It Marke

It wier op en simmerjoun

It sintje stoe op e’ groun

Wol heal yn ’e douwe wei

Krek, oaf ’t er yn ’t wetter lei

Seafkes in stil wier de wrôad

It wetter lei sonder fôad

In ’t goudene sinnefjoer

Spraatte syn gleaunte er o’er.

Heel beroemd is ook het:

Roalje, roalje wetterweagen

Roalje ind bruws om ’t âlde Grou

Myriaden foar uws eagen

Fleagen, stauwen om uws Grou

Roalje, roalje uws foârby

Hirde Friezen bljouwe wy.

Nu, wij zaten al gauw in Oostergo naar die myriaden te kijken. Het dorp

met zijn hooge grijze kerk en zadeldaktoren, ligt op een schiereiland

tusschen de Grouw en het Pikmeer, en het hotel ligt weer op het puntje

van het schiereiland. Het meer is niet groot en ligt in de vlakke

weiden. Een paar groote schuitenhuizen herbergen de mooie boeiers,

tjotters, sloepen, jollen en motorbooten der Grouwsters en daarvan zijn

de meeste nu op het water. Al wat van de meren uit den Sneeker hoek

naar Leeuwarden, Bergum of Drachten wil gaan, moet hier passeeren en ’t

is dan ook een onafgebroken gaan en komen van allerlei vaartuigen,

bruine breedsnuitige boeiers, slanke scherpe witte jachten, een

tjottertje met padvinders, groote en kleine motorbootjes, zeilwherries

en een paar stoombooten met pleizierreizigers, volle muziek aan boord

en rondom behangen met schril gekleurde papieren knipsels en bloemen.

Dat gaat dan het Pikmeer over, sommigen de Nieuwe galle in naar Warga

en Leeuwarden, anderen rechtuit naar het Biggemeer en zoo door de Graft

naar een ander beroemd waterdorp, het mooie Wartena. Nog weer andere

gaan zuidwaarts en zoeken de Wijde Ee, die verderop Kromme Ee wordt en

dan weer Wijde Ee, dan Monniker Ee en Smalle Ee en Eesterzanding en zoo

leidt naar het Bergumermeer en het Caspar de Roblesdiep. Tusschen die

Ee in en de Graft ligt het waterland van Eernewoude, om zijn

vogelwereld en plantengroei haast even merkwaardig als het Naardermeer

en als je lang genoeg daarover denkt, dan zie je al gauw een vaartuig

te krijgen, om die buurt te verkennen.

Vandaag hadden we daar geen tijd voor, maar we wipten nog gauw even op

de fiets om een kijkje te nemen op dat balcon van Oude Schouw (131).

Daar loopt de Boorn achter langs op Irnsumerzijl en Grouw aan en recht

vooruit heb je de Wetering, die naar het Sneekermeer leidt. Heel goed

konden we op het Sneekermeer (127, 128) de witte zeilen zien blinken en

zwaaien en menig scheepje kwam er de Wetering in en bij ons door de

brug, maar niet het scheepje dat wij verwachtten, een lange wherry, die

de Longfellow heet en bemand moest zijn met vier lange vrienden van me,

allemaal langer dan 1 M. 85 c.M. We hadden ze voor dien avond te eten

gevraagd in Leeuwarden en wilden ze bij de Schouw alvast begroeten. We

wachtten echter tevergeefs.

