III. IN HET TERPENLAND.

Luilak 1915 in den namiddag trapten we met ons beidjes, alweer tegen

den wind, uit Leeuwarden den Stienser straatweg op met Ferwerd (53) tot

doel, of liever de buurten Hooge Beintum (51, 52) en Oosterbeintum,

want ik wou daar zien, hoe het eigenlijk gesteld is met het binnenste

van een terp. Ge weet wel, dat de lui in de kleistreken van Friesland

en Groningen zoowat duizend jaar lang op dergelijke vluchtheuvels

hebben gewoond, eer ze talrijk en krachtig genoeg waren, om, min of

meer eendrachtig samenwerkend, het land door dijken te beschermen tegen

wat wij zoo graag noemen het woeden der baren. In het geheel zijn er

daar in het Noorden wel meer dan vijfhonderd van die terpen of wierden

geweest, vele zóó groot, dat er mettertijd steden en dorpen op gebouwd

konden worden, denk maar aan Leeuwarden en Bolsward en we zullen er zoo

nog wel een stuk of twintig ontmoeten. Ze bestaan uit klei en uit allen

mogelijken afval van het menschelijk bedrijf van lang vervlogen eeuwen,

zoodat die terpaarde buitengewoon vruchtbaar is en zelfs bij wijze van

mest vergraven en vervoerd wordt, om elders schrale gronden te

verbeteren. Dat gebeurt in den laatsten tijd zeer druk en zooveel is

die terpaarde waard, dat men met de afgraverij nog voordeel heeft,

wanneer huizen, zelfs halve of heele dorpen, die op de terp staan,

moeten worden afgebroken. Dan vindt je later een nieuw huis of een

nieuw dorp op den beganen grond. Soms blijft alleen de kerk over met

het kerkhof, een andermaal alleen de toren, zooals we in ons vorig

hoofdstuk zagen in Oosterwierum. Het spreekt van zelf, dat bij het

afgraven allerlei oude rommel, zelfs kostbaarheden te voorschijn komen.

Die gaan soms verloren of raken verstrooid, maar duizenden zijn er

oordeelkundig ingezameld en worden nu bewaard in het Friesch museum te

Leeuwarden. Voor we onzen tocht begonnen, hadden wij ze daar bekeken en

daardoor was ik niet weinig belust geraakt, om op mijn eigen houtje

daar in het hooge Noorden ook de schatgraverij te gaan beoefenen.

Vooruit dus langs den straatweg onder de mooie hooge iepen. Die houden

echter na een Kilometer of vier plotseling op. We zijn daar aan de

grens van het stadsgebied van Leeuwarden en betreden nu de gemeente

Leeuwarderadeel. Juist bij de grens ligt de uitspanning de Bonte Koe,

dat is voor Leeuwarden zoowat net wat de Platvoet is voor Deventer. Nu

hebben we weer rechts het oude land vol dorpen en boomen, links de

effen grasvlakte van de voormalige Middelzee. De polders heeten de

Nieuwe landen, al zijn ze ook zeshonderd jaar oud. Het stuk van

Leeuwarden, dat Nieuwstad heet, is ook op dergelijk Nieuwland gebouwd

en ontleent daaraan zijn naam. De dorpjes rechts, het drietal Jelsum

(49), Cornjum en Britsum, zijn ook wel een bezoek waard. Hun terpen

zijn voor het grootste deel afgegraven. In Jelsum vinden we een behalve

een aardig kerkje (117) mooie oude stins, Dekema state (105) en de

Jelsummers beweren, dat dat nu het echte huis is geweest van de echte

Roos van Dekama. ’t Is natuurlijk erg pleizierig, om te meenen, dat dat

mooie meisje werkelijk heeft bestaan en dan wil je ook weten, waar ze

geleefd heeft. Nu krioelt Friesland echter van Dekemastate’s en evenals

zeven Grieksche steden elkander de eer betwisten van Homerus’

geboorteplaats geweest te zijn, zoo redekavelde men in Friesland over

de plek waar onze Roos haar wieg eens stond. Als dat nu die Dekemastate

in Jelsum is geweest, dan had ze meteen gezellige buren gehad, want een

kwartiertje verder, in Cornjum stond de beroemde Martena-State en de

Martena’s moeten aardige lui geweest zijn. Hun huis is echter

verdwenen, maar tuin en park bestaan nog en onder hoede der kerk zijn

ze geworden tot een aangename openbare wandelplaats. De Friezen zijn

van oudsher echte liefhebbers van boomen en bloemen geweest, zeker wel

omdat er van nature zoo weinig in hun land groeiden en zoo komt het,

dat men tegenwoordig op die oude wandelingen nog altijd allerlei mooie

plantjes vindt: winteraconiet, helmbloempje, vooral de zeldzame holle

helmbloem, aronskelken, Haarlem’s klokkenspel en allerhande moois. Dat

bosch van Martena is ook nog merkwaardig, doordat er reigers nestelen,

eertijds in zóó groot aantal, dat het wandelen er minder aangenaam werd

door al het vuil en de stank, die aan zoo’n nestplaats eigen zijn.

Thans is dat weer wat beperkt. Britsum ligt wat verderaf, het heeft een

mooi antiek kerkje en ligt ook aardig in het hout; wij laten het rechts

liggen en naderen nu langs den kalen, maar toch lang niet vervelenden

weg het aanzienlijke Stiens (50), dat ook al op een terp ligt, de

groote kerk met zijn forschen toren op het hoogste punt. Wij zijn er

gauw door heen, en nu volgen, ik had haast geschreven in snelle

volgorde, maar de tegenwind was heusch te bar, nog allemaal van die

terpdorpen: Hyum, Hallum (72) en Marrum, het laatste al zeer duidelijk.

En overal in het rond ontdekken we nog van die platte heuveltjes,

sommige met een huis erop, andere zonder. Tusschen twee van die terpen

door bereiken we eindelijk het aanzienlijkste terpdorp in deze streek:

Ferwerd (53), de hoofdplaats van Ferwerderadeel, want bij het bruggetje

over de Hyumertrekvaart zijn we weer in een nieuwe gemeente gekomen.

Dit Ferwerd is een zeer indrukwekkend terpdorp. Op de hoogste plaats

bevindt zich het kerkhof, door een laag muurtje omgeven, en de

geweldige kerk met zijn trotschen toren, grijs van tint en begroeid met

korstmossen en muurvarens. Als de huizen rondom het uitzicht niet

belemmerden, zou men van het kerkhof al wel over den zeedijk heen de

grijze Wadden kunnen aanschouwen, want men staat hier hooger dan de

dijk en ’t is dus wel te begrijpen, dat in vroeger eeuwen bij

stormvloeden menschen en vee hier een toevlucht konden vinden.

De oude Plinius, die het van tijdgenooten weten kon, schrijft dan ook:

„Een uitgestrekte streek wordt daar bij tusschenpoozen tweemaal, des

daags en des nachts, door den Oceaan overstroomd, zoodat men bij dezen

eeuwigen strijd in den gang der natuur er aan twijfelt, of de bodem tot

de aarde dan wel tot de zee behoort. Daarop wonen armzalige menschen,

die hooge aardhoopen bezitten of verhevenheden, met handen gemaakt, tot

op de uit ervaring bekende hoogte van den hoogsten vloed, en daarop hun

hutten plaatsen. Zij gelijken op zeevarenden, als water de omgeving

bedekt, op schipbreukelingen, als de wateren teruggeweken zijn; zij

maken dan ook jacht om hun hutten op de visschen, die met de ebbe weer

weggevoerd worden. Zij hebben geen vee en geen melk, zooals hun

naburen. Zij kunnen zelfs geen strijd voeren met de wilde dieren, want

alle struikgewas is ver weg. Zij vlechten van zeewier en waterbiezen

touwwerk tot netten ter vischvangst. Het slijk, dat zij met de handen

grijpen, drogen zij meer in den wind dan in de zon. Met deze aarde

verwarmen zij hun spijzen en hun door den noordenwind verstijfde

ingewanden. Hun eenige drank is regenwater bewaard in putten bij den

ingang van hun huis.” Geen vroolijk tafereel, zooals ge ziet, al heeft

Plinius ter wille van de schilderachtigheid van het geval misschien een

beetje overdreven. Ook weten wij, door wat er alzoo in de terpen is

gevonden, dat hun bewoners welvaart en zelfs weelde hebben genoten.

Den volgenden morgen gingen wij in ’t zonnetje (trots Plinius) langs

een alleraardigst binnenpad van Ferwerd naar Hooge Beintum (51, 52),

dat zich als een prachtige boomgroep hoog in de lucht verhief. Wij

hadden wel tien meter steil te klimmen eer wij het overschot van het

dorp hadden bereikt met het zeer oude kerkje en dicht begroeid kerkhof,

beschaduwd door zware iepen. Allerlei vogels zongen vroolijk en de

vlugge huiszwaluwtjes vlogen af en aan. Die hadden hun nesten gebouwd

onder de daklijst en in de spitsbogen van de hooge kerkramen. Die kerk

heeft daar al langer dan achthonderd jaar gestaan zij is hoofdzakelijk

gebouwd van tufsteen, aangevoerd uit verre landen, want eerst in de

dertiende eeuw zijn de Friezen zelf hun baksteenen gaan fabriceeren,

waar ze thans heel veel aan doen.

Wij liepen om de kerk heen en ook achterom de huisjes (101) van het

dorp, waar men een prachtig uitzicht heeft over de kleistreek, den

zeedijk, de schorren en de Waddenzee met in de verte de witte duinen

van Ameland. Langs de oostzijde ging het pad weer steil omlaag en daar

konden we ook den recht afgegraven kant zien; tien meter hoog,

duidelijk bestaande uit drie lagen: de bovenste gele terpaarde, de

middelste zwarte en de laagste de blauwe terpengrond. Verder wandelend

kwamen we aan een oude state, Harsta-state (68), omgeven door een

vierkante gracht, hooge boomen, aan den ingang een mooie oude lindelaan

met op den grond veel boschbloemen, o.a. het Haarlems klokkenspel, dat

je ook in den Haarlemmerhout vindt. Het was een echt woudplekje. Nu

ging het verder op Oosterbeintum aan en daar hebben we in den versch

afgegraven kant een poosje zitten krabbelen. Ons bleek daar, dat die

oude luidjes van tweeduizend jaar geleden, behalve van visch ook nog

smulden van de lagere dieren der zee, met name van kokkels, waarvan we

heele opeenhoopingen van schelpen vonden midden in den ouden mest. Dan

vond ik nog stukken plank en balkjes, afkomstig van de regenputten,

waar Plinius het over heeft en ook velerlei potscherven, maar

ongelukkig niet een versierde. Daar had zeker een bijzonder armoedig

gezin gehuisd. Intusschen hadden ze wel een kat, tenminste ik vond er

een onderkaak, heel mooi en gaaf, maar prachtig blauw. Ik heb dat ding

meegenomen als het onderkaakje van een tijdgenoot van Keizer Karels

hond. Trouwens ik vond er ook honde- en schapebeenderen. Intusschen

hebben andere, knappere zoekers nog heel wat meer gevonden: beenderen

van den oeros, en van herten, reeën, vossen, waaruit de gevolgtrekking

te maken is, dat de oude terpbewoners wel op jacht gingen op de hoogere

gronden in de bosschen van Murmurwoude of Veenwouden of nog hoogerop.

Ook gouden sieraden en beenen of gebakken kralen zijn er gevonden en in

de terp van Hooge Beintum een geraamte in een uitgeholden boomstam, dat

is de oudste vorm van doodkist. Dit kunt ge allemaal in het Friesch

museum gaan bekijken, maar verzuim dan toch vooral niet, om ook eens

een terp te bezoeken, waar men juist aan het afgraven is. Wij hebben

die paar dagen daar in Ferwerd buitengewoon genoten.

Ook hoorden wij daar vertellen, dat er tegenwoordig op de groene

kwelders buitendijks ook nu nog wel terpen worden gebouwd, niet zoozeer

als vluchtheuvels voor het vee, want dat kan zich op den dijk wel

redden, als ter bescherming van de drinkdobben, waarin het water anders

bij vloed verzouten zou. Om dat te bekijken, maakten wij nog eens een

apart ritje, weer uit Leeuwarden over Stiens (50), maar dan meer naar

links over Finkum en Hallumerhoek (55) op de Friesche Wadden aan. Dat

is ook een mooie tocht geworden, we noemen het den tocht der verdwenen

kloosters. Even voorbij Finkum toch ligt rechts van den weg ietwat in

de hoogte een groote mooie boerderij, die heet Klooster Mariëngaarde

(54). Van een klooster is daar echter niets te zien, dat is in het

begin van den tachtigjarigen oorlog vernield. De terp waar het op

stond, is grootendeels afgegraven (het kanaaltje is er nog) en de

afgravers hebben grooten tegenspoed gehad met al de oude steenen en

fondamenten, die ze daar te verwerken kregen inplaats van terpaarde.

Het klooster is in 1163 gesticht door den toenmaligen pastoor van

Hallum, die als eerste abt Frederik het al dadelijk tot grooten bloei

bracht. Ongeveer om dien tijd was ook de zeedijk gelegd en de monniken

van Mariëngaarde hebben al dadelijk zich er mee bezig gehouden, om

stukken van de Middelzee in te polderen, die heeten nu nog de Oud- en

Nieuw-munnikbiltpolders. Naderhand zijn die inpolderingen voortgezet en

daar is men nu nog altijd mee bezig, zooals wij zien zouden.

Wij hadden ons voorgenomen, om de drinkdobben te gaan bekijken in de

Noorderleegster Buitenkoggen, zooals op de kaart dat buitenland heette.

Even voorbij het schilderachtige Hallumerhoek (56) boog de weg

westwaarts om, die ons er brengen zou en dat ging allemaal puikbest. De

weg eindigde, zooals dat ook op de kaart stond aangegeven, en wij

stapten af om den hoogen zeedijk op te klimmen. Toen we bovenop waren

aangekomen, zagen wij echter dat ons buitenland geen buitenland meer

was, een kwartiergaans verder noordwaarts verhief zich een nieuwe

zeedijk. We gingen lekkertjes boven op den dijk in het gras liggen om

uit te kijken.

Terwijl ik daar zoo mijn aanteekeningen lig te maken, komt langs den

dijk een man aanstappen met zoo vasten tred, dat ik dadelijk argwaan

krijg en bedenk hoe ik verleden jaar eens moeite heb gehad om den

Groninger zeedijk te betreden vanwege den oorlogstoestand. Zou ’t hier

weer zoo zijn? We verzekeren elkaar eerst, dat het mooi weer is en dan

begin ik maar ’t eerst te vragen, hoe lang deze polder al bedijkt is en

hoe hij heet, en wie het heeft gedaan. Nog niet zoo heel lang geleden,

is het antwoord en door een waterschap, het waterschap der

Noorderkeegster buitenpollen (59). En daar (hij wijst een huis aan)

ligt het polderhuis van de Noorderkeegster buitenpollen en hier—en

meteen haalt hij een penning uit zijn boezem—is de politie van de

Noorderkeegster buitenpollen. Daar heb je ’t, dacht ik en merk op, dat

hij het hier in die kwaliteit zeker nogal rustig heeft. O neen, er komt

hier wel verdacht volk (met een blik op mijn aanteekenboekje) en ook de

jongens uit Leeuwarden, die als ze gezwommen hebben in zee zich wel

eens willen vermaken met paardje rijden op de koeien, om weer warm te

worden. En wat komt mijnheer hier doen? Ik verzeker hem, dat ik die

koeien met rust zal laten en vertel hem meteen maar mijn heele

historie, want ik begrijp het al, deze dijken worden door militairen en

politie ook om strijd verdedigd tegen alles wat verdacht is. Nu is

alles in orde en hij vertelt me van die drinkdobben, dat men die bij de

inpoldering heeft laten bestaan, zelfs uitgebreid. De grootste is nu

een reservoir met een molen er op en vandaar wordt het zoete water

geleid naar de kleinere drinkplaatsen rondom. Als we echt buitenland

willen zien, moeten we nog een half uurtje verder. We rijden nu over de

grazige kruin van den ouden zeedijk, hoog boven het land, bereiken de

volgende kwelder en loopen die nu af tot aan de zee. Deze kwelder wordt

door de ondernemende Friezen echter ook al omkaaid en gegreppeld en de

drinkdobben er in zijn ook al geen ouderwetsche terpjes meer, maar

cylinders van beton, kunstig afgedekt, zoodat de koeien er wel uit

kunnen drinken maar er niet in kunnen baden, zooals zij in de oude

dobben wel deden. Wij dringen door tot vlak aan ’t slik, waar de

zeekraal groeit en de zulte en kijken daar een kwartiertje naar de

duizenden en duizenden trekvogels, die in den nazomer hun aftocht naar

het zuiden volvoeren langs onze slijkerige Wadden.

