We kwamen terug van Terschelling en zaten bovenop het hooge dek van „de
Kraus” een beetje te mopperen over de slechte aansluiting te
Leeuwarden. Toen vroeg de hofmeester ons, waarom we het niet eens een
keertje met „de Heemstra” zouden probeeren. Wij wisten niet, wat dat
voor een ding was, maar dat bleek nu een stoomboot te zijn, die
geregeld heen en weer vaart tusschen Amsterdam en Harlingen en onderweg
alleen Enkhuizen aandoet. Het is meteen zoowat de goedkoopste
reisgelegenheid in de heele wereld, lijn 3 in Amsterdam is nog duur,
daarmee vergeleken. Je komt voor een enkelen gulden eerste klas
heelemaal van Harlingen naar Amsterdam, de tweede klas krijgt misschien
nog geld toe, daar ben ik echter niet zeker van. In elk geval kunnen we
deze „Heemstra” recommandeeren aan alle platzakke Amsterdamsche
jongelui, die eens een aangename en nog al langdurige zeereis willen
maken en als je de fiets meeneemt, kun je tusschen twee booten nog een
heel stuk van Friesland zien.
Wij besloten tenminste vol geestdrift den raad van onzen wakkeren
hofmeester te volgen en zagen het naderend Harlingen alweer met heel
andere oogen aan. Het ligt zoo aardig aan den dijk met zijn hooge
huizen en stevige torens en met zijn vreemdsoortigen vuurtoren, die er
nog vreemder uitziet, doordat ze hem overdwars in breede banen
roodbruin en wit geschilderd hebben. Zoo zie je hem beter overdag. We
waren er echter nog lang niet, want onze boot naderde pas het begin van
den strekdam, die het vaarwater van de Pollen moet verbeteren. De
bedoeling was, geloof ik, dat de stroom langs de noordzijde van den dam
een diepe vaargeul zou uitscheuren en dat heeft hij ook wel gedaan,
maar langs de zuidzijde is nog een diepere geul gekomen en daar vaart
de boot nu meestal. Alleen als het sterk uit het zuiden waait en er
water genoeg is, neemt hij de noordzijde terwille van de passagiers,
die gauw last hebben van zeeziekte. Een bijzonder nuttige dam dus. Hij
is gebouwd van bazalt met dekstukken van leisteen en er staan van
afstand tot afstand hooge baken op, die zijn ligging aangeven bij hoog
water, want dan staat hij heelemaal onder. De steenen zijn begroeid met
wier en met mosselen, ze zien er zwart van en daarom komen vogels van
allerlei soort, maar vooral scholeksters en meeuwen, daar hun
mosselenmaaltijden houden. Op de toppen der baken zitten meestal zwarte
aalscholvers in prachtige houdingen en hun lange nekken en groote, aan
den top gekromde bekken, maken een zoo goed figuur, dat men denken zou,
te doen te hebben met opzettelijk gebeeldhouwde versieringen. Maar als
de boot naderbij komt, dan zie je den aalscholver er af wippen,
voortvliegen en met groote juistheid neerstrijken op zijn confrater,
die de volgende baak bewoont en zich nu ijlings uit de voeten maakt. ’t
Is buitengewoon amusant om te zien, hoe die vogels daar een soort van
omgekeerd wip van ’t stoeltje spelen. Ook vermaken we ons met de
meeuwen, die de mosselen eten, mantelmeeuwen en zilvermeeuwen van
verschillenden leeftijd, ’t is een heel werk om de éénjarigen,
tweejarigen, driejarigen en vierjarigen te onderscheiden en hoogerop
gaat het heelemaal niet.
Eindelijk draaien we de haven van Harlingen (109) binnen, nu in den
oorlogstijd een groote leege watervlakte, omgeven door uitgestrekte,
blauwzwarte bazaltglooiingen. We hopen hier weldra weer de groote
booten te zien liggen, die hout brengen uit het Noorden of wol en
katoen uit Engeland of die van hier vertrekken beladen met de productie
van de nijverheid van Twente of van den landbouw en veeteelt van ons
dierbaar Friesland.
Nu gauw naar de „Heemstra”, die we vinden in de Noorderhaven, een vlug
schroefbootje, dat er uitziet, alsof het voor geen kleintje vervaard
is. ’t Is er niet zoo weelderig als op de „Kraus”, maar er is een ruime
kajuit beneden en bovenop vindt je genoeg banken en klapstoeltjes. We
zochten een goed plaatsje op en nu begon de reis langs de westkust van
Friesland, die we bijzonder genoten. Ik kan niet zeggen, dat het mooi
weer was, het woei hard uit het zuidwesten en af en toe kwam er een
flinke regenvlaag. Het troebele zeetje bruiste en klotste en toonde een
onafzienbaar veld van witte koppen, waar het stoombootje stoer doorheen
stampte. Aan bakboord strekte zich in het halflicht de lange Friesche
dijk uit, waar hier en daar een dak overheen keek of een paar
molenwieken of een grooter gedoe van dorp of stad. Als het zonnetje had
geschenen, dan was het kleuriger geweest, maar ook nu hadden we nog
pleizier genoeg er van, om de steden en dorpen te herkennen, eerst het
nog al aanzienlijke Zurig en een halfuurtje later Makkum (103), dat van
uit zee gezien zich lijkt te verschuilen achter een paar reusachtige
molens. Hier koersten we wat verder uit de kust, om de ondiepten van de
Makkumer waard te ontwijken en we konden tot mijn spijt geen zicht
krijgen op Piaam, dat mij om vele redenen dierbaar is. De zee was hier
zeer levendig. Daar lagen een paar kleine stoombootjes te bonken en te
rammelen met rare uitwassen op zij en toen we dichter bij kwamen,
bleken het schelpenzuigers te zijn, die hier op de manier van
baggermolens de schelpbanken van de Waddenzee bewerken. Vroeger
gebeurde dat schelpenvisschen uit de hand in kleine zeilscheepjes en
dan zag je soms in deze wateren en ook onderweg bij Vlieland en Texel
heele vloten van die kleine baggermannetjes aan ’t werk. Behalve onze
schelpzuigers ontmoetten we nog tal van tjalken, houten en ijzeren, van
allerlei fatsoen en meestal mooi opgeschilderd. Ze maakten van den
gunstigen harden wind een zoo goed mogelijk gebruik met volle zeilen,
het grootzeil over het eene boord en de fok breed uitgestoken over het
andere, op zijn oud-visschermans, zooals de burgemeester van Griend ons
dat pas geleerd had. Het was een heerlijk zeegezicht.
En nu doemde Hindeloopen (97) voor ons oog op, dat een ligging heeft,
herinnerend aan die van de aloude Friesche koningsstad aan den
tegenovergestelden oever, het eerwaardig Medemblik. Als wij de oude
overleveringen willen gelooven, dan weten wij dat er in vroeger tijd,
toen de Zuiderzee nog niet bestond, een druk verkeer was tusschen deze
twee steden en dat de Friesche koningen te Hindeloopen hun jachtslot
hadden en hier in de streek jacht kwamen maken op de herten en hinden,
die toen hier geloopen hebben. Onmogelijk is dat volstrekt niet, denk
er maar aan dat Gaasterland niet ver van Hindeloopen ligt. Het aardige
stadje op de alleruiterste punt van zijn schiereiland en de hooge
sierlijke toren bleven lang in zicht, zelfs nog toen we van onze boot
al regelrecht rechtuit konden kijken in de haven van Stavoren, waarvan
de ingang zoowat pal west loopt. Dat zag er weer heel anders uit dan
wanneer je met de veerboot van Enkhuizen binnenkomt, want die houdt
zeer lang een zuiver noordelijken koers. Achter Stavoren zagen we de
hoogten en bosschen van Gaasterland en nu hadden we ook spoedig
Drechterland en Medemblik voor den boeg. Intusschen werd de zee al
woeliger en woeliger, de regen gutste bij stroomen neer, uit de kajuit
beneden klonk gerucht van zeezieke passagiers en daarom zijn we toen
maar in Enkhuizen uitgestapt. Intusschen waren wij den hofmeester van
de „Kraus” hartelijk dankbaar, dat hij ons geholpen had aan deze
buitengewoon aardige gelegenheid, om vlug een goed overzicht te krijgen
van Frieslands westkust.