’s Avonds echter, toen de tafel gedekt was, kwamen ze opdagen en aten

dubbele porties. Ze deden de zeven-provinciëntocht en waren er vol van,

hoe ze met hun slanke bootje over zee gezeild hadden van Hoorn naar

Enkhuizen en hoe de veerboot op Stavoren voor een prikkie de heele

wherry als bagage had overgezet. Dan de reis in de lengte door Morra,

Fluessen en Heegermeer, waar een eindelooze rij van tonnen het veilig

vaarwater wijst. Dan hadden ze ’t over IJlst en Sneek, de Houkesloot en

een fabelachtig mooien overtocht in den maneschijn over het Sneekermeer

naar de Terhornstersluizen (129), die zoo mooi in de boomen liggen. En

hoe jammer het was, dat ze het Tjeukemeer (122) moesten missen. En al

die aardige lui, die ze op het water hadden ontmoet, het kampeeren en

picniccen op aardige plekjes langs den waterkant en den goeden tijd,

dien ze gemaakt hadden met roeien hier, en zeilen daar, ik ben al lang

vergeten hoeveel kilometers in het uur. Onderhand aten ze als wolven en

na ’t eten moesten we nog de stad in om provisie in te slaan, want ze

wilden dienzelfden avond nog verder, om nog een eind op te schieten

naar het Bergumermeer. De wherry was gestald op een werfje heel aan het

eind van de Vliet (144), een winkelbuurt met arbeiderswoningen. Toen

wij daar door moesten dacht ik, dat we wel eens last zouden kunnen

krijgen van de lieve jeugd, tenminste in Amsterdam was het stellig een

herrie van belang geworden. Onze lange jongens zagen er nog al

opzichtig uit ten eerste vanwege hun lengte en dan hadden ze ook

schelle roodgestreepte zeiljasjes aan en twee ervan hadden zich getooid

met zeer dwaze kleine petjes. Ook waren ze beladen met groote zakken

met vruchten en een droeg er een flesch met brandspiritus. De Mater en

ik liepen er gedwee tusschen in. Welnu, de kinderen van de Vlietgracht

gaven wel een enkele opmerking ten beste en de ouderen uitten allerlei

ondeugende vermoedens omtrent den inhoud van de flesch, maar de

stemming bleef vriendelijk, zelfs als onze Piet in het Hoog-Maleisch

van antwoord diende. Geen sprake van jouwen of naloopen en in gedachten

staken wij den Leeuwarders dankbaar een nieuwe pluim op den hoed.

Het schemerde al, toen we in de buurt der werfjes kwamen, waar we

tusschen scheepshellingen door, over hellingen en langs teervaten de

ligplaats van de Longfellow bereikten. Alles werd aan boord gebracht,

de waterkannen gevuld en de jongens scheepten zich in, een aan ’t roer,

een voorin, twee aan de riemen. Klaar boeg? Klaar slag? Vooruit! en

daar schoot de boot voort, gestuwd door de krachtige gelijkmatige

riemslagen. Boffers van jongens, we zagen ze in ’t donker verdwijnen,

de roode maan kwam net in ’t Oosten op. Over een paar minuten zullen ze

de Froskepolle voorbijschieten en dan roeien ze nog een paar uurtjes

voort, om op een veilig plekje tusschen het riet in hun bootje te

overnachten. Morgen halen ze Groningen, in twee en een halve dag zijn

ze dwars door Friesland heen geroeid. Als je ze nu vraagt, wat ’t

mooiste was, dan zeggen ze: het Sneekermeer bij maneschijn.

