IV. DE OOSTHOEK.

Den volgenden dag was het alweer zonnig en warm en we wilden naar

Dokkum (77, 78), om te onderzoeken of daar werkelijk alle mannen een

witte haarlok en alle vrouwen een kaal plekje op het hoofd hebben, als

herinnering aan den snooden moord, door hun voorvaderen op Bonifacius

gepleegd. Dat hadden we zoo in onze jeugd geleerd; je leert veel, als

je jong bent. En ’t is voor de Dokkumers wel onpleizierig, dat wie zijn

heele Vaderlandsche geschiedenis vergeet, toch nog altijd dien

ongelukkigen moord blijft onthouden. Dokkum mag echter wel om een paar

anderen dingen in onze herinnering blijven.

Nu, wij volgden een eindje den Groninger straatweg, om weldra rechtsaf

het open kronkelwegje te nemen naar Lekkum en Miedum en daarbij hadden

we naar links het uitzicht op het bedrijvige deel van Leeuwarden dat

zich langs de Dokkumer trekvaart heeft uitgebreid. Langs den weg was

alles weiland en Miedum vooral zag er heel aardig uit; maar het was er

kaal en schaduwloos en als een veilige haven zagen we eindelijk recht

voor ons uit de hooge brug over de Murk (73), overwuifd door zware

bladermassa’s van hooge laanboomen. Al houden wij ook nog zooveel van

licht en zonneschijn, we waren blij, weer boomen langs den weg te

hebben: eerst gewone iepen, toen esschen en daarna eiken, waardoor we

tot het besef kwamen, dat we voor een poosje de klei hadden verlaten en

terecht waren gekomen op het zandruggetje van de Trijnwouden, de

aardige dorpjes Giekerk, Oenkerk en Oudkerk, die met elkander één

geheel vormen. Een alleraardigste weg, niet breed, maar mooi beplant,

alle huizen omgeven door bonte bloementuintjes en waar je er tusschen

door keek, zag je akkers met rogge, aardappelen of boekweit. Van

afstand tot afstand kwamen ook deftige huizen voor den dag:

Heemstra-state, het nog aanzienlijker Stania-state (74) met prachtig

park en hoog geboomte en eindelijk in de bocht naar Oudkerk toe

Sminia-state en de Klinse (75), waar de hooge eiken en de lekkere,

zachte, echt bemoste boschgrond ons uitnoodigden tot een half uurtje

rust. Als je zoo een poosje rustig blijft zitten aan een woudzoom komt

er altijd wel een aardig tooneeltje uit het natuurleven te zien.

Ditmaal was het een vlaamsche gaai, die achtervolgd werd door twee

wielewalen en als je die vogels kent, kunt ge begrijpen hoe

onderhoudend het was, al dat wit en bruin en blauw en zwart en

heldergeel in de zon te zien blinken. Toen de vervolging was afgeloopen

ging de gaai krijschen en de wielewaal fluiten en van het rumoer gingen

ook nog een massa andere vogels zingen, die zich anders op warme

Augustusdagen stil houden.

In Oudkerk waren ze bezig het oude kerkje met een dikke gele verflaag

te bedekken en aan de Murk vonden wij een aardig havenbuurtje. Toen de

brug (76) over en weer in den zonneschijn noordoostwaarts tusschen de

venige hooilanden door, de slootkanten bont van hooge bloemen van

bereklauw en engelwortel, wederik, kattestaart, moerasspiraea, allemaal

kruiden van den vollen zomer. Zoo bereikten we het aloude Rinsumageest

(22), waar de grond weer zandig wordt. Hier in de buurt lag vroeger het

derde der beroemde kloosters van Noord-Friesland: de abdij van

Claerkamp, wat een aardige naam. Een meertje even buiten het dorp heet

nog het Claerkamper meer. De monniken van Claerkamp gingen in het grijs

gekleed, vandaar dat het Wadden-eiland, dat tot 1580 toe tot het

klooster behoorde, thans nog Schiermonnikoog heet. Schier beteekent

namelijk „grijs”, een Fries noemt een grijze kraai ook altijd nog

„schiere kraai”.

Er is van Claerkamp in Rinsumageest echter niets meer te zien, maar de

dorpskerk zelf mag wel even bekeken worden, die is heel oud en verheugt

zich in het bezit van een verborgen benedenverdieping, een crypt,

waarin wij onder vriendelijke leiding van den koster afdaalden en ’t

was wel de moeite waard, de kleurige zuiltjes te zien, die daar het

ronde gewelf schraagden.

Toen ging het op Dokkum aan over Akkerwoude en Murmurwoude, die met

Rinsumageest en Dantumawoude samen ook weer bekend zijn onder den naam

van de Dantuwouden. De koster had ons al gezegd: „Het zal in de zon

moeten gebeuren,” en dat kwam ook volmaakt uit. Akkerwoude ligt zeer

verspreid, de weg is breed en ’t is er alles bouwland. Vooral wordt

hier cichorei geteeld, een grof gewas, zoo iets als bieten, maar valer

van kleur, dat om zijn wortels wordt gekweekt. Die worden gebrand en

het bruine poeder dient dan om koffie te vervangen en doet dat zeer

slecht, hetgeen we in Friesland nog al eens moesten ervaren. Maar waar

de planten waren doorgeschoten of een jaar over hadden gestaan, daar

bloeiden ze prachtig met helderblauwe bloemen, net zooals we ze in ’t

vorig jaar in het wild aan de IJseldijken hadden gevonden. Eindelijk

bereikten we Murmurwoude. Die naam wordt wel eens beschouwd als een

verbastering van Moordenaarswoude en hier zouden dan de lui gehuisd

hebben, die Bonifacius hebben doodgeslagen. We zagen geen een

Murmurwoudenaar, aan wien we konden vragen, of dat waar was. Ze hadden

zich allemaal verscholen voor de middaghitte.

Vanuit Murmurwoude geniet men een onbelemmerd uitzicht op Dokkum, want

er staat zoowat geen enkele boom en de stad zelf verrijst als een

eiland uit de vlakke velden. In een half uurtje hadden we het oude

Dockinga bereikt en we reden er maar dadelijk dwars doorheen, berg op

berg af, want het ligt op een paar bijzonder steile terpen. Met

sneeuwval en ijzel zal ongetwijfeld menig Dokkumer ten val komen. Die

terpen zijn zeer oud; Dokkum (77, 78) is na Stavoren de oudste stad van

Friesland en moet al in de derde eeuw na Chr. bestaan hebben. De

Lauwerzee was toen veel grooter dan thans, de Dokkumer Ee had een

wijden mond, zoodat onze stad eigenlijk een zeestad is geweest, nog wel

tot in de achttiende eeuw toe. Het groote stadhuis en verschillende

oude koopmanshuizen en pakhuizen herinneren nog aan het druk verkeer.

Van die witte haarlokken of kale plekken kregen we niets te zien.

Nu had ik nog wel graag doorgefietst naar de Lauwerzee, maar daarvoor

was eigenlijk toch de zon te heet en de dag te kort, daarom gingen we

langs den beroemden Bonifaciusput maar langs het kanaal (79) naar

Stroobos, om over Veenwouden weer Leeuwarden op te zoeken. De put is

ontstaan door den hoefslag van het paard van een der soldaten van

koning Pepijn’s tuchtigings-expeditie, en het water heette wonderdoende

eigenschappen te bezitten. Vroeger was de put open, maar omdat hij heel

goed drinkwater levert, heeft men hem overdekt en een hek erom gezet,

zoodat men er geen voeten meer in kan wasschen, wat sommige lui wel

deden vanwege de wonderdadigheid.

Langs het kanaal hadden we alweer geen last van de schaduw, maar we

verveelden ons niet. Rechts hadden we voortdurend het uitzicht op de

bosschen van Dantumawoude en Driesum, links lag het eindelooze

kleiland. Daarna kruisten we een belangrijke dwarsvaart, de Potsloot,

die verderop Zwemme heet en zagen nu rechts een uitgebreid laagveenland

met een groote plas er midden in, eigenlijk een laatste deel van de

Friesche meren, die in een breede strook dwars door de provincie heen

liggen van Stavoren naar de Lauwerzee. Een eindje verder verlieten we

onze vaart, om langs de Triemen naar Veenklooster te rijden, waar we

een uurtje rust hielden op de beroemde Fogelsangh-state (80), de

noordelijkste plaats in Friesland, waar de nachtegaal nog zingt. De

naam der state doelt daar echter niet op: haar stichter heette Dr.

