Den volgenden dag was het alweer zonnig en warm en we wilden naar
Dokkum (77, 78), om te onderzoeken of daar werkelijk alle mannen een
witte haarlok en alle vrouwen een kaal plekje op het hoofd hebben, als
herinnering aan den snooden moord, door hun voorvaderen op Bonifacius
gepleegd. Dat hadden we zoo in onze jeugd geleerd; je leert veel, als
je jong bent. En ’t is voor de Dokkumers wel onpleizierig, dat wie zijn
heele Vaderlandsche geschiedenis vergeet, toch nog altijd dien
ongelukkigen moord blijft onthouden. Dokkum mag echter wel om een paar
anderen dingen in onze herinnering blijven.
Nu, wij volgden een eindje den Groninger straatweg, om weldra rechtsaf
het open kronkelwegje te nemen naar Lekkum en Miedum en daarbij hadden
we naar links het uitzicht op het bedrijvige deel van Leeuwarden dat
zich langs de Dokkumer trekvaart heeft uitgebreid. Langs den weg was
alles weiland en Miedum vooral zag er heel aardig uit; maar het was er
kaal en schaduwloos en als een veilige haven zagen we eindelijk recht
voor ons uit de hooge brug over de Murk (73), overwuifd door zware
bladermassa’s van hooge laanboomen. Al houden wij ook nog zooveel van
licht en zonneschijn, we waren blij, weer boomen langs den weg te
hebben: eerst gewone iepen, toen esschen en daarna eiken, waardoor we
tot het besef kwamen, dat we voor een poosje de klei hadden verlaten en
terecht waren gekomen op het zandruggetje van de Trijnwouden, de
aardige dorpjes Giekerk, Oenkerk en Oudkerk, die met elkander één
geheel vormen. Een alleraardigste weg, niet breed, maar mooi beplant,
alle huizen omgeven door bonte bloementuintjes en waar je er tusschen
door keek, zag je akkers met rogge, aardappelen of boekweit. Van
afstand tot afstand kwamen ook deftige huizen voor den dag:
Heemstra-state, het nog aanzienlijker Stania-state (74) met prachtig
park en hoog geboomte en eindelijk in de bocht naar Oudkerk toe
Sminia-state en de Klinse (75), waar de hooge eiken en de lekkere,
zachte, echt bemoste boschgrond ons uitnoodigden tot een half uurtje
rust. Als je zoo een poosje rustig blijft zitten aan een woudzoom komt
er altijd wel een aardig tooneeltje uit het natuurleven te zien.
Ditmaal was het een vlaamsche gaai, die achtervolgd werd door twee
wielewalen en als je die vogels kent, kunt ge begrijpen hoe
onderhoudend het was, al dat wit en bruin en blauw en zwart en
heldergeel in de zon te zien blinken. Toen de vervolging was afgeloopen
ging de gaai krijschen en de wielewaal fluiten en van het rumoer gingen
ook nog een massa andere vogels zingen, die zich anders op warme
Augustusdagen stil houden.
In Oudkerk waren ze bezig het oude kerkje met een dikke gele verflaag
te bedekken en aan de Murk vonden wij een aardig havenbuurtje. Toen de
brug (76) over en weer in den zonneschijn noordoostwaarts tusschen de
venige hooilanden door, de slootkanten bont van hooge bloemen van
bereklauw en engelwortel, wederik, kattestaart, moerasspiraea, allemaal
kruiden van den vollen zomer. Zoo bereikten we het aloude Rinsumageest
(22), waar de grond weer zandig wordt. Hier in de buurt lag vroeger het
derde der beroemde kloosters van Noord-Friesland: de abdij van
Claerkamp, wat een aardige naam. Een meertje even buiten het dorp heet
nog het Claerkamper meer. De monniken van Claerkamp gingen in het grijs
gekleed, vandaar dat het Wadden-eiland, dat tot 1580 toe tot het
klooster behoorde, thans nog Schiermonnikoog heet. Schier beteekent
namelijk „grijs”, een Fries noemt een grijze kraai ook altijd nog
„schiere kraai”.
Er is van Claerkamp in Rinsumageest echter niets meer te zien, maar de
dorpskerk zelf mag wel even bekeken worden, die is heel oud en verheugt
zich in het bezit van een verborgen benedenverdieping, een crypt,
waarin wij onder vriendelijke leiding van den koster afdaalden en ’t
was wel de moeite waard, de kleurige zuiltjes te zien, die daar het
ronde gewelf schraagden.
Toen ging het op Dokkum aan over Akkerwoude en Murmurwoude, die met
Rinsumageest en Dantumawoude samen ook weer bekend zijn onder den naam
van de Dantuwouden. De koster had ons al gezegd: „Het zal in de zon
moeten gebeuren,” en dat kwam ook volmaakt uit. Akkerwoude ligt zeer
verspreid, de weg is breed en ’t is er alles bouwland. Vooral wordt
hier cichorei geteeld, een grof gewas, zoo iets als bieten, maar valer
van kleur, dat om zijn wortels wordt gekweekt. Die worden gebrand en
het bruine poeder dient dan om koffie te vervangen en doet dat zeer
slecht, hetgeen we in Friesland nog al eens moesten ervaren. Maar waar
de planten waren doorgeschoten of een jaar over hadden gestaan, daar
bloeiden ze prachtig met helderblauwe bloemen, net zooals we ze in ’t
vorig jaar in het wild aan de IJseldijken hadden gevonden. Eindelijk
bereikten we Murmurwoude. Die naam wordt wel eens beschouwd als een
verbastering van Moordenaarswoude en hier zouden dan de lui gehuisd
hebben, die Bonifacius hebben doodgeslagen. We zagen geen een
Murmurwoudenaar, aan wien we konden vragen, of dat waar was. Ze hadden
zich allemaal verscholen voor de middaghitte.
Vanuit Murmurwoude geniet men een onbelemmerd uitzicht op Dokkum, want
er staat zoowat geen enkele boom en de stad zelf verrijst als een
eiland uit de vlakke velden. In een half uurtje hadden we het oude
Dockinga bereikt en we reden er maar dadelijk dwars doorheen, berg op
berg af, want het ligt op een paar bijzonder steile terpen. Met
sneeuwval en ijzel zal ongetwijfeld menig Dokkumer ten val komen. Die
terpen zijn zeer oud; Dokkum (77, 78) is na Stavoren de oudste stad van
Friesland en moet al in de derde eeuw na Chr. bestaan hebben. De
Lauwerzee was toen veel grooter dan thans, de Dokkumer Ee had een
wijden mond, zoodat onze stad eigenlijk een zeestad is geweest, nog wel
tot in de achttiende eeuw toe. Het groote stadhuis en verschillende
oude koopmanshuizen en pakhuizen herinneren nog aan het druk verkeer.
Van die witte haarlokken of kale plekken kregen we niets te zien.
Nu had ik nog wel graag doorgefietst naar de Lauwerzee, maar daarvoor
was eigenlijk toch de zon te heet en de dag te kort, daarom gingen we
langs den beroemden Bonifaciusput maar langs het kanaal (79) naar
Stroobos, om over Veenwouden weer Leeuwarden op te zoeken. De put is
ontstaan door den hoefslag van het paard van een der soldaten van
koning Pepijn’s tuchtigings-expeditie, en het water heette wonderdoende
eigenschappen te bezitten. Vroeger was de put open, maar omdat hij heel
goed drinkwater levert, heeft men hem overdekt en een hek erom gezet,
zoodat men er geen voeten meer in kan wasschen, wat sommige lui wel
deden vanwege de wonderdadigheid.
Langs het kanaal hadden we alweer geen last van de schaduw, maar we
verveelden ons niet. Rechts hadden we voortdurend het uitzicht op de
bosschen van Dantumawoude en Driesum, links lag het eindelooze
kleiland. Daarna kruisten we een belangrijke dwarsvaart, de Potsloot,
die verderop Zwemme heet en zagen nu rechts een uitgebreid laagveenland
met een groote plas er midden in, eigenlijk een laatste deel van de
Friesche meren, die in een breede strook dwars door de provincie heen
liggen van Stavoren naar de Lauwerzee. Een eindje verder verlieten we
onze vaart, om langs de Triemen naar Veenklooster te rijden, waar we
een uurtje rust hielden op de beroemde Fogelsangh-state (80), de
noordelijkste plaats in Friesland, waar de nachtegaal nog zingt. De
naam der state doelt daar echter niet op: haar stichter heette Dr.
Theodorus van Fogelsangh, die kocht in 1639 de voormalige
kloostergronden, waarnaar het gehuchtje nog altijd Veenklooster heet.
De plaats is prachtig met mooi beukenbosch, uitgestrekte vijvers,
rijken plantengroei en dichte vogelbevolking en we mogen onzen vriend
Theodorus wel dankbaar zijn, dat hij zoo’n mooi buiten heeft aangelegd.
Wie doet ’t hem na?
Nu hadden we nog een mooi ritje naar huis langs Kollumerzwaag en
Zwaagwesteinde naar Veenwouden, maar toen we bij de beroemde
Schierstins kwamen, een oude dépendance van het Claerkampster klooster,
zou men ons zelf voor schiere monniken hebben kunnen houden, zoo dik
zaten we onder het grijze stof. Het was dan ook eindelijk een groot
genoegen, om uit te blazen in den schaduwrijken tuin van Quatre-Bras
aan den Groninger straatweg, temeer omdat we daar de jeugd en
schoonheid van de Trijnwouden vereenigd vonden aan een spannenden
tenniswedstrijd. Toen ging het over Hardegarijp en Toutenberg weer op
Leeuwarden aan; onderweg hielden we ons nog even op bij de Groote
Wielen, waar de Leeuwardenaren in drommen komen zwemmen, roeien, zeilen
en visschen. Wat ze gelijk hebben!
Den volgenden dag slopen we smadelijk met den trein naar Buitenpost,
maar daar beklommen we weer onze karretjes om zuidwaarts te tijgen.
Buitenpost is een mooi, ruim dorp, goed in de boomen, maar verderop
wordt het wat kaler. Bij Blauwverlaat kruisten we het welbekende
Kolonelsdiep of Caspar de Roblesvaart en daarna, voorbij Sint
Augustinusga, begon het er weer een beetje apart uit te zien. Tot
Drachten toe kregen we nu telkens stukjes weg, langer of korter, die
aan weerszijden dicht beplant waren met elzen, zóó dicht, dat ze als
een muur den weg omzoomden en een bijzonder goede beschutting gaven
tegen den nog al fellen wind, die zich op de open stukken danig liet
gevoelen. ’t Allereerst bereikten we het oude dorpje Surhuizum (23) met
een zeer vreemdsoortigen, stokouden kerktoren, die een slanke spits
heeft, geheel uit baksteenen opgemetseld. We gingen nu de veenstreek
naderen en bereikten dan ook spoedig het groote en ruime dorp
Surhuisterveen (24), dat zich kilometers ver uitstrekt langs den
breeden weg en waar een groote zuivelfabriek in volle actie den omtrek
vervulde met zijn geplas en gerammel. Dan weer einden weg tusschen de
geurige elzen en voor Rottevalle sloegen we linksaf, om door de
ontgonnen veenstreek van de Drachtster Compagnie, die een aardige
afwisseling te zien geeft van bosch en hei en akkers en weiden te
belanden op de mooie maar lange Folgerenlaan, die ons naar Drachten
(81) bracht, na Heerenveen de belangrijkste veenkolonie van Friesland.
Evenals alle veenkolonies is het dorp lang en smal, van Noordeind tot
Zuideind wel een uur gaans. Het belangrijkste punt is waar de weg de
Drachtstercompagnonsvaart kruist, de hoofdbrug. Het ziet er allemaal
nieuw en druk en welvarend uit en vervelend is het er ook niet, want je
bent naar alle kanten nog al gauw in zeer mooie streken: naar het
Oosten de Hooge brug, Ureterp en Siegerswoude, naar het Zuiden het
beroemde land van Olterterp (82) en Beetsterzwaag.
Wij kregen daar een mooi staaltje van te zien, toen we even voor de
kerk van Olterterp rechtsaf een lange laan insloegen. ’t Is daar
verboden te fietsen, we liepen er dus met het karretje aan de hand. Bij
nader onderzoek vond ik, dat wij ook dat niet hadden mogen doen, maar
dat men om te wandelen in de bosschen van Olterterp (21) en
Beetsterzwaag bepaalde vergunningen moet aanvragen. De eigenaars hebben
zich tot dien maatregel genoodzaakt gezien, doordat het vrij toegelaten
publiek de bosschen en wandelingen vernielde. In dit opzicht heeft ons
volkje een kwaden tijd doorgemaakt; gelukkig, dat het zich in den
laatsten tijd wat schijnt te beteren en een andermans eigendom en
vooral de mooie natuur gaat leeren ontzien.
Wel, we liepen daar door een laan, die precies een half uur lang is en
aan weerskanten toegang geeft tot allerlei soort van bosch; hooge,
eeuwenoude dennen met reusachtige schubbige stammen, donker beukenwoud,
vroolijke eikjes en prachtig parklandschap van hooge hei in vollen
bloei, afgewisseld met kleine groepjes grove dennen, die daar
verstrooid zijn opgeslagen. Hier en daar waren aardige waterpartijtjes
en alles was er stil en grootsch en ruim. Geen wonder, dat deze streken
als de schoonste van Friesland bekend zijn en dat ieder wel eens
gehoord heeft van de groote buitens, die het in stand blijven van deze
bosschen mogelijk maken: Lijndenstein, Lanswold, Boelens en hoe ze meer
heeten. In vroeger jaren hadden we daar ook wel rondgedwaald, maar
thans wilden we verder naar het onbekende Oosten. Onze laan kwam dan
ook op zijn tijd weer uit op een openbaren weg en weldra kwamen we nu
aan een eenvoudige klapbrug, de Poostertille (83), waar we even
afstapten, om eerbied te bewijzen aan Frieslands belangrijkste rivier,
de aloude Boorne of het Koningsdiep. Deze rivier ontspringt achter
Bakkeveen, waar Friesland, Groningen en Drente aan elkander grenzen en
stroomt dan dwars door het land langs Oldeboorn en Akkrum en heeft daar
vroeger ergens in de Middelzee uitgemond. Er zijn er wel, die het
Bornrif tusschen Terschelling en Ameland in verband met dit water
brengen en de Middelzee beschouwen als niet anders dan den wijden
Boornmond. Dit alles overdachten we, terwijl we over de leuning aan de
Poostertille naar de vischjes stonden te kijken. Over de Tille klom de
weg en we waren nu op den heide- en veenrug, die de scheiding vormt
tusschen het gebied van de Boorne en van onzen ouden vriend de Tjonger.
Het landschap herinnerde hier ook al heel sterk aan het Tjongerland, na
de hei gepasseerd te zijn kwamen we in Wijnjeterp (84) en dat lag al
net zoo verspreid als Oudehorne en Nijehorne. Nu ging het zuidwaarts en
bij den Wittebult bereikten we de Opsterlandsche Compagnonsvaart,
schrikbeeld uit onze kinderjaren, toen we met al die compagnons geen
raad wisten. Die vaart bleek nu een heel gewoon kanaal te zijn, met nog
al hooge oevers en vol echt bruin veenwater. Het leukste was nog wel,
dat hij nu eigenlijk niet eens meer Opsterlandsch was, want bij den
Wittebult begint de gemeente Ooststellingwerf. Thans kregen we onze
eerste stortbui, die we juist bijtijds konden ontwijken door in
Donkerbroek een kopje thee te drinken. Meteen konden we daar de klok
zien luiden, er was een mooi klokhuis met drie klokken. Verder ging het
weer langs den boschrijken weg en met een gevoel van groote
tevredenheid zagen we weldra weer een flinke donkergroen geschilderde
klapbrug, de Tjonger brug, want hier snijden de oude Tjonger en de
nieuwe Compagnonsvaart elkander. Veel tijd om van deze
waterstaatkundige bijzonderheid te genieten werd ons niet gegund, want
er kwam weer een zware bui opzetten, die ten gevolge had, dat een
kwartiertje later twee meer dan gewoon doornatte fietsers een
onderkomen kwamen zoeken in de Gouden Klok te Oosterwolde. Daar bleven
we dien nacht.
Oosterwolde (85) is de hoofdplaats van de gemeente Ooststellingwerf en
een geschikt uitgangspunt voor aangename uitstapjes. Evenals
Oldeberkoop verheugt het zich in de aanwezigheid van reusachtige
lindeboomen (85), waaronder kerk en klokhuis geheel verscholen gaan.
