Als een jaar of tien geleden iemand nog voorspeld zou hebben, dat ik in
mijn zomervacantie voor een weekje naar Leeuwarden zou gaan, dan had ik
hem zeker heel onbeleefd vlak in zijn gezicht uitgelachen. En toch is
het zoover gekomen, alles terwille van dit album en ik stel er grooten
prijs op, om te verklaren, dat wij het met het allergrootste genoegen
hebben gedaan. Wij Hollanders hebben over het algemeen een heel
verkeerd denkbeeld van Friesland en de Friezen, maar ik ben nu gelukkig
al een heel eind op weg, om bekeerd te worden van de dwalingen mijns
weegs. Om te beginnen, wij vonden Leeuwarden een aardige,
onderhoudende, vroolijke en vriendelijke stad en als we op den dag onze
groote zwerftoeren door de provincie hadden volbracht, dan genoten wij
er van, om ’s avonds, zoo lang er nog daglicht was, rond te dwalen door
de aardige hoofdplaats. Dan gingen we winkelen langs den Wirdumerdijk,
de Kelders, de Oosterkade (116), de Korenmarkt en de Voorstreek, waar
ik bij Meijer en Schaafsma een oud reisgidsje kocht, getiteld Friesland
en de Friezen. Dat boekje dateert van 1877 en is dus allergeweldigst
verouderd, maar dat neemt niet weg, dat het door de oorspronkelijke
bijdragen van vele brave en knappe Friezen nog altijd dubbel en dwars
de moeite waard is, om geraadpleegd te worden. Van jonger datum, van
1915, is de Nieuwe Gids voor Leeuwarden en omstreken, maar wat daar van
de omstreken in staat, is slechts weinig. Wij vonden, dat er heusch wel
eens een heel nieuw boek over Friesland mocht verschijnen, want dat
land is ’t waard.
Van de Kelders, die een beetje herinneren aan de Oude Gracht te
Utrecht, slenterden we dan naar de Nieuwstad, die al oud genoeg is, ik
zal straks wel uitleggen, waar de naam vandaan komt. Daar staat de
mooie Oude Waag (25), die omstreeks 1600 is gebouwd en er net zoo
vroolijk en aardig en onderhoudend uitziet, als ze in dien tijd de
openbare gebouwen wisten te maken. In 1877 werd zij nog gebruikt, maar
sedert moest zij door een grootere vervangen worden, die ge met Beurs
gecombineerd om den hoek van het Wilhelminaplein kunt bewonderen.
Vergelijk maar eens. Vergelijk ook het Paleis van Justitie op hetzelfde
Wilhelminaplein met het Kanselarijgebouw (26) op de Tweebaksmarkt. Dit
laatste is trouwens een van de mooiste gebouwen van heel Nederland, een
cadeautje van onzen ouden goeden vriend Philips II van Spanje, die het
van 1566 tot 1571 heeft laten bouwen. Het is niet heelemaal klaar
gekomen door den tachtigjarigen oorlog en later onder Koning Willem I
is het binnen nog al heel erg en ergerlijk verknoeid, maar aan den
buitenkant is het nog altijd van verrassende schoonheid. De vier
wapens, die op de mooie steenen trap door grijnzende leeuwen worden
vastgehouden, zijn die van de vier kwartieren van Friesland: Oostergo,
Westergo, De Elf Steden en de Zevenwolden. Tegenover de Kanselarij ligt
het Friesch Museum, dat bezochten we nu niet, omdat we op den dag
natuurlijk buiten moesten zijn, maar vroeger kwamen wij er toch al
dikwijls, om de uren te gebruiken, die we bij onze bezoeken aan
Terschelling of Rottum verloren door de slechte treinaansluitingen te
Leeuwarden. Men zegt, dat dit in de toekomst beter wordt, maar dat zal
de klandisie van het Friesch Museum schaden en dat is heel jammer, want
er is een massa moois en merkwaardigs te zien en veel te leeren.
Vlak bij de Waag is de breedste brug van heel Nederland, breeder nog
dan de Torensluis, die heet de Langepijp en daar in de buurt staan de
stugge Friezen ’s avonds bij troepjes te babbelen en gekheid te maken,
wat hun wonder goed afgaat, want al die stuggigheid is maar een
kwaadaardig verzinsel van de Hollanders. Wij hielden ervan, om over de
Langepijp de oude stad in te duiken langs smalle straatjes, die soms
ongelooflijk steil bergop en bergaf gingen en daar begrepen we dan heel
kostelijk, dat Leeuwarden even goed als Rome op heuvelen is gebouwd.
Het zijn er maar drie en ze zijn nog kunstmatig op den koop toe: drie
terpen waarop eeuwen geleden de dorpen Oldenhove, Nijenhove en Hoek
waren ontstaan, die eerst in de vijftiende eeuw voor goed met elkander
een stad gingen vormen. Als je er niet op bedacht bent, dan zijn die
steile, smalle, zeer schilderachtige straatjes inderdaad een groote
verrassing. De naam Oldenhove bestaat nog. Zoo heet namelijk de groote
steenklomp in het Westen van de stad, die uren ver uit den omtrek te
zien is en die op het eerste gezicht herinnert aan den Toren van Babel.
Hij is eveneens onvoltooid gebleven en wel doordat hij onder het bouwen
al ging verzakken. Ook thans staat hij nog geweldig scheef, maar hij
zal het wel uithouden en er komt een electrische lift, zoodat je
makkelijk naar boven kunt gaan, om een heerlijk gezicht te hebben over
de stad en haar omstreken. Ik weet niet of het Edmondo d’Amicis geweest
is of Henry Havard (of een andere van de schrijvers, die in vroeger
jaren allerlei overdreven bijzonderheidjes van Nederland hebben
wereldkundig gemaakt) die hier boven op de Oldenhove heeft gestaan en
beneden zich de straten van Leeuwarden zag flikkeren en bliksemen door
al de gouden kappen van de dames, die daar wandelden. ’t Is
tegenwoordig met die gouden kappen al net als met de stuggigheid, je
krijgt er niet veel meer van te zien en dat is maar goed ook. Ik zie
liever.... nu ja, dat komt er ook niet op aan.
In de buurt van de Oldehove vindt men het zeer beroemde, maar foei
leelijke Burmaniahuis en een eindje verder den Prinsentuin, gesticht
door Willem Frederik ter herinnering aan den Vrede van Munster. Ge
herinnert u dat Willem Frederik’s weduwe Albertina Agnes het Oranjewoud
gesticht heeft. Van dien Prinsentuin kuieren we weer langs een aardig
binnenstraatje voorbij de keurige Sint Anthoniesstichtingen over onze
terpen langs de kerk (34) huiswaarts en nu heb ik nog lang niet de
helft genoemd van wat er in Leeuwarden allemaal al zoo te zien is. Doch
ik heb nu trek om naar buiten te gaan.
Wij hadden alweer een leuk plan, net zoo iets als die twintig dorpen
van Weststellingwerf en wel, we wilden een fietstocht maken rondom de
Oude Middelzee. Oldenhove en Nijenhove lagen eenmaal aan een zeeboezem,
die zich diep landwaarts in uitstrekte tot voorbij Sneek, en Bolsward
lag er ook aan. De winkelstraat van Leeuwarden, de Wirdumerdijk, was in
dien tijd gewoonweg een zeedijk en ook de tegenwoordige straatweg naar
Heerenveen tot een eind voorbij Roordahuizen. In één dag is die tocht
prachtig te doen en we hebben het er dan ook best afgebracht. Door de
voorstad Schrans rolden we wakker zuidwaarts en je hebt dan
aanvankelijk langs den straatweg een prachtig fietspad, bevloerd met
lange steenen zerken. Al dadelijk krijg je de Oude Middelzee te zien,
niet als water, maar als vlak grasland rechts van den weg met
nauwelijks een huis en geen enkel dorp er in, terwijl het naar links om
zoo te zeggen krioelt van dorpen, gehuchten en boerderijen. Het gekste
is, dat die zeebodem niet lager ligt dan het oude land, maar eer nog
een beetje hooger, maar dat is wel te begrijpen als je bedenkt, dat die
zee niet drooggemalen is, zooals we nu met de Zuiderzee gaan doen, doch
eenvoudig dichtgeslibd en terwijl dat dichtslibben gebeurde, waren de
landen achter den dijk alweer een beetje verzakt of ineengeklonken. Dat
werd allemaal nog duidelijker, toen we den spoorweg gekruist hadden.
