens
wat ge er van maken kunt. De Moarntiid: It ljocht brekt throch de
griene gerdynkes. De klok slacht hjelwei-fîwen. De wylde fuwgels
tjirmje oer ’t fjild. De hoanne krait, ind de lipkes liepe yn ’e finne.
De protters quele end thjotterje op it uwleboerd ind de scoárstien. De
earebarre klaphalzet. De ljurken sjonge oer ’t scuwrre. De âlde mem
hjert de klok. „Bauk, seit hja, dou mast er oafkomme, fanke! ind roppe
Hidde ind de feint: den ken de âldboer yette hwet lizzen bljouwe”.
„Goed,” seit Bauk, ind wrjouwt erris yn ’e eagen, ind strykt oer ’e
reade roune wangen. Hja klait hjar oan, ind ropt Hidde ind de feint.
En hier een zeer mooi versje, een schets van een stillen zomeravond op
het meer: