In het Zuiderzee-album heb ik u verteld, hoe benieuwd wij al jaren lang
waren naar het land van Kuinder en Linde. Telkens als wij naar het
Noorden reisden, naar Terschelling of naar Schiermonnikoog, werd onze
aandacht getrokken door het heuvelland van Steenwijkerwold en Peperga,
waar de spoorweg gaat door een diepe insnijding, met brem begroeid. En
verderop kruisten we dan allerlei geheimzinnige riviertjes, eerst de
Linde met zijn moerassig oeverland en dan een paar van minder allooi;
de eene heet Scheene en de andere voert den griezeligen naam van
Metworst-vaart. Ten slotte kwam dan de Kuinder of Tjonger zelf, die
vooral sinds haar kanalisatie er nog al belangrijk uitziet en afkomstig
is uit de verre venen en verlokkelijke boschstreken.
Eindelijk kwam het zoover en konden we een viertal zomerdagen besteden
aan de uitvoering van ons geliefkoosd plan. De sneltrein naar het
Noorden bracht ons vlug in Meppel, en even na den middag stapten we uit
in Wolvega (17), waar we voor een dag of drie ons hoofdkwartier dachten
op te slaan. Maar het eene hotel werd juist vertimmerd en in het andere
was een groote drukte, zoodat we na kort beraad ons rijwiel bestegen,
om een welbekend verblijf op te zoeken in Heerenveen. Intusschen, toen
we in een paar minuten het bruggetje over de Scheene hadden bereikt,
begrepen we, dat we nu veel te vroeg in Heerenveen zouden aankomen en
dan onzen middag eigenlijk zouden versnipperen. We besloten daarom een
omweg te maken en sloegen den eersten zijweg naar links in, het
zindelijke klinkerweggetje naar Oldeholtwolde.
Het was een groot genoegen, weer eens een zwerftocht te beginnen door
een voor ons geheel nieuwe streek. Het begin zag er echter vrij gewoon
uit, de weg en zijn bermen, de lage elzen en wilgen, de slooten en de
weilanden zagen er weinig anders uit dan in Holland. Maar toen we
Oldeholtwolde door waren en nog weer een bocht hadden gepasseerd, ging
de weg heel eventjes stijgen, bijna onmerkbaar, maar gestadig. We
beklommen den zandrug, die de scheiding vormt tusschen de dalen van de
Linde en de Tjonger. Denk u echter die dalen niet te diep en die
scheiding vooral niet te hoog. Intusschen maakte het weiland plaats
voor roggevelden en aardappelakkers, de slooten werden vervangen door
walletjes en, wat wel het aardigst was, bij de huizen of in verloren
hoekjes lagen allemaal stukjes bosch. Dat was dan soms maar een enkel
eikje of berkje of een paar bremstruiken, maar de grond er om en er
onder was begroeid met de echte boschplanten, met groote sterremuur,
dalkruid, lelietjes van dalen, anemoontjes, varens van allerlei soort
en wel heel veel de mooie koningsvaren, het schoonste sieraad van
venige woudstreken.
Nog voor we het hoogste punt van de waterscheiding hadden bereikt,
sloeg de weg weer oostwaarts af en nu hadden we naar links voortdurend
een aardig uitzicht op nog grootere boschjes, meest dennetjes en
akkermaalshout, afgewisseld door akkers.
Welgemoed bereikten we het dorp Oldeholtpade met zijn aardige vlugge
torenspits. We zouden al spoedig merken, dat in deze streek van
Friesland een mooie hooge toren met slanke spits bijzonder gewaardeerd
moet worden, want er zijn er niet veel.
Even voorbij de kerk staat een kring van boomen, dat ziet er net uit,
of we daar te doen hebben met de een of andere geheimzinnigheid uit
vroeger tijden, maar daar zijn ze toch te jong voor. Intusschen zijn we
hier wel op een plek, die in de historie bekend is. Langs die boomen
gaat een pad naar rechts, dat zou ons over de hoogte heen brengen naar
een bruggetje over de Linde en dan verder over Westerhoeven naar
Noordwolde. Tusschen twee haakjes ge moet er aan wennen, dat hier in de
dorpsnamen telkens ge-old of ge-holt of ge-wold wordt; dat komt
allemaal van die oude bosschen.
Maar om op dat pad terug te komen, dat wij echter thans niet zullen
inslaan, dat is nu een van de alleroudste toegangswegen tot Friesland,
waarschijnlijk veel ouder dan de weg over Wolvega. Een paar duizend
jaar geleden strekte zich hier een bijna ontoegankelijk woud uit, het
Baduhenna woud. Sommige meenen, dat het „pade” in Oldeholtpade en
Nijeholtpade nog aan dien naam herinnert. De oude Tacitus heeft het er
ook over en vertelt dan, dat—en dat moet dan hier in de buurt van
Oldeholtpade gebeurd zijn—bij gelegenheid van den opstand der Friezen
tegen de Romeinen, in dat Baduhenna woud een groote afdeeling van het
Romeinsche leger een nederlaag geleden heeft, wat niet belette, dat
beide volken zeer kort daarop toch nog heel goede maatjes zijn
geworden. Maar als je bij Tacitus leest, hoe de troepen met planken en
balken, bruggen en vondertjes, schuiten en vlotten moesten werken, om
in het land door te dringen, dan ga je het heden waardeeren, ofschoon
de wielrijder thans nog in Friesland op menige plaats geen weg kan
vinden. Dat beseften we nog eerst recht, toen we Nijeholtpade door
waren en we naar links een overzicht kregen over de Tjongerlanden.
Zoover het oog reikte niets dan hooiland, afgewisseld met breede,
donkere veenslooten. Hoog wuifden de grassen, de boterbloemen en de
wilde zuring, want het was in het begin van Juni. Langbeenige,
langsnavelige grutto’s zweefden met trillende vleugels boven het
kleurige veld en lieten allerlei geluiden hooren van vrees of vreugd.
Ook buitelden er kieviten en de kwartelkoning, verborgen tusschen het
gras knarste onophoudelijk zijn „sneers, sneers”. Dan kwam er een
groote zwarte plek tusschen de bloemen, daar werd nog geveend. Hier lag
veenbagger over het land gespreid (12), ginds was die al gedroogd en
werd ze aan stukken gesneden, die gestapeld en gedroogd, tot harde,
korte turven zouden worden. Twee mannetjes in de onmetelijkheid waren
daarmee bezig.
Langs den weg zelf lagen van afstand tot afstand aardige boerderijen in
hun krans van boomen, meest wilgen en populieren, nog al ijl geplant,
maar nadat we een klein half uurtje langs die hooi- en veenlanden
hadden gereden, doemden dichtere boommassa’s voor ons op, de huizen
stonden dichter gereid en opeens waren we in een mooi dorp met een oud
rechthuis, dat was Oldeberkoop (10), een van de oudste plaatsen in
Friesland. De kerk konden wij eerst niet vinden, die ligt letterlijk
geheel verborgen onder reusachtige lindeboomen. Maar het was een
aardige kerk, al had men het gebouw ook heelemaal geel geolieverfd. Ook
kregen wij hier onzen eersten zadeldak-toren te zien, zooals we er op
onze zwerftochten ze nog bij dozijnen zouden ontmoeten. Men vindt ze
ook hier en daar in Drente en Overijsel, maar in Holland nergens. Wel
weer in Duitschland en Zwitserland en ook in Schotland. Er zit een
verhaal aan vast van bepaalde volksstammen, die juist zulke torens
bouwen, maar het rechte weet ik er niet van en daarom zwijg ik er maar
liever over. Wat niet wegneemt, dat ik ze u nog menigmaal hoop aan te
wijzen.
Wij slenterden wat door het dorp rond en vonden een voetpad door de
velden, dat ons leidde naar de roggevelden omhoog en naar den zeer
ouden zandweg, die door de heele lengte van de beide Stellingwerven
loopt, langs de hoogte van het heuvelruggetje, dat de zuidelijke
waterscheiding van de Kuinder vormt. Van hier hadden we een prachtig
uitzicht op het lommerrijke dorp en op de bosschen van het Linde-dal.
Bovendien waren de roggevelden vol prachtige blauwe korenbloemen,
zoodat we in de allertevredenste stemming ons Oldeberkoop verlieten, om
over Oudehorne en Nijehorne Heerenveen op te zoeken, het Friesche
Haagje.
Als je in die richting Oldeberkoop verlaat, dan rijdt je eerst door de
nieuwe villabuurt en dan langs de haven en door een mooie eikenlaan op
de gekanaliseerde Tjonger aan. Daar vonden wij een groene brug (96) en
bij de bruggewachterswoning dwars over den weg een groot groen hek, dat
echter gastvrij open stond en we reden er dus welgemoed door heen. Dit
is het hek van Schoterland of liever nog het hek van Friesland, want in
de Stellingwerven, in het Overtjongersche, zooals ze dat noemen, daar
wonen nog niet de echte zuivere Friezen, daar spreekt men niet de echte
Friesche taal. Die Tjonger is werkelijk altijd een geduchte grensrivier
geweest.
De weg werd hier heel mooi en leidde een heel stuk door echt
oorspronkelijk woudgebied: boschjes van eiken en dennen, afgewisseld
met hooge, bultige, venige hei (11). Hier stond dan ook in volle praal
als een kleine zonnebloem de Arnica te bloeien, de plant van de bergen
en van de echte hooge grintgronden, die in den ijstijd zijn afgezet en
waarop zich later het hoogveen heeft gevormd. In de Hollandsche
plantkundeboeken heet die mooie bloem tegenwoordig „Valkruid”, wat een
heel leelijke naam is. Naar het voorbeeld der Duitschers en Vlamingen
noemt men haar ook wel Wolverlei, wat al een boel beter klinkt, maar ik
blijf maar liever bij Arnica, dat klinkt goed, dat is een
wetenschappelijke naam en het heilzaam aftreksel van de plant koop je
in de apotheek ook onder den naam van Arnica-tinctuur. Buitengewoon
goed bij verwondingen en bij vermoeidheid in de beenen: een voetbadje
in water met een scheutje arnica werkt wonderen uit. Alleen door het
zien van de bloem gingen we al harder trappen en weldra bereikten we de
plek, waar de weg rechthoekig ombuigt naar Oudehorne. Nu kregen we weer
zes kilometer echt Woldenlandschap, maar nog mooier dan bij
Oldeholtpade: boerderijen afgewisseld met kampjes bosch en meestal
gescheiden door walletjes, begroeid met de echte woudflora. Naast
lijsterbes en meidoorn speelde hier de hulst (16) een