Nu, ik heb dat Sneekermeer ook nog bevaren en nog al op den 30sten

April, in den mooisten tijd van het jaar, tusschen het eerste

nachtegalenlied en het eerste groene beukenblad. ’s Morgens heel vroeg

gingen we naar de jachthaven en ’t was een lust, daar in de ruime hal

al die mooie, goed verzorgde, haast vertroetelde vaartuigjes te zien

liggen in groote verscheidenheid. Wij scheepten ons met z’n drietjes in

op een flinke motorboot, rank en licht en blinkend van witte verf en

spiegelend koper, met spiegelglas en mahoniehout. Daar houd ik van, al

kan ik ook heel tevreden zijn, als ik in een oud verweerd schuitje

rondscharrel door de rietslooten. De Longfellows als roeiers en zeilers

zien natuurlijk neer op een motorboot, maar jonge, jonge, ’t is zoo

prettig als de motor mooi gelijkmatig werkt, om dan met de hand op ’t

licht bewegelijk stuurrad de golven te klieven en rond te zien! Met wat

een goede verwachting voeren we het haventje uit en langs een paar

molens en fabrieken de Houckesloot in, het breede vaarwater, dat jaar

in jaar uit duizenden vaartuigen draagt voor nut en genoegen. De oevers

zijn wat ondiep, ik moest dus liefst het midden houden. We waren al

spoedig in de weiden, waar de leeuweriken (ljurks) hun morgenzang

uitjubelden, terwijl de kieviten (ljiips) onder heesch geschreeuw

rondbuitelden in den morgennevel. Dra kwamen we aan een kruiswater,

waar de Modderige Geeuw (wat een naam!) uit het zuiden komt en hier

hielden we een weinig af, om langs de Roekoe-polle het eigenlijke meer

te bereiken. Deze Roekoe-polle, die wel niet aan een tortelduif maar

hoogstwaarschijnlijk aan een roode koe zijn naam te danken heeft, neemt

een heel belangrijke plaats in in het Friesche volksleven, want daar

heeft bij de groote zeilwedstrijden van Augustus de jury haar

standplaats. Deze zeilwedstrijden zijn tegelijk een volksfeest en

waterkermis en de derde Woensdag in Augustus wordt door heel ’t

omliggend land en ook in verwijderde streken elken zomer met ongeduld

verbeid.

Wij waren nu op het wijde meer. Er woei een forsche Noordwester, er

stonden werkelijk golfjes met witte koppen en daar huppelden we nu

lustig over heen. Hier en daar peilden we eens, meer uit

belangstelling, dan omdat het voor de vaart noodzakelijk was en

zoodoende vonden we ook te gelegenertijd de ondiepte, die den noordhoek

van het meer geheel doorsnijdt en bekend is onder den naam van

Gravinneweg. Daar loopen over die ondiepte allerlei geruchten. ’t Is

moeilijk te gelooven, dat het een verzonken weg zou zijn, zoo solied

maakten ze de wegen niet in vroeger eeuwen. Veeleer is het gewoon een

zandrug, zooals er in het veenland hier en daar wel meer opduiken. Nu

liepen we voor den wind weg en naderden snel een landtong, een groene

weide, die maar even boven het water uitkwam en langs den oever stond

de groote gele dotterbloem te bloeien, bespat door het schuim. Je kon

net over die wei heenkijken en daar wobbelde en wiebelde het van

allerlei vogels. Toen we naderbij kwamen en scherp toezagen, bleken dat

haast allemaal grauwe ganzen te zijn. Groote dikke grauwe ganzen bij

dozijnen, die stapten rustig over de wei rond, zooals ganzen doen en

ropten met hun dikke snavels het jonge gras af. Hun nekken hadden

slangachtige bewegingen. Rondom de troep stonden er met de halzen hoog

in de lucht, dat waren de schildwachten, die uitkeken en die blijkbaar

geen wantrouwen hadden in onze motorboot, want ze maakten geen alarm.

Het was een groot genot, deze schuwe vogels zoo van nabij bij hun

bezigheden te kunnen bespieden. Later op den dag zagen we nog groote

vluchten van wilde ganzen in de lucht, sommige heel behoorlijk in den

vorm van een V, andere in rechte lijnen achter elkaar aan. De

voorjaarstrek was nog in vollen gang.