Daar zag je dan heel in de verte over het hooiland heen de torens van
Boxum (45), Jellum en Weidum (38, 48) echt aan den anderen oever van de
zee. In het blokhuisje van de spoorlijn bij dien spoorwegovergang is
een kleine gedenksteen, dat zie je ook niet dikwijls. Het opschrift
luidt: Bara huis; dat is de naam van een stins, die daar vroeger heeft
gestaan en waar de staten van Oostergo vergaderden. Ook is daar de
knapste Fries geboren, die ooit heeft geleefd, nl. Viglius van Aytta.
Er is ook nog een nieuw Barra-huis (39) of Barra-state, eigenlijk een
groote boerderij met een mooi plantsoen voor de deur en daar staat een
levendig geschilderd soldatenbeeld in, een soort van grenadier zou je
zeggen. Wat die daar te beduiden heeft, weet ik niet, sommigen brengen
hem in verband met het gevecht bij Boxum, waarover misschien later. We
krijgen natuurlijk op onzen Middelzee-tocht verscheidene boerderijen
(141) te zien, vele nieuw, sommige ouder en die zien er vaak het
aardigste uit, zooals de Venema-state (41) kort voor het dorp
Wijtgaard. De meest gewone vorm is alles onder één groot dak, maar vele
hebben een voorhuis, dat soms een afspiegeling is van dat Burmaniahuis
in Leeuwarden.
Wijtgaard is een mooi, groot dorp en hetzelfde is ook te zeggen van
Roordahuizen, dat zich een eind oostelijk van den straatweg uitstrekt:
eerst de schoorsteen van de zuivelfabriek, dan een stuk weg met iepen,
waarvan de kronen een mooie golvende lijn langs de lucht maken, daarna
het eigenlijke dorp heelemaal in de boomen met een paar groote roode
daken op den voorgrond, een mooi versierde torenspits, een mooi
molentje en eindelijk na een massa huisjes rood en blauw één groote,
alleenstaande boerderij met reusachtig blauw dak en zeegroene
omlijsting. Alles groot en breed, netjes en welvarend.
Weldra buigt onze zeedijk om en verlaten wij dus den weg naar
Heerenveen, wat wij met genoegen doen, want onze weg naar Rauwerd en
Sneek ziet er prachtig uit, breed, beschaduwd door hooge iepen en aan
de kanten nog weer beplant met lager houtgewas. Daar tusschen door
overzien wij nu naar het Noorden een groot stuk Middelzee in de lengte:
eindeloos grasland met heel in de verte een flauw boomenrijtje, dat is
de grindweg van Weidum naar Wijtgaard, die de voormalige zee dwars
doorsnijdt.
Recht voor ons zien we een rijtje huizen dicht aaneengeschaard, dat is
Bruggebuurt, dat ligt daar echt zooals een dorpje langs de zeekust,
b.v. zooals Durgerdam. Het ligt dan ook aan de overzijde van de
Middelzee, we zouden er in een paar minuten kunnen zijn, want hier gaat
ook een dwarsweg door het land. Halverwege is het mooie buurtje De
Dille, daar wordt die weg gekruist door een vaart, de Zwette, die
indertijd gegraven is niet alleen als trekvaart naar Leeuwarden, maar
ook als grens tusschen Oostergo en Westergo, die eerst door de
Middelzee werden gescheiden. Een aardig plekje dit. Ook moeten we hier
even afstappen om een wandelingetje te maken door een mooi park, dat
hier vlak aan den weg ligt, alles wat er is overgebleven van de
Omega-state der Eysinga’s. Van al de gebouwen is niets blijven staan
dan een met klimop begroeid poortje (35), waarop de kleurige
familiewapens prijken, maar het park is heel aardig met mooie lanen van
eiken, ahorns en esschen, veel plantsoen en kleurige bloemperken. Langs
de stugge kleipaden bereiken we zelfs een bergje, dat den naam van
belvedère zou verdienen, indien de boomgroei het uitzicht niet
belemmerde. Deze State is als zooveel andere aan de Kerk vermaakt en
die onderhoudt haar nu als openbare wandeling, iets, dat hier bij
Rauwerd (46), zeer te waardeeren is in een streek waar elke duimbreed
gronds waarde heeft voor landbouw of veeteelt. Het strekt den Friezen
tot groote eer, dat zeer veel steden en dorpen op de een of andere
wijze begiftigd zijn met mooie wandelparken; Leeuwarden voorop met zijn
fraaie Rengerspark. Soms heeft de gemeente er zelf voor gezorgd, maar
meestal zijn het rijke families of stichtingen, die het goede werk
hebben verricht.
Nu rijden we weer verder, eventjes hobbelend over een smalspoor, dwars
over den weg, waar langs op kipkarretjes vette terpaarde wordt
weggereden, maar over die terpen zullen we het hebben op een andere
reis. Even afstappen om een schetsje te maken van Deersum (30):
prachtig kerkje en torentje van grijzen steen, begroeid met helder geel
korstmos, groot ijzeren kruis boven op het zadeldak en dat allemaal
omgeven door wuivende witte wilgen. Deersum (44)? Wat heb ik daar ook
van gehoord. O, ja, hier in de buurt zijn de groote veefokkerijen van
de firma Schaap & Co., beroemd over de heele wereld en er zijn ook
mooie kostbaarheden opgegraven afkomstig van een oud klooster, dat hier
vroeger gestaan heeft. Het Middelzeetje is hier maar smal geweest, want
het dorp Bozum aan de overzijde is zoo dichtbij, dat ik er meteen wel
even een krabbeltje van zal maken, maar laat ik den naam er bij zetten,
want de toren heeft ook alweer zoo’n zadeldak. Ik ben er benieuwd naar,
hoe onze artiesten afwisseling zullen brengen in de plaatjes.
Vooruit weer, altijd maar tusschen de groene weiden. Hier is tenminste
een dorp, dat er wat anders uitziet, het ligt ook westwaarts van den
weg en er zijn schepen, een brug (36) en een haventje. Naar den kant
van de kerk ziet het er heel schilderachtig uit en we zouden dit
Scharnegoutum (33) ook wel even willen binnenwandelen, als daarginds in
de verte niet de hooge daken blonken van het aloude Sneek, de tweede
stad van Friesland, die we al zoo dikwijls zijn voorbijgespoord en nog
nimmer hebben betreden.
Ik zal dat eerste binnenkomen in Sneek nooit vergeten. Hier geen vies
rommelbuurtje aan den ingang, zooals in zoo menige andere stad, maar
een paar kloeke fabrieksgebouwen en molens (136) verspreid in het
groene land en links van den weg langs het water een lange reusachtige
loods, die ik later ten zeerste heb leeren waardeeren als de
Jachthaven. Dan een breede vaart, de Buitensingel (139), met
turfschepen en die zitten altijd vol jolige kleurplekjes. En over de
brug zag je in een breede, heldere, zonnige straat met geveltjes vol
afwisseling en aardig vertier van uitstallingen. Die straat werd
afgesloten door een hooge kerk, het blauwe dak met het witte
koepeltorentje fijn harmonieerend met de heete blauwe zomerlucht. Zoo
iets doet je buitengewoon prettig aan en als je dan nog op een helder
grachtje een huis ontdekt waar in frissche aquariums allerlei
waterbewoners rondzwemmen, terwijl boven den ingang een uithangbord
kort en krachtig niets anders vermeldt dan: „visch eten”, dan stijgt de
tevredenheid ten top. Terwijl die visch werd klaargemaakt, gingen we de
stad bekijken en daar vonden we weer allerlei moois. ’t Is geen heel
oude stad, maar het nieuwe is er meestal niet onaangenaam. Al die
flinke winkelgebouwen met ruime puien en blinkende spiegelruiten geven
een prettig idee van de welvaart, die in deze streek en eigenlijk door
heel Friesland heerscht. Wij kregen tenminste op onze tochten telkens
en overal den indruk, dat „arm Friesland”, waarover we vroeger spraken
op dezelfde manier als over arm Ierland, ook al wel weer tot het rijk
der fabelen moet gerekend worden.
De groote beroemdheid van Sneek is de Waterpoort en die hadden we dan
ook al gauw te pakken. We hebben er net zoo lang omheen gedraaid, tot
we hadden uitgemaakt, dat je het mooie gebouwtje het best ziet van af
de Geeuwkade. Het behoort, om zoo te zeggen tot de familie van de
Kanselarij te Leeuwarden en het stadhuis te Bolsward. Aanvankelijk was
het niet anders dan een doorvaart door den vestingmuur van de stad;
tusschen twee haakjes, Sneek is in zijn tijd nog al een strijdvaardig
en onafhankelijk plaatsje geweest. Nu, die doorvaart is versterkt en
versierd en er is een wachtershuisje, niet naast, maar bovenop gebouwd.
Het eigenlijk bouwwerk is begonnen tijdens het twaalfjarig bestand,
maar later is er telkens weer bijgebouwd en gerestaureerd, tot in onzen
tijd toe en dat is wonder boven wonder ten slotte nog heel goed
uitgevallen, zoodat landgenoot en vreemdeling zich nog elken dag
verlustigen aan het mooie dingske. Wij amuseerden ons er mee, om van
die Geeuwkade af de Sneekenaren onder de rondbogen van die
waterpoortbrug voorbij te zien wandelen; ’t was net een poppekast of
zoo’n optochtje in een Friesche klok.
De Geeuwkade zelf was ook wel de moeite waard; er is een drukke vaart
en een ontmantelde houtzaagmolen met fabrieksgebouw vormt er een heel
schilderachtig groepje juist tegenover dat juweeltje van een poort.
Toen verder de stad in. Op de Harinxmakade noteerden we een mooi
gevelsteentje (137) in een gewone woning, een zeilend scheepje
voorstellend. Eindelijk belandden we op de veemarkt, die hier, evenals
die te Leeuwarden, zeer belangrijk is en vandaar op het Oude Kerkhof
bij onze kerk, die we bij het inkomen van de stad al hadden opgemerkt.
Hij bleek vergezeld te zijn van een klokkenhuis (114). De windwijzer op
die kerk zag er nog al merkwaardig uit, een wapenschild met een
gehalveerden arend, geflankeerd door een beest en een wildeman met een
knods. We ontdekten later, toen we het stadhuis vonden, dat die
wildeman en de rest het wapen van Sneek moest wezen. ’t Stadhuis zelf
lijkt een heel deftige achttiende-eeuwsche koopmanswoning, stoep en
deur en bovenraam en torentje allerovervloedigst versierd, maar daar
houden de Friezen wel van. Ze kunnen ook geen stuk hout met rust laten,
snijden daar allerlei kunstige figuurtjes in. Ook staat in mijn
verouderd gidsje een uitspraak uit 1630 over de burgers van Sneek: „De
inwoners zijn constlievende luyden.” Deze uitspraak heb ik later op
heel prettige manier nog eens leeren beamen. Nu vonden we nog een Waag
en een vriendelijke inboorling, die ons zoo tevreden zag rondkijken,
bracht ons naar de Eierbrug, om het mooie drukke stadsgezicht te zien
en daar zijn we hem nog altijd dankbaar voor.
Een uur later rolden onze karretjes de stad uit, de spoorlijn over, den
zonnigen weg op naar IJlst (42). Deze weg is nog altijd een stuk dijk
om de oude Middelzee, reeds voor het jaar 1300 was die hier
dichtgeslibd. Nog even kijken we om naar Sneek, dat daar bedrijvig ligt
te midden van de stille weiden en dan zijn we ook al heel gauw in
IJlst, misschien de kleinste en wonderlijkste stad van Nederland of van
de heele wereld. Als we de fabrieks- en havenbuurt aan de Geeuw
uitzonderen, dan kan het vergeleken worden met een groot hofje aan
weerszijden van een smalle gracht. Keurige kleine huisjes, beschaduwd
door plat geschoren iepen en linden, staan dicht geschaard langs een
zindelijk klinkerstraatje, elk huis heeft een rechthoekig omheind
bleekveldje of tuintje. Bruggetjes met witte leuningen onderhouden het
verkeer tusschen beide oevers. Hier en daar een winkeltje, een enkel
huis (32) trekt even de aandacht door grooter afmeting of sprekender
stijl. Het eind van de stad loopt blind, het grachtje wordt een breede
sloot, in de bocht onder witte wilgen een rommelig schuurtje aan den
waterkant, een blikken melkputs op den voorgrond. Een hengelaar sjokt
ons voorbij, die wil de stad uit en ontsluit een hekje van latwerk aan
den kant van het kerkhof, dat wij nog niet hadden gezien.