Theodorus van Fogelsangh, die kocht in 1639 de voormalige

kloostergronden, waarnaar het gehuchtje nog altijd Veenklooster heet.

De plaats is prachtig met mooi beukenbosch, uitgestrekte vijvers,

rijken plantengroei en dichte vogelbevolking en we mogen onzen vriend

Theodorus wel dankbaar zijn, dat hij zoo’n mooi buiten heeft aangelegd.

Wie doet ’t hem na?

Nu hadden we nog een mooi ritje naar huis langs Kollumerzwaag en

Zwaagwesteinde naar Veenwouden, maar toen we bij de beroemde

Schierstins kwamen, een oude dépendance van het Claerkampster klooster,

zou men ons zelf voor schiere monniken hebben kunnen houden, zoo dik

zaten we onder het grijze stof. Het was dan ook eindelijk een groot

genoegen, om uit te blazen in den schaduwrijken tuin van Quatre-Bras

aan den Groninger straatweg, temeer omdat we daar de jeugd en

schoonheid van de Trijnwouden vereenigd vonden aan een spannenden

tenniswedstrijd. Toen ging het over Hardegarijp en Toutenberg weer op

Leeuwarden aan; onderweg hielden we ons nog even op bij de Groote

Wielen, waar de Leeuwardenaren in drommen komen zwemmen, roeien, zeilen

en visschen. Wat ze gelijk hebben!

Den volgenden dag slopen we smadelijk met den trein naar Buitenpost,

maar daar beklommen we weer onze karretjes om zuidwaarts te tijgen.

Buitenpost is een mooi, ruim dorp, goed in de boomen, maar verderop

wordt het wat kaler. Bij Blauwverlaat kruisten we het welbekende

Kolonelsdiep of Caspar de Roblesvaart en daarna, voorbij Sint

Augustinusga, begon het er weer een beetje apart uit te zien. Tot

Drachten toe kregen we nu telkens stukjes weg, langer of korter, die

aan weerszijden dicht beplant waren met elzen, zóó dicht, dat ze als

een muur den weg omzoomden en een bijzonder goede beschutting gaven

tegen den nog al fellen wind, die zich op de open stukken danig liet

gevoelen. ’t Allereerst bereikten we het oude dorpje Surhuizum (23) met

een zeer vreemdsoortigen, stokouden kerktoren, die een slanke spits

heeft, geheel uit baksteenen opgemetseld. We gingen nu de veenstreek

naderen en bereikten dan ook spoedig het groote en ruime dorp

Surhuisterveen (24), dat zich kilometers ver uitstrekt langs den

breeden weg en waar een groote zuivelfabriek in volle actie den omtrek

vervulde met zijn geplas en gerammel. Dan weer einden weg tusschen de

geurige elzen en voor Rottevalle sloegen we linksaf, om door de

ontgonnen veenstreek van de Drachtster Compagnie, die een aardige

afwisseling te zien geeft van bosch en hei en akkers en weiden te

belanden op de mooie maar lange Folgerenlaan, die ons naar Drachten

(81) bracht, na Heerenveen de belangrijkste veenkolonie van Friesland.

Evenals alle veenkolonies is het dorp lang en smal, van Noordeind tot

Zuideind wel een uur gaans. Het belangrijkste punt is waar de weg de

Drachtstercompagnonsvaart kruist, de hoofdbrug. Het ziet er allemaal

nieuw en druk en welvarend uit en vervelend is het er ook niet, want je

bent naar alle kanten nog al gauw in zeer mooie streken: naar het

Oosten de Hooge brug, Ureterp en Siegerswoude, naar het Zuiden het

beroemde land van Olterterp (82) en Beetsterzwaag.

Wij kregen daar een mooi staaltje van te zien, toen we even voor de

kerk van Olterterp rechtsaf een lange laan insloegen. ’t Is daar

verboden te fietsen, we liepen er dus met het karretje aan de hand. Bij

nader onderzoek vond ik, dat wij ook dat niet hadden mogen doen, maar

dat men om te wandelen in de bosschen van Olterterp (21) en

Beetsterzwaag bepaalde vergunningen moet aanvragen. De eigenaars hebben

zich tot dien maatregel genoodzaakt gezien, doordat het vrij toegelaten

publiek de bosschen en wandelingen vernielde. In dit opzicht heeft ons

volkje een kwaden tijd doorgemaakt; gelukkig, dat het zich in den

laatsten tijd wat schijnt te beteren en een andermans eigendom en

vooral de mooie natuur gaat leeren ontzien.