Ons eerste doel was Appelscha, dat we bereikten na een kort ritje langs
nieuwe klinkerwegen door een afwisselend landschap van boerderijtjes
met akkers en weiden en dennenbosch. Dat dennenbosch (91) neemt
bezuiden Oud-Appelscha aanzienlijke afmetingen aan en daar vinden we
dan ook het hoogste punt van Friesland, den Boschberg, die nog een
meter of tien hooger is dan de terp van Hooge Beintum. Maar het is een
natuurlijke hoogte. In overoude tijden reeds heeft de wind het zand van
de heidevelden in dezen hoek van Drente en Friesland te pakken genomen
en opgewaaid tot golvende duinen (92), waarvan sommige door den
plantengroei zijn vastgelegd. Met den Boschberg is dat zeker al lang
geleden gebeurd, want hij is nu begroeid met tamelijk zware dennen en
op den grond vinden we niet alleen dicht mos, maar ook blauwe
boschbessen en roode boschbessen, lelietjes van dalen, dalkruid en al
de planten, die in een echt oud bosch tehuis behooren. Wij klauterden
met groot genoegen tegen de steile hellingen op en vonden heel bovenaan
nog een houten gevaarte, dat dienst doet als Belvedère, maar dat was nu
gesloten, wat jammer genoeg was, want het is altijd nuttig en aangenaam
om uit een hooggelegen punt een landstreek te overzien. Nu konden wij
altijd nog tusschen de stammen door een kijkje krijgen over bosch en
hei, akkers en venen, maar ’t had mooier kunnen zijn.
We daalden weer af en wandelden verder. Deze Appelscha’sche duinen zijn
staatsdomein, dus ons aller eigendom en het staatsboschbeheer is er mee
bezig, om ervan te maken wat maar mogelijk is. Er zijn op uitgebreide
schaal beplantingen aangelegd, die zeer goed gedijen en daartusschen
vinden we nog de oorspronkelijke hei begroeid met reusachtige en zeer
grillig gevormde jeneverbesstruiken, sommige slank omhoog rijzend als
cypressen of populieren, andere breed uitgegroeid in allerlei
gedaanten. Zoo’n jeneverbesheide ziet er altijd zeer onderhoudend uit,
al vinden sommige menschen haar naar en eenzaam. Tusschen heel oude
dennen door zagen we een lichte plek en toen we daarop los stevenden,
hadden we opeens de echte zandstuiving voor ons: spierwit zand in
heuveltjes opgewaaid, andere heuvels, op hun top nog met hei begroeid,
maar waarvan de kanten loodrecht door den wind waren afgeschuurd,
daarnaast weer groote onbegroeide vlakken met uitgewaaide geulen,
waarin het regenwater van gisteren zich had verzameld. Sommige der
witte heuvels waren al door de boscharbeiders onder handen genomen en
beplant met het helmgras onzer duinen. Groot is deze zandverstuiving
niet en er wordt ook wel voor gezorgd, dat zij niet grooter wordt, maar
zij is buitengewoon interessant en we zouden wel willen, dat zij altijd
bleef zooals nu. Verder naar het zuiden begon de bruine hei weer, een
groote vlakte, en een paar helkleurige vlekjes, die we erin zagen,
bleken bijenkorven te zijn. Bij nader onderzoek vonden we nog meer
bijenstallen. Er wordt hier veel aan bijenteelt gedaan. Naar het zuiden
was een groene streep, daar ontspringt het Vleddersche diep en aardig
zou het geweest zijn er eens een paar natte voeten aan te wagen, om
daar te zoeken naar mooie bloemen van de natte hei en van de natte
moerassen. Wij stelden ons tevreden met een paar zeer mooie blauwe
klokjesgentianen met wat cipelgras en koersten ten zeerste tevreden
weer naar Oosterwolde terug.
’s Middags gingen we noordwaarts, altijd weer door woud en beemd en
kwamen alweer gauw bij een brug of tille, ditmaal de Haulertille (86)
over de Kuinder of Tjonger, waarvan we tot ons genoegen hier het stuk
bovenloop te zien kregen, dat niet is gekanaliseerd. Een kilometer of
vier hoogerop ontspringt hij uit de hooge venen, hier stroomde hij door
de wei en langs de dichte hagen. Pijlkruid en zwanebloemen bloeiden
langs zijn oevers en in het water wiegelden lange slierten van egelskop
en fonteinkruid. Over de tille heen bereikten we het dorpje Haule. Hier
zijn we in de hooge venen, die we vooral naar rechts te zien kregen,
rood bebloemd met struikhei en dophei en in de verte blonk in een
groenen krans van biezen en rietgras een vrij groot meertje (93).