Hoofdschuddend beklimmen wij onze fietsen en zoeken den Middelzee-dijk
weer op, kruisen bij Drousterhuizen de spoorlijn en nu gaat het recht
op Bolsward aan. Dat was weer een prettig ritje. We merkten nu eerst
dat we in de streek der meren waren, want in Sneek zie je niets van het
Sneekermeer. Hier echter sloegen de golfjes van het Piekemeer (135)
vroolijk tegen den dijk, het sluisje bij Piekezijl (142) geeft
verbinding met de Bolswarder trekvaart. Een eindje verder hadden we
weer zoo’n sluis bij Katzijl en daar kregen we rechts het kleine dorpje
Westhem (47) met zijn zoo poëtisch geheel met klimop begroeiden
zadeldak-toren. Nu zien we ook in de verte al heel duidelijk Bolsward
(43) liggen, dat ook al op terpen is gebouwd en waar zich de grootvader
van alle zadeldaktorens hoog in de lucht verheft. We maakten maar een
fermen spurt over Blauwhuis en Tjerkwerd en reden in den namiddag het
stadje binnen, waar, volgens het gerucht, de beste Friezen wonen. We
hadden den grooten kerktoren zoo lang voor oogen gehad, dat we maar
dadelijk rechtstreeks langs een paar smalle grachtjes en een klimmend
straatje opreden naar de kerk (29), die we open vonden en toen we
binnenstapten was de kostersvrouw, die zeker op de loer had gelegen,
dadelijk bij de hand om onze kwartjes in ontvangst te nemen. We hebben
toen de kerk bezichtigd, wat we anders op zoo’n vluchtigen
verkenningstocht maar zelden doen en hadden er geen berouw van, want
niet alleen is de groote ruimte ontzagwekkend, maar ook gaven de
preekstoel en de banken de allermooiste staaltjes van Friesche
houtsnijkunst te aanschouwen. Op den grond lagen rijk bewerkte
grafzerken, het uitvoerigst wel die van Heer Heerema en zijn vrouw
Sithia Cammingha, zoo uitvoerig, dat het eer teekenwerk in steen geleek
dan beeldhouwwerk. In het kerkportaal vonden wij het marmeren
borstbeeld van Gijsbert Japikx, beroemd Friesch dichter uit de
zeventiende eeuw, en ook een heel ouden steen, waarop Sinte Maarten al
weer eens zijn halven mantel aan dien bedelaar geeft. De kerk heet dan
ook de Martinikerk. Toen naar het mooie stadhuis (27), dat haast veel
te mooi is voor zoo’n afgelegen stad. Het kon in de zeventiende eeuw
blijkbaar overal in ons land er nog al goed op overschieten en wat een
goede keus in architecten hadden de besturen van dien tijd! Hoe is dat
later toch allemaal zoo armoedig en lusteloos geworden.
Wij gingen nog even den wal op en hadden ook gaarne het park (alweer
een geschenk) bezichtigd, maar daar we nog den heelen westoever van de
Middelzee tot Marssum toe wilden „doen”, gingen we maar weer gauw op
weg. En een heerlijk ritje was het: eerst den Sneekerstraatweg op tot
Zilst, toen verder langs Hartwerd, Sanlean naar Boxum, wat dichtbij een
heel mooi dorp bleek te zijn met vele schilderachtig gelegen, mooi
begroeide boerenplaatsen, sommige met heel listig bedachte eendennesten
(37) in de boomen. Hier kregen we naar rechts onzen weg te zien van ’s
morgens met Deersum en Rauwerd en we rolden nu ook door Bruggebuurt en
langs den eenzaam staanden toren van Oosterwierum (28), waar ook de
terp weggegraven is.
Hier zien we ver naar links het dorp Wieuwerd liggen, waar we eigenlijk
ook heen moesten, want daar heb je een van de wonderen van Friesland in
den vorm van een grafkelder, waar lijken en ook planten en vruchten
niet bederven, maar eenvoudig indrogen. Hoe dat komt, weet niemand
precies. Het eerst is het wonderlijk feit geconstateerd aan het lijk
van de bekende geleerde vrouw Anna Maria Schuurman, dezelfde die ook
spinnen at op haar boterham.
In Weidum (40) was het kermis. ’t Is een mooi dorp met aanzienlijke
huizen en er gaat van hier een mooie goed beplante grintweg dwars door
de Middelzee naar Wijtgaard, en aangezien het laat werd en wij weer met
tegenwind te kampen hadden, lieten we, hoewel ongaarne, Jellum en Boxum
maar links liggen om bijtijds thuis te zijn en ’s avonds nog weer wat
in ons geliefd Leeuwarden rond te wanden. We hadden een overheerlijken
dag gehad en spitsten ons alweer op den volgenden.