Dan weer op de fiets, want het middaguur nadert. Vlug rollen we eerst

naar Nieuwe Bildtzijl en dan naar Oude Bildtzijl (57), waar we even

pleisteren. Vlak aan den dijk staat een kerkje met een splinternieuw

torentje en daar is een klein verhaal aan vast. Het blijkt, dat de

Oude-Bildt-zijlenaren bij de geboorte van Prinses Juliana ontstoken

waren in groote geestdrift. Deze stugge Friezen hebben toen zoo hard

hun klokken geluid, dat het torentje er onder bezweken is. ’t Kan

wezen, dat ze me voor den gek gehouden hebben, maar ’t is me voor waar

verteld en ik wil het ook graag gelooven, dat onze Koningin ervan heeft

gehoord en toen flink geholpen heeft, om het torentje te herstellen.

Als ik er wat te zeggen had, zou ik op dat torentje in een bescheiden

hoekje laten schilderen: „Vernieuwd na 30 April 1909.”

Het landschap wordt nu geheel anders dan in de terpenstreek. Nu geen

kronkelende wegen meer met aardige hellingen en huisjes, knus dicht

opeen geschaard rondom hun grijze kerkje op de hoogte. Neen, we hebben

hier lange, rechte dijken met nog langere en rechtere dwarswegen en

daarlangs liggen van afstand tot afstand de groote boerderijen, meestal

ook nog met haar langen kant langs den weg heen, om alles nog langer te

maken. We zijn hier nu in Het Bildt (58), het laatste stuk Middelzee,

dat drooggelegd is: het Oude Bildt omstreeks 1500, het Nieuwe Bildt een

eeuw later. Dat gebeurde hoofdzakelijk onder Hollandschen invloed en

daardoor verschilt deze jongste der Friesche gemeenten in vele

opzichten van de twee en veertig andere. Toch genoten wij ons ritje

wel, vooral den hoofdweg door het Oude Bildt, dien wij bij den Prulhoek

bereikten. We reden toen door de lange, haast aaneengelegen dorpen Sint

Anna Parochie (60) en Sint Jacobi Parochie, terwijl we het derde van de

Parochiedorpen, Lieve Vrouwe Parochie, achter ons lieten liggen.

Het is hier alles landbouw (58) en we keken met kennersblik naar de

tarwe, de haver en de gerst, het fijne kanariezaad en de mooie

lichtblauwe bloeiende maankop. Het vlas was al voor een groot deel

getrokken en men was ook bezig koolzaad te dorschen. Dat zag er

allerprettigst uit. Om te beginnen stond er een heel hooge staak midden

in het veld en in zijn top wapperde vroolijk onze mooie Nederlandsche

vlag. Daaromheen was het een en al bedrijvigheid. Het koolzaad moet

goed rijp zijn, anders deugt het niet. Maar nu behoort die plant tot de

familie der kruisbloemen en die hebben voor het meerendeel de gewoonte,

dat haar rijpe vruchten, ge weet wel, de hauwen, heel spoedig

openspringen en dan haar zaden in het rond strooien en dan blijft er

niets anders over dan het vliezige tusschenschot, zooals ge dat kent

van de Judaspenningen. Er komen dus veel handigheid en overleg bij te

pas, om de kostbare ronde koolzaadkorreltjes te pakken te krijgen.