Wanneer we nu het land zelve willen zien en de stedekens en dorpen
zelve betreden, dan kunnen we dat per fiets weer zeer gemakkelijk doen
bij gelegenheid van een reis naar Terschelling. Misschien vraagt ge,
wat ik daar altijd op Terschelling uitvoer, nu, daar vertel ik later
misschien nog wel eens van. Maar als je nu gaat met de eerste postboot
naar Stavoren, dan kun je, fietsende langs de kust naar Harlingen, daar
nog gemakkelijk op tijd de „Kraus” bereiken. Zelfs vinden we nog wel
gelegenheid om een omwegje te maken door de gemeente
Hemelumer-Oldephaert en Noordwolde. Dat Noordwolde heeft niets te maken
met het dorp in Weststellingwerf, waar ze die mooie stoelen vlechten.
Welnu, we verlaten Stavoren weer door dat hek, dat ge u nog wel
herinnert uit het Zuiderzee-album en trappen vlug naar het groene Roode
klif en daar vinden we een zandwegje, dat ons vlug brengt in het
buurtje Scharl, dat ook al genoemd wordt in de „Roos van Dekama”. Nu
zien wij in al zijn lengte Warns dwars voor ons liggen met Noorderburen
en Zuiderburen, een alleraardigst lang dorp op het meest
vooruitgeschoven zandricheltje van Gaasterland, eigenlijk de ruggesteun
van Stavoren. Wij komen er langs den eenigen weg, die hier bestaat,
maar die toch Verkeerde weg heet. Dit is nog niet het eigenlijke
Gaasterland. Ook zien we hier weinig bosch, maar de bloemen in de
tuintjes, de boomen in de plantsoenen, het bouwland langs den weg,
vertellen ons duidelijk, dat we hier niet meer zijn op de klei of in
het veen, maar op den lichten, lossen, drogen zandgrond. Door ’t dorp
heen daalt de weg en daar komen weer weilanden, maar na een poosje gaat
het pad weer omhoog, er komen weer akkertjes, zelfs een enkel boschje
en heel schilderachtig zien we nu het kleine dorpje Hemelum tegen de
hoogte liggen. We gaan al hooger, niet zoo heel erg hoog hoor, maar we
komen toch in een buurt die Hemelumerhoog heet en onderweg moeten we
even afstappen en rondkijken, want we staan hier werkelijk op een der
mooiste punten van ons vaderland, tenminste als de zon en de wolken een
handje helpen. Achter ons hebben we de welbekende hoogten en bosschen
van Rijs en Kippenburg, voor ons in de laagte zien we het eerste der
Friesche meren, dat meteen een der merkwaardigste is: de Morra (123).
Over de Morra heen ontwaren we warempeltjes alweer heuvelen, (’t is
merkwaardig hoe heuvelrijk dat Friesland is) dat is de heuvelrij van
Koudum en daarachter de torens van Workum en Hindeloopen. Misschien
ligt Hindeloopen ook nog wel op een verscholen heuveltje, anders was
het al lang weggespoeld, want het wordt aan drie kanten door de zee
bestookt. Dat men die zee nog lang niet vertrouwt, mag blijken uit de
omstandigheid, dat men van den heuvel van Hemelum naar den heuvel van
Koudum een dijk heeft gelegd dien men verder heeft doorgetrokken naar
Hindeloopen en als er nu ergens tusschen Hindeloopen en Stavoren of
tusschen Stavoren en Mirns een doorbraak komt, dan moet deze dijk de
rest van Friesland tegen overstrooming beveiligen. Omdat hij nu
voorloopig niets te doen heeft, noemt men hem Slaperdijk. Wij willen
hem volgen; de rijweg leidt er achter langs. Natuurlijk gaat het nu
weer door de weiden en heel lage ook. Haast gelijk er mee zien we
rechts het water blinken van het groote Fluessenmeer. Al heel spoedig
komen we nu aan een van de merkwaardigste punten van de heele Friesche
waterwereld: de Galamadammen (124). Ik ben in mijn jonge jaren
opgegroeid in Limburg en Brabant en heb daar altijd van „Madam” hooren
spreken en dat mag wel de oorzaak er van geweest zijn, dat ik, toen ik
voor ’t eerst van dit Friesch geval hoorde, niet recht besefte, wat men
met die gala-madammen wel bedoelde. Eerst later, toen ik ook van het
beroemde geslacht der Galama’s hoorde, begreep ik dat we hier met
dammen te doen hadden en eigenlijk is het een groote sluis in dien
Slaperdijk, waardoor de schepen uit de Morra geschut kunnen worden in
de Fluessen. Daar gaan heel wat scheepjes door deze sluis, gemiddeld
een stuk of vijftien per dag. Hier staat ook een beroemde waterherberg
al even bekend als de Oude Schouw of de Froskepolle, die we in een
volgend hoofdstuk zullen ontdekken, ’t Is hier een heel merkwaardig
buurtje: de sluizen, de dijk, de baken langs het meer, de
watermolentjes en boerderijen (100) in de weiden en de hooggelegen
dorpjes rechts en links. Over de dammen buigt de weg van den Slaperdijk
af, hij gaat dan Dammeweg heeten.