Wel, we liepen daar door een laan, die precies een half uur lang is en

aan weerskanten toegang geeft tot allerlei soort van bosch; hooge,

eeuwenoude dennen met reusachtige schubbige stammen, donker beukenwoud,

vroolijke eikjes en prachtig parklandschap van hooge hei in vollen

bloei, afgewisseld met kleine groepjes grove dennen, die daar

verstrooid zijn opgeslagen. Hier en daar waren aardige waterpartijtjes

en alles was er stil en grootsch en ruim. Geen wonder, dat deze streken

als de schoonste van Friesland bekend zijn en dat ieder wel eens

gehoord heeft van de groote buitens, die het in stand blijven van deze

bosschen mogelijk maken: Lijndenstein, Lanswold, Boelens en hoe ze meer

heeten. In vroeger jaren hadden we daar ook wel rondgedwaald, maar

thans wilden we verder naar het onbekende Oosten. Onze laan kwam dan

ook op zijn tijd weer uit op een openbaren weg en weldra kwamen we nu

aan een eenvoudige klapbrug, de Poostertille (83), waar we even

afstapten, om eerbied te bewijzen aan Frieslands belangrijkste rivier,

de aloude Boorne of het Koningsdiep. Deze rivier ontspringt achter

Bakkeveen, waar Friesland, Groningen en Drente aan elkander grenzen en

stroomt dan dwars door het land langs Oldeboorn en Akkrum en heeft daar

vroeger ergens in de Middelzee uitgemond. Er zijn er wel, die het

Bornrif tusschen Terschelling en Ameland in verband met dit water

brengen en de Middelzee beschouwen als niet anders dan den wijden

Boornmond. Dit alles overdachten we, terwijl we over de leuning aan de

Poostertille naar de vischjes stonden te kijken. Over de Tille klom de

weg en we waren nu op den heide- en veenrug, die de scheiding vormt

tusschen het gebied van de Boorne en van onzen ouden vriend de Tjonger.

Het landschap herinnerde hier ook al heel sterk aan het Tjongerland, na

de hei gepasseerd te zijn kwamen we in Wijnjeterp (84) en dat lag al

net zoo verspreid als Oudehorne en Nijehorne. Nu ging het zuidwaarts en

bij den Wittebult bereikten we de Opsterlandsche Compagnonsvaart,

schrikbeeld uit onze kinderjaren, toen we met al die compagnons geen

raad wisten. Die vaart bleek nu een heel gewoon kanaal te zijn, met nog

al hooge oevers en vol echt bruin veenwater. Het leukste was nog wel,

dat hij nu eigenlijk niet eens meer Opsterlandsch was, want bij den

Wittebult begint de gemeente Ooststellingwerf. Thans kregen we onze

eerste stortbui, die we juist bijtijds konden ontwijken door in

Donkerbroek een kopje thee te drinken. Meteen konden we daar de klok

zien luiden, er was een mooi klokhuis met drie klokken. Verder ging het

weer langs den boschrijken weg en met een gevoel van groote

tevredenheid zagen we weldra weer een flinke donkergroen geschilderde

klapbrug, de Tjonger brug, want hier snijden de oude Tjonger en de

nieuwe Compagnonsvaart elkander. Veel tijd om van deze

waterstaatkundige bijzonderheid te genieten werd ons niet gegund, want

er kwam weer een zware bui opzetten, die ten gevolge had, dat een

kwartiertje later twee meer dan gewoon doornatte fietsers een

onderkomen kwamen zoeken in de Gouden Klok te Oosterwolde. Daar bleven

we dien nacht.

Oosterwolde (85) is de hoofdplaats van de gemeente Ooststellingwerf en

een geschikt uitgangspunt voor aangename uitstapjes. Evenals

Oldeberkoop verheugt het zich in de aanwezigheid van reusachtige

lindeboomen (85), waaronder kerk en klokhuis geheel verscholen gaan.