Zoo’n gezelschap grazende wilde ganzen krijg je anders niet gemakkelijk

te zien, maar wie in ’t voorjaar op de Friesche meren vaart, als de

rietzoom nog niet hoog is opgeschoten, ontdekt een geheel nieuwe

wereld. ’t Is of een gordijn, dat alles voor je verborgen hield, opeens

wordt opzij geschoven. Wij bleven nog een beetje koersen langs dat lage

grasland en ankerden ook een kleine wijl in de luwte van een boschje

waterwilgen, dat in vollen bloei stond, de goudgele katjes wiegelden

langs de blauwe lucht. Er scheen nu een helder zonnetje, maar de wind

was nog straf. Weer zagen we veel vogels langs den waterkant in ’t

gras, kleiner dan de ganzen en bonter van kleur, daar waren grijze,

zwarte, bruine en oranje figuren bij. Koppen of snavels kon je haast

niet zien, alleen een gewapper van lange veeren. Af en toe zag je er

een paar vechtend in de hoogte springen, anderen doken neer in het gras

en maakten allerlei gekke buigingen en grimassen. Een stuk of tien

grijze vogels liepen er op slanke pootjes om heen, net of het hun niet

aanging, maar ze waren wel degelijk bij de zaak betrokken. We troffen

hier namelijk een kampplaats van kemphaantjes, een „hoantsje rid”. De

Friezen noemen namelijk den kemphaan „hoants” en zijn wijfje

„hoantsje”. Wij hebben dien dag zeker wel duizend hoantsen en hoantsjes

gezien. We hoefden maar eventjes stil te liggen en met den kijker het

eindelooze vlakke land af te zoeken, om ergens zoo’n bont dwarrelend

groepje van vechtende vogels te ontwaren. Er zijn er hier meer dan op

Texel. Ook de andere vogels kwamen in grooten getale opdagen en in het

bijzonder gaven de grutto’s leven aan het landschap. Deze heeten hier

„skriër” en dat is licht te begrijpen, want den heelen dag vliegen ze

jodelend en schreeuwend rond. Als ze wat dichtbij komen, en dat doen ze

dikwijls genoeg, dan zie je, hoe ze hun langen rechten snavel

opensperren, het groote oog blinkt voor hun hooge achterhoofd, hals en

borst zijn mooi rossig grijs, de vleugels met witte streepen en buiten

den wit met zwarten staart steken heel kluchtig nog net hun

achterwaarts gestrekte pooten uit. Een heerlijk gezicht, die skriërs in

de blauwe voorjaarslucht. Dan weer kwamen groote zwart-met-witte

scholeksters aanschieten, schel gillend en den harden rooden snavel

juist op onzen neus gericht. En overal schermden kieviten en zongen

leeuweriken. Een enkele maal kwam een bruine kiekendief overvliegen,

een „hoanskrobber” en toen zag je pas hoeveel vogels daar huisden, want

in de buurt van elk nest vloog een klagende of booze vogel op en de

dappere kieviten en scholeksters vielen den roofvogel met zooveel

volharding aan, dat hij zich eindelijk maar uit de voeten maakte, om

zich waarschijnlijk tevreden te stellen met kikkers, inplaats van

versche eitjes. Met een soort van weemoed vertelden mijn beide Friezen

mij, dat de eiertijd voorbij was, het zoeken van kievitseieren is

slechts veroorloofd tot 28 April. Anders waren we al lang geland om

eens een kansje te wagen. Nu tuften we weer over een breed meer, een

prachtige woelige watermassa, de Goëngarijpsterpoelen en we prezen onze

motorboot, die ons makkelijk bracht waar wij wilden, terwijl bij dezen

sterken wind het zeilen zeker wel interessant, maar toch zeer moeilijk

en misschien ook wel gevaarlijk geweest zou zijn. Nu bereikten we vrij

snel de invaart naar de beroemde Langweerder Wielen, maar we legden

eventjes aan bij een smalle kade, om een kleine wandeling te maken

langs den oostoever, waar zich uit de branding een boschje verhief.

Doorgaans hebben de oostoevers der Friesche meren het nog al hard te

verantwoorden, doordat de sterkste winden meest uit het westen waaien.