Zoo komen wij in Koudum, dat door ik weet niet wie, het mooiste dorp
van Friesland genoemd is en de man mag wel gelijk hebben. Nu bestaat er
altijd alle mogelijke kans, dat een dorp gebouwd op een lange breede
zandhoogte midden in de weiden wel mooi moet worden, vooral wanneer er
een groot meer in het verschiet ligt. Op een paar plekken is het zand
steil afgegraven en daar hebben de oeverzwaluwen hun nest gebouwd.
Trouwens in de tuinen van het eigenlijke dorp zingen allerlei vogels,
want het is daar net een stukje bosch en dat mogen we nu wel eens goed
aankijken, want de volgende uren zullen ons niet veel lommer
verschaffen. Het zal weer in de zon moeten gebeuren, zooals de koster
van Rinsumageest zei.
We slaan nu weer de richting in naar Stavoren en rijden langs de
Koudumervaart naar het kleine dorpje Molkwerum, dat vroeger een groote
vermaardheid genoot als het Friesche Doolhof. Wij hebben oprecht
geprobeerd, om er te verdwalen, maar het is ons niet mogen gelukken.
Wel kregen we zoodoende aardige huisjes en stilleventjes te zien, maar
als het noodig geweest was, hadden we elk oogenblik binnen drie minuten
het dorp kunnen verlaten in drie richtingen naar keuze. Wij kozen de
richting naar de zee en stonden weldra op den dijk naar Harlingen, die
hier, evenals de zuiderdijk, niet alleen met steenglooiing maar ook met
paalwerk is versterkt. Er werd juist aan gewerkt om een der paalhoofden
te versterken en wij kregen hier een goeden indruk ervan, hoeveel geld
en moeite het kost om Friesland tegen de zee te beveiligen. Alleen in
Zeeland is de zaak nog moeilijker en kostbaarder en de Friezen hebben
dan ook alle reden om te spreken van de gouden hoep, wanneer ze het
over hun dijken hebben. In vroeger tijd speelde het paalwerk bij den
aanleg van dijken een nog veel grooter rol dan thans en toen hoorde je
dan ook meer dan nu klachten over het kleine schelpdiertje, dat het
houtwerk vernielt door er gaten in te boren: de paalworm. Misschien was
dat paalhoofd wel vernield door dien kleinen mijnendelver.
Hindeloopen lag voor ons en daarheen richtten we nu het stuur. Deze rit
heeft al weer het kleine bezwaar, dat op grooter en kleiner afstanden
de weg is afgezet met hekken, doordat de dijk beweid wordt. Daar heb ik
vroeger al eens van verteld, dus we kunnen die zaak met stilzwijgen
voorbijgaan. De weg leidt onder den dijk langs, maar van tijd tot tijd
klommen wij er boven op, om het uitzicht te genieten over de zee en de
kust en over het mooie landschap, dat we zooeven hadden doorkruist en
waarvan we de bijzonderheden nu nog eens in hun geheel konden overzien.
Zoo kom je er vanzelf toe, om van een streek te gaan houden.
Hindeloopen (104) zag er veel gewoner uit dan wij gedacht hadden. Je
leest daar zooveel van en ziet er zooveel van op schilderijen en in
musea, dat je half verwacht hier al net zoo’n poppekast te zien te
krijgen als op Marken. Dat viel nu geweldig mee. Boven het kerkportaal
(138) vonden we volmaakt in orde het beroemde vers: „Des Heeren
woord—Met Aandacht hoort—Komt dus bij hoopen—Als hinden loopen.”