Ons eerste doel was Appelscha, dat we bereikten na een kort ritje langs

nieuwe klinkerwegen door een afwisselend landschap van boerderijtjes

met akkers en weiden en dennenbosch. Dat dennenbosch (91) neemt

bezuiden Oud-Appelscha aanzienlijke afmetingen aan en daar vinden we

dan ook het hoogste punt van Friesland, den Boschberg, die nog een

meter of tien hooger is dan de terp van Hooge Beintum. Maar het is een

natuurlijke hoogte. In overoude tijden reeds heeft de wind het zand van

de heidevelden in dezen hoek van Drente en Friesland te pakken genomen

en opgewaaid tot golvende duinen (92), waarvan sommige door den

plantengroei zijn vastgelegd. Met den Boschberg is dat zeker al lang

geleden gebeurd, want hij is nu begroeid met tamelijk zware dennen en

op den grond vinden we niet alleen dicht mos, maar ook blauwe

boschbessen en roode boschbessen, lelietjes van dalen, dalkruid en al

de planten, die in een echt oud bosch tehuis behooren. Wij klauterden

met groot genoegen tegen de steile hellingen op en vonden heel bovenaan

nog een houten gevaarte, dat dienst doet als Belvedère, maar dat was nu

gesloten, wat jammer genoeg was, want het is altijd nuttig en aangenaam

om uit een hooggelegen punt een landstreek te overzien. Nu konden wij

altijd nog tusschen de stammen door een kijkje krijgen over bosch en

hei, akkers en venen, maar ’t had mooier kunnen zijn.

We daalden weer af en wandelden verder. Deze Appelscha’sche duinen zijn

staatsdomein, dus ons aller eigendom en het staatsboschbeheer is er mee

bezig, om ervan te maken wat maar mogelijk is. Er zijn op uitgebreide

schaal beplantingen aangelegd, die zeer goed gedijen en daartusschen

vinden we nog de oorspronkelijke hei begroeid met reusachtige en zeer

grillig gevormde jeneverbesstruiken, sommige slank omhoog rijzend als

cypressen of populieren, andere breed uitgegroeid in allerlei

gedaanten. Zoo’n jeneverbesheide ziet er altijd zeer onderhoudend uit,

al vinden sommige menschen haar naar en eenzaam. Tusschen heel oude

dennen door zagen we een lichte plek en toen we daarop los stevenden,

hadden we opeens de echte zandstuiving voor ons: spierwit zand in

heuveltjes opgewaaid, andere heuvels, op hun top nog met hei begroeid,

maar waarvan de kanten loodrecht door den wind waren afgeschuurd,

daarnaast weer groote onbegroeide vlakken met uitgewaaide geulen,

waarin het regenwater van gisteren zich had verzameld. Sommige der

witte heuvels waren al door de boscharbeiders onder handen genomen en

beplant met het helmgras onzer duinen. Groot is deze zandverstuiving

niet en er wordt ook wel voor gezorgd, dat zij niet grooter wordt, maar

zij is buitengewoon interessant en we zouden wel willen, dat zij altijd

bleef zooals nu. Verder naar het zuiden begon de bruine hei weer, een

groote vlakte, en een paar helkleurige vlekjes, die we erin zagen,

bleken bijenkorven te zijn. Bij nader onderzoek vonden we nog meer

bijenstallen. Er wordt hier veel aan bijenteelt gedaan. Naar het zuiden

was een groene streep, daar ontspringt het Vleddersche diep en aardig

zou het geweest zijn er eens een paar natte voeten aan te wagen, om

daar te zoeken naar mooie bloemen van de natte hei en van de natte

moerassen. Wij stelden ons tevreden met een paar zeer mooie blauwe

klokjesgentianen met wat cipelgras en koersten ten zeerste tevreden

weer naar Oosterwolde terug.

’s Middags gingen we noordwaarts, altijd weer door woud en beemd en

kwamen alweer gauw bij een brug of tille, ditmaal de Haulertille (86)

over de Kuinder of Tjonger, waarvan we tot ons genoegen hier het stuk

bovenloop te zien kregen, dat niet is gekanaliseerd. Een kilometer of

vier hoogerop ontspringt hij uit de hooge venen, hier stroomde hij door

de wei en langs de dichte hagen. Pijlkruid en zwanebloemen bloeiden

langs zijn oevers en in het water wiegelden lange slierten van egelskop

en fonteinkruid. Over de tille heen bereikten we het dorpje Haule. Hier

zijn we in de hooge venen, die we vooral naar rechts te zien kregen,

rood bebloemd met struikhei en dophei en in de verte blonk in een

groenen krans van biezen en rietgras een vrij groot meertje (93).