De westoever, waar het rustiger is, groeit veelal aan, doordat daar

allerlei oever- en waterplanten zich rustig kunnen ontwikkelen. Ook

waait bij langdurige zuidwestenwind het water van al de meren in den

zuidwesthoek: Morra, Fluessen, Heegermeer, Slotermeer, Koevorden,

Langweerder Wielen (121) en nog veel kleintjes naar het Sneekermeer en

de Goëngarijpsterpoelen heen, daarom zijn die aan de oostzijde van

kaden voorzien, terwijl in de vaarwaters sluizen zijn aangebracht om de

streken van Akkrum (130) en Grouw en Wartena tegen waterbezwaar te

behoeden. Ik vond het nu heel pleizierig om die kade te bewandelen en

zoo’n sluisje te bezien, juist nu de harde wind de noodzakelijkheid

ervan aantoonde. Onderwijl doorsnuffelden we het boschje, een drassig

ding vol els en waterwilg en witte wilg en dat in den zomer geheel

doorgroeid is van hop en heggewinde en wilgenroosjes, maar nu bloeiden

er alleen dotterbloemen en speenkruid, terwijl de gele lisschen

begonnen op te schieten. In het doode riet vonden we nog een wilde eend

op acht eieren, waar we niet weinig op pochten, toen we een kwartiertje

later bij den gastvrijen sluiswachter zaten te smullen aan koffie met

koek en hij zich beklaagde, dat er dit jaar zoo weinig eieren waren.

Intusschen had hij volkomen gelijk.

Toen weer aan het varen, de Poelen over en door kronkelende wateren van

wisselende breedte en diepte naar den afgelegen plas van het Oudhof,

waar we al onze vogels weer aantroffen. Onderweg passeerden we de hooge

trambrug van de tram Sneek-Joure en troffen het net, dat een troepje

kerkgangers achter elkaar daarover heen balanceerden, want daar is

alleen maar spoorweg. Heelemaal in ’t zwart, achter elkaar, een voor

een, de mannen met hooge zijden hoeden, leek het een alleraardigst

schimmenspel tegen het strakke blauwe uitspansel. Op den Oudhof gingen

we ankeren en kokkerellen en eten, want dat is ook een van de groote

genoegens van de watersport. En na het eten vertelde de Fries mij van

het jongensleven aan of liever in het Sneekermeer, avonturen te water

en te land, roeien en zeilen en zwemmen, hengelen en eierzoeken en dat

alles in verband met school en huis, ouders en opvoeders en de mannen

van de wet.

Het was maar aardig op dat Oudhof. Een paar kieviten hielden ons

voortdurend gezelschap, die hadden zeker een nest vlak bij en een van

de Friezen stond helsche kwalen uit door zijn lust om het te zoeken,

maar hij bedwong zich uit medelijden jegens den veldwachter. Rondom ons

zagen we al de torens van dit waterland: Sneek, Ylst, de Joure en

Langweer, dat door zijn waterkamp zoo’n groote vermaardheid heeft

gekregen. Ook heb je daar mooie plaatsen en bosschen, want de streek

tusschen Langweer en Sint Nicolaasga is om zoo te zeggen de verbinding

tusschen Gaasterland en Oranjewoud. Nu gingen we huistoe door de

Woudsendersloot. De wind was er niet minder om geworden en een heele

massa vogels, hoantsen, skriërs, lieuwen en reidhintsjes hadden voor

hun middagdutje de luwte opgezocht van de polderkade. Bij Utwellingerga

passeerden we weer een reusachtige zuivelfabriek, die vindt je zoowat

overal, en zonder ongevallen bereikten we door de Modderige Geeuw weer

het Kruiswater naar de Houckesloot. Op dezen terugtocht hadden we nog

het pretje, dat van een viertal jongelui, die op verboden terrein in

den verboden tijd verboden eieren liepen te zoeken er een midden in een

sloot sprong, dat het heldere water hoog in de lucht spatte. Dat klopte

heel mooi met de verhalen van mijn vriend. Er gaat toch niets boven de

watersport.

Friesland · 第 11 / 13 题