Overigens vonden we er aardige, oude deftige huizen, Waag en Stadhuis
(118), een enkel mooi gevelsteentje (107), overblijfselen uit de
zeventiende eeuw, toen Hindeloopen een rijke koopstad was, evenals
Hoorn en Enkhuizen. Maar bij de sluisbuurt stond ook al een boerderij
(98), want ’t is met deze stad al evenzoo gegaan als met die aan de
andere zijde van de Zuiderzee. Van de weelde van vroeger is hier in de
stad zelf nog wel het een en ander te zien, maar misschien toch niet
meer dan in het Friesch Museum te Leeuwarden, waar we de beide
Hindelooperkamers met veel belangstelling hadden bekeken, zoowel die
uit de zeventiende eeuw met het mooie snijwerk, als die uit de
achttiende, waar het snijwerk door beschildering vervangen was. De
hooge bedsteden met haar trapjes, de wieg met haar onderstel,
herinneren er aan hoe af en toe de zee nog over de dijken heen de
huizen binnendrong. Op de „Kraak”, de kroonlijst boven de bedsteden,
hadden we het kraakporselein bewonderd, ook den haard met zijn treeft,
de handige klaptafel en de rijk, maar dikwijls smakeloos versierde
kisten en koffers. Wel aardig toch, dat het zin hebben in sierlijkheid
een trek van heel het Friesche volk is geworden en hier in de rijke
koopmansstad zich het sterkst heeft geuit. Thans is Hindeloopen een
badplaats met een goed zandig strand en badgasten zooals je ze overal
ziet.
Nu moesten we onze zee verlaten, want hier is een nieuw land
ingepolderd en dat heeft geen weg langs den zeedijk. We gaan dus langs
den ouden dijk binnenwaarts en dan dwars door den polder op Workum
(113) aan, welks stadsgebied onmiddellijk aan dat van Hindeloopen
grenst. We komen nu weer op den ouden dijk en rijden over de Schutsluis
regelrecht Workum (119, 120) binnen in de prachtige breede hoofdstraat,
die men in zoo’n oud stadje niet zou verwachten. Vroeger heeft het er
ook anders uit gezien, toen was deze straat een smalle gracht, die men
wijselijk gedempt heeft. Wij rijden naar den dikken toren, die wel wat
heeft van een afstammeling van den Oldenhove, maar er is een
behoorlijker bovenbouw op aangebracht. Nu herinneren we ons, dat we in
onze Leeuwarder winkels Workumsch aardewerk uitgestald hebben gezien,
dat versierd was min of meer op de manier van houtsnijwerk, nog al
vreemd. We zouden de fabriek hier kunnen vinden evenals de
onvermijdelijke steenbakkerij en de kalkovens, die langs deze heele
westkust welig gloeien. Nu moeten we weer naar de Schutsluis terug.
Hier schutten ook in gunstiger tijden de beroemde Heeger palingschepen
als ze naar Engeland varen. Het zijn niet groote, maar zeer sterk
gebouwde botters; ik heb ze dikwijls het zeegat uit zien varen, toen ik
nog op Texel woonde. Deze visschers van Heeg (125, 126) hebben het
bijzondere voorrecht, dat ze op de Theems bij de London-bridge aan de
kade mogen liggen. Maar dat voorrecht verliezen ze zoodra het plaatsje
vrij komt. Ge begrijpt dat de Heegenaren dus meer dan één schuit laten
varen en dat die uit Londen pas vertrekt, als de andere al gereed ligt,
om in zijn plaats te schuiven.
Nu weer verder den dijk langs. Het landschap gaat veranderen, geen
Fluessen of Gaasterland meer, maar uitgestrekt groenland, nog al leeg.
Dat komt ook wel, doordat we hier de droogmakingen hebben liggen van de
Workumer- en Parregaastermeren (106). Links vooruit in de verte zien we
onzen ouden vriend, den Martinitoren van Bolsward. Onderhand tellen we
de buurtjes die we passeeren: Scharneburen, Doniaburen, Gaast,
Koorhuizen en vinden zoo ons Piaam, dat misschien eenmaal een
belangrijk punt zal worden als de Zuiderzee wordt drooggemaakt. Hier
zal de groote afsluitdijk de Friesche kust bereiken. De plaats lijkt
goed gekozen, want de zee is hier ondiep en bij laag water valt de
Makkumerwaard over een groote uitgestrektheid droog. Deze toestand
maakt het ritje van Workum naar Makkum voor een vogelliefhebber nog al
onderhoudend, vooral in April en September, want dan wemelt het hier
van duizenden en duizenden strandvogels die op den trek zijn. Dan kunt
ge hier evengoed als elders heele wolken van strandloopertjes zien
opvliegen. Ook rennen de strandpleviertjes of Dûkelmantsjes langs het
zand aan den dijkvoet of ziet ge de komiek deftige scholeksters met
hooge schouders stil staan langs de plassen. Dan weer vliegen klagend
de goudplevieren om u heen of ziet ge in de verte, langs den rand van
de plaat, groote zilvermeeuwen en mantelmeeuwen en aalscholvers, onze
vrienden van den Harlinger strekdam. Dat zal een verandering worden,
als hier in Piaam nu die dijk komt, dan komt de Makkumer waard voor een
deel in ’t zoete water te liggen, met een vrij vasten waterstand en
voor een ander deel blijft hij deel uitmaken van de zee. Ik hoop dat ik
nog eens zien mag, hoe dan het leven der dieren aan deze kust gaat
veranderen.