Hoogerop kwamen we in oud bosch en toen weer in een streek, waar de

turf pas was afgegraven en weggevoerd langs kanaaltjes die in

verbinding staan met de kolonievaart van Veenhuizen.

Het zal niet zoo heel lang meer duren, of ook dat mooie meertje en het

heidelandschap zullen aan de beurt komen en dan verandert opeens het

heele landschap tot onherkenbaar wordens toe. In de laatste

vijfentwintig jaar is er dank zij de nieuwe machinerieën al veel meer

turf afgegraven als in de heele eeuw, die voorafging en keer op keer,

als ik in de veenstreken eens een mooi of merkwaardig plekje op nieuw

wil bezoeken, waar ik vroeger merkwaardige planten of dieren vond,

ontmoet ik in plaats van een bloemrijk meertje of een schilderachtig

kreupelbosch een spiksplinternieuw boerderijtje met akkers en weiden.

Dat is allemaal heel goed en prettig voor de welvaart, maar we moeten

toch zien, dat we op de groote massa een paar van die mooie veenplekjes

behouden. Dit Haulerwijker meertje zou daarvoor zeer geschikt zijn.

Het was hier, dat we een merkwaardige tegenstelling te zien kregen.

Rechts van den weg werd juist een groote boerenplaats aangelegd. Het

huis stond er al, mooi groot in den Groninger stijl en er rondom werden

nu park en tuin aangelegd met lanen en perken, dat het een lust was.

Rondom wijd en zijd was de grond bewerkt en gereed om in volgende jaren

ruime oogsten voort te brengen. Een eindje verder, links van den weg

lag nog een stukje onontgonnen terrein en daarop een arbeiderswoninkje,

met plaggen bedekt en half in den grond verborgen, een armelijk hutje

(88), zoo een, waar we dertig jaar geleden van lazen in de couranten,

wanneer er gesproken werd over „arm Friesland”. Gelukkig behoort dat

tegenwoordig vrij wel tot het verleden, zoodat we gerust de

schilderachtigheid van dit ééne gevalletje konden bewonderen. Nu

belandden we aan een kanaal, alweer de Drachtster Compagnonsvaart en

hooge zware eiken aan de overzijde vertelden ons, dat de ontginningen

hier al van ouden datum zijn, maar toen we een zijpad insloegen in

oostelijke richting bereikten we toch een wildernis, weer een

zandverstuiving zooals in Appelscha. Deze Bakkeveensche duinen (89)

zijn echter wat tammer, nog al begroeid met dun schapengras en laag

eiken kreupelhout en verderop gaan ze over in heide met plasjes, waar

we ook wel graag hadden rondgezien. Trouwens onze indruk van Friesland

is in hoofdzaak, dat we overal nog wel eens weer willen komen, om de

zaak nog eens degelijker te bezien. Ook de bosschen in de richting van

Siegerswoude zagen er buitengewoon aantrekkelijk uit; het beste is

maar, dat ik eens een week in de zomervacantie in Beetsterzwaag ga

wonen. Nu moesten we weer terug naar Oosterwolde en namen in plaats van

heel Haulerwijk (87) om te rijden een fietspad, dat bij Beneden

Haulerwijk zuidwaarts gaat, zeer mooi midden door de hoogvenige

bosschen.

Den volgenden dag kwam er een eind aan mijn vacantie en reden we

Friesland uit over Nieuw Appelscha naar Drente toe. De sluis op de

grensscheiding „de Scheid” (90) keken we met veel bewondering en

eerbied aan, want het heeft zoo wat een kwart-eeuw geharrewar gekost,

eer hier een scheepvaartverbinding tot stand is gekomen tusschen de

Friesche en Drentsche wateren. In onze jeugd, dat herinner ik mij nog

heel goed, leerden we op de aardrijkskunde-les spreken van den

„veelbesproken dam van Appelscha”. Thans is het verschil tusschen beide

provincies hier nog duidelijk te zien, want in Friesland heb je langs

het kanaal een mooien, effen, harden macadamweg, in Drente een ruig,

hobbelig klinkerweggetje, maar het diende zijn doel, want het bracht

ons naar het mooie beschaduwde Smilde en zoo verder naar den sneltrein

in Assen.

Friesland · 第 8 / 13 题