We zagen dan ook, hoe de koolzaadplanten op de groote zeilen bij elkaar

gesleept werden en om dan de hauwen te laten openspringen werden er

vier paardjes door den koolzaad-hoop heen gereden, gemend door een

jongen, die bovenop het voorste blinkende paard zat. Die vlugge paarden

en de vlag, de arbeiders en arbeidsters met hun blanke zeilen, het druk

gedoe van karren vormden onder den blauwen zomerhemel een prachtig

schouwspel, dat nog omlijst werd door een kleurigen, mild dragenden

boomgaard links, en rechts een molentje in het groen. We bleven daar

een minuut of tien kijken en reden toen opgewekt verder door den langen

dorpsweg langs menig aanzienlijk huis en aardig groepje van

arbeiderswoningen. De kerkgebouwen en torens in Het Bildt hebben niet

veel te beduiden, maar die van Sint Anna Parochie moeten we toch eens

even aankijken, want daar is onze Rembrandt getrouwd. In het kerkeboek

kunt ge de aanteekening vinden: „Anno 1634, den 22 Junii, sijn in ’t

houwelyck bevestiget Rembrant Hermens van Rhyn tot Amsterdam woonende,

ende Saskia van Ulenborgh, nu tot Franeker woonachtich.”

Van Sint Jacobi Parochie naar den Mooien Paal is maar een klein eindje

en dan zijn we weer in het oude land, in Westergo, gemeente Barradeel.

Warempeltjes zien we den weg weer een beetje stijgen en voor ons ligt

op zijn terp het mooie dorp Minnertsga (67), alweer met een hoogen,

zeer ouden zadeldaktoren, opgebouwd uit reuzenmoppen. Alleen de top is

vernieuwd in 1818 en men heeft toen zeker van de gelegenheid gebruik

gemaakt om een omloop aan te brengen, wat men aan dat soort van torens

anders zelden aantreft. Ook het dorp is voor een groot deel vernieuwd,

allemaal nieuwe huisjes en er worden er nog steeds bijgebouwd.

Trouwens, dat is haast door heel Friesland zoo, en al dat bouwen en

vernieuwen geeft een prettigen indruk van welvaart en bedrijvigheid.

Er is in Minnertsga een aardig haventje, waar nu een aantal tjalken

druk bezig waren om aardappelen te laden, die een hoofdproduct zijn van

deze streek. Even buiten het dorp krijgen we weer afzonderlijke kleine

terpen te zien, maar vele zijn hier ook al weggegraven. Ook van de

stinsen die hier vroeger stonden, is niets meer over. Vroeger hebben

hier in de buurt de Adeelen’s gehuisd; ge herinnert u Seerp van Adeelen

wel uit „de Roos van Dekama”. Ik vrees, dat onze goede Jacob van Lennep

met de figuur van dezen Seerp veel schuld heeft aan de glad verkeerde

voorstellingen van Friesche stugheid en stijfhoofdigheid, die vele

Hollanders er nog op na houden. Als je daar eens lang en scherp over

gaat nadenken dan kom je tot de gevolgtrekking, dat de Hollanders er

lang zoo goed niet afkomen, als de Friezen. Maar eigenlijk zijn alle

vergelijkingen uit den booze.

Langs een volmaakt schaduwloozen weg, wat op dezen heeten

Augustusmiddag duidelijk voelbaar is, bereiken we nu het mooiste van

alle terpdorpen, dat is Tjummarum (133, 140). Firdgum met zijn hoogen,

alleenstaanden toren (66) hebben we rechts laten liggen. De kerk van

Tjummarum (64) ligt op den top van de terp en daar draait de

hoofdstraat (112) in een cirkelboog mooi omheen. We waren hier weer op

kerkelijk gebied, het buurtje even door Tjummarum heet de Pastoorspijp

en de dwarsweg, dien we vóór Oosterbierum (69) wilden inslaan, heet de

Monnikenweg. Deze monniken zijn die van het klooster Lidlum, dat nog

beroemder is geweest dan dat van Mariëngaarde, maar waarvan ook alleen

maar de naam is overgebleven.