Het kleine, stille gehuchtje krijgt dan ook heel andere dingen te zien.
Er zullen wel groote keeten komen voor de polderjongens, stapelplaatsen
voor allerlei materiaal, dat aan den dijk verwerkt moet worden: bergen
van rijshout voor de zinkstukken, stapels bazaltkeien of zand en grind
om daar beton van te maken. Schepen en sleepbootjes koersen op zee, om
die zinkstukken te vervoeren naar de plaats, waar ze den grondslag van
den dijk zullen vormen. Dan rijst de dijk al hooger en hooger en na
jaren van arbeid komt eindelijk langs dubbel of vierdubbel spoor de
eerste trein uit Holland aan, want nu komt hier in dien vergeten
uithoek de voornaamste toegangspoort naar Friesland en als ’t een
beetje wil ontstaat hier nog een belangrijk verzamelpunt voor
spoorwegen. Het is voorloopig moeilijk te voorspellen, wat er gebeuren
zal aan den buitenkant van den dijk, wellicht vormt er zich een mooi
breed strand en dan kunnen de badkoetsjes van Hindeloopen hier heen
verhuizen, tenzij men ze daar wil houden voor zoetwaterbaden in het
IJselmeer. Ik heb er pleizier in, dat we dit allemaal nu binnen een
jaar of tien kunnen beleven.
Nu voort naar Makkum, dat we geen stad mogen noemen, maar het lijkt er
toch nog al aardig op. Intusschen is het nog niet eens de hoofdplaats
van de gemeente Wonseradeel, want dat is het dorp Witmarsum, bekend uit
de geschiedenis van Menno Simons. Hier in Makkum (103, 110) zien we er
onze kalkovens (108) en molens (99) en op den dijk een klein huisje of
loodsje, dat „de leugenaar” genoemd wordt. Hier staan vaak schipperlui
en zoo met elkaar te keuvelen en daar mag dan die naam vandaan komen.
Ook zoeken we de „Pottenbakkershuizen” (102) op. Vooruit nu maar langs
het kleiland. In een halfuurtje halen we Zurig en dan over
Dijksterburen bereiken we Harlingen. Het eerste wat we daarvan te zien
krijgen is de meer beroemde dan mooie Steenen Man, het gedenkteeken
opgericht ter eere van Caspar de Robles.
Dit is misschien wel het eenige gedenkteeken in ons land ter eere van
wakkere Spanjaarden, die gearbeid hebben voor het welzijn van de Lage
Landen aan de Zee. Deze Caspar wist van zeer nabij, hoe gevaarlijk het
met Friesland stond, want in 1570 had de Allerheiligenvloed bijna heel
het land der vrije Friezen onder water gezet. Hij heeft toen met
„ijzeren hand” gewerkt om de toestanden te verbeteren, d.w.z. als de
polderbestuurders niet precies en vlug deden wat noodig was, dan werden
ze aan den lijve gestraft. Zoo speelde hij het klaar en daarvoor kreeg
hij nu dit gedenkteeken. Harlingen zelf heeft wel aardige hoekjes
vooral bij de haven (109) en ook nog zeer deftige zeventiende-eeuwsche
huizen in de Voorstraat (111) en elders. Het verschilt op zeer
eigenaardige wijze van Dokkum. Dokkum is zijn loopbaan begonnen als
zeestad en is landstadje geworden. Harlingen is gedurende de eerste
eeuwen van zijn bestaan een landstadje geweest, maar de zee heeft het
opgezocht en zoo werd het een havenplaats. Een belangrijk jaartal uit
de geschiedenis der beide steden is 1644, toen de zetel der
admiraliteit van Friesland verplaatst werd van Dokkum naar Harlingen.