Hoogerop kwamen we in oud bosch en toen weer in een streek, waar de
turf pas was afgegraven en weggevoerd langs kanaaltjes die in
verbinding staan met de kolonievaart van Veenhuizen.
Het zal niet zoo heel lang meer duren, of ook dat mooie meertje en het
heidelandschap zullen aan de beurt komen en dan verandert opeens het
heele landschap tot onherkenbaar wordens toe. In de laatste
vijfentwintig jaar is er dank zij de nieuwe machinerieën al veel meer
turf afgegraven als in de heele eeuw, die voorafging en keer op keer,
als ik in de veenstreken eens een mooi of merkwaardig plekje op nieuw
wil bezoeken, waar ik vroeger merkwaardige planten of dieren vond,
ontmoet ik in plaats van een bloemrijk meertje of een schilderachtig
kreupelbosch een spiksplinternieuw boerderijtje met akkers en weiden.
Dat is allemaal heel goed en prettig voor de welvaart, maar we moeten
toch zien, dat we op de groote massa een paar van die mooie veenplekjes
behouden. Dit Haulerwijker meertje zou daarvoor zeer geschikt zijn.
Het was hier, dat we een merkwaardige tegenstelling te zien kregen.
Rechts van den weg werd juist een groote boerenplaats aangelegd. Het
huis stond er al, mooi groot in den Groninger stijl en er rondom werden
nu park en tuin aangelegd met lanen en perken, dat het een lust was.
Rondom wijd en zijd was de grond bewerkt en gereed om in volgende jaren
ruime oogsten voort te brengen. Een eindje verder, links van den weg
lag nog een stukje onontgonnen terrein en daarop een arbeiderswoninkje,
met plaggen bedekt en half in den grond verborgen, een armelijk hutje
(88), zoo een, waar we dertig jaar geleden van lazen in de couranten,
wanneer er gesproken werd over „arm Friesland”. Gelukkig behoort dat
tegenwoordig vrij wel tot het verleden, zoodat we gerust de
schilderachtigheid van dit ééne gevalletje konden bewonderen. Nu
belandden we aan een kanaal, alweer de Drachtster Compagnonsvaart en
hooge zware eiken aan de overzijde vertelden ons, dat de ontginningen
hier al van ouden datum zijn, maar toen we een zijpad insloegen in
oostelijke richting bereikten we toch een wildernis, weer een
zandverstuiving zooals in Appelscha. Deze Bakkeveensche duinen (89)
zijn echter wat tammer, nog al begroeid met dun schapengras en laag
eiken kreupelhout en verderop gaan ze over in heide met plasjes, waar
we ook wel graag hadden rondgezien. Trouwens onze indruk van Friesland
is in hoofdzaak, dat we overal nog wel eens weer willen komen, om de
zaak nog eens degelijker te bezien. Ook de bosschen in de richting van
Siegerswoude zagen er buitengewoon aantrekkelijk uit; het beste is
maar, dat ik eens een week in de zomervacantie in Beetsterzwaag ga
wonen. Nu moesten we weer terug naar Oosterwolde en namen in plaats van
heel Haulerwijk (87) om te rijden een fietspad, dat bij Beneden
Haulerwijk zuidwaarts gaat, zeer mooi midden door de hoogvenige
bosschen.
Den volgenden dag kwam er een eind aan mijn vacantie en reden we
Friesland uit over Nieuw Appelscha naar Drente toe. De sluis op de
grensscheiding „de Scheid” (90) keken we met veel bewondering en
eerbied aan, want het heeft zoo wat een kwart-eeuw geharrewar gekost,
eer hier een scheepvaartverbinding tot stand is gekomen tusschen de
Friesche en Drentsche wateren. In onze jeugd, dat herinner ik mij nog
heel goed, leerden we op de aardrijkskunde-les spreken van den
„veelbesproken dam van Appelscha”. Thans is het verschil tusschen beide
provincies hier nog duidelijk te zien, want in Friesland heb je langs
het kanaal een mooien, effen, harden macadamweg, in Drente een ruig,
hobbelig klinkerweggetje, maar het diende zijn doel, want het bracht
ons naar het mooie beschaduwde Smilde en zoo verder naar den sneltrein
in Assen.