Nu verder door Dongjum naar het aloude Franeker (63) langs een effen

grindweg, met hooge wuivende wilgen omzoomd. De trots van Franeker is

de breede Voorstraat met de Breede Plaats, inderdaad met de beide

kerken (62) tot achtergrond een zeer mooi stadsgezicht. Je pikt er

allerlei aardige geveltjes uit in het bijzonder de beide rijk versierde

Proffenhuizen en het groote oude Martenahuis (65). De eerste herinneren

aan den tijd, dat Franeker een nog al beroemde Hoogeschool bezat, maar

daar is nu een krankzinnigengesticht van gemaakt. Het Martenahuis is

nog van vóór 1500, behalve de stoep die tweehonderd jaar jonger is. Ook

het vroolijke, rijk versierde stadhuis (61) heeft een nieuwe stoep. De

toren herinnert aan dien van Bolsward en trouwens ook aan de

Amsterdamsche torens en het gebouw zelf maakt een heel bijzonderen

indruk, vooral wel doordat het een hoekhuis is. Wij misten den tijd, om

de verzamelingen te bekijken, die in dit stadhuis zijn tentoongesteld.

Maar wel namen wij het er van, om het Planetarium van Eyse Eysinga te

gaan zien in een achterkamer van een klein eenvoudig huisje dicht bij

het stadhuis. Onder ons gezegd hadden wij, onder invloed van al de

nieuwe geleerdheid, niet veel verwachting van al dat ouderwetsch

geknutsel. Maar we kwamen wel degelijk onder den indruk, misschien ook

wel doordat de dame, die met ijzeren vastberadenheid in vele talen het

geval uitlegt, ons niet losliet, voordat we alle bijzonderheden onder

het oog hadden gehad. Bovendien kochten we de zeer goed gedrukte

toelichting en nu weten we er alles van. Met een paar gewichten, een

slinger en vier kamraderen is Eyse Eysenga, die van beroep wolkammer

was, maar een groote liefde had voor wis- en sterrenkunde, er in

geslaagd, om je op ieder oogenblik op de minuut af een vrij juist beeld

te geven van den stand der hemellichamen, die gewoonlijk met het bloote

oog te zien zijn. Eyse Eysinga is met dat werk begonnen naar aanleiding

van de verslagenheid onder de bijgeloovige luidjes, doordat op 8 Mei

1774 vier planeten op een klusje bij elkaar kwamen te staan; een

ongewoon feit, dat, naar hun meening, allerlei ellende met zich zou

sleepen. Door middel van het Planetarium kon hij laten zien, dat die

ongewone gebeurtenis heel gewoon was en telkens na eenige eeuwen moet

terugkeeren, zooals wij een poosje geleden ook konden zien. Het

Planetarium loopt nu gelijk met zon en maan en sterren, maar Eyse had

er indertijd een kruk aan, waardoor hij de draaierij van eeuwen in een

paar minuten kon laten zien, maar daar sleet het toestel te veel van.

Ik kan er hier nu niet meer van vertellen, maar wel iedereen gaarne

aanraden, om dat Planetarium te gaan zien. Ik wou, dat we zooiets in

Amsterdam hadden.

Nu frisch op weg naar Leeuwarden langs een mooien straatweg met goed

fietspad. De bouwlanden maken hier plaats voor weiden. Ver naar rechts

zien we den hoogen toren van Tzum, op een na de hoogste van Friesland.

Dan naderen we het groote Dronrijp (71) met zijn witten toren in drie

verdiepingen, zijn groote boerderijen en zijn vele fabrieken. Bovendien

de geboorteplaats van Eyse Eysenga en van Alma Tadema. Naar links gaat

het er boschachtig uitzien, daar liggen Menaldum en verderop de tuinen

en boomgaarden van Berlikum en Beetgum, die we ongaarne onbezocht

laten. Rechts zien we over de weiden Deinum, met zijn uientoren (31) en

dan gaat de weg stijgen tegen de terp van Marssum op, het laatste dorp

vóór Leeuwarden, waar we een half uurtje besteden om het aloude

Heringastate (70) te zien met de beroemde Poptastichting.

Vandaar naar Leeuwarden is het weer een zeer aangenaam ritje, maar ik

ben heusch bang, dat wij voor Leeuwarden langzamerhand een al te groote

vooringenomenheid zijn gaan koesteren. Doch toen we dit jaar er weer

een paar dagen moesten overblijven, was het er al weer nog prettiger en

mooier dan wij verwacht hadden. Hoe komt dat toch?

Friesland · 第 7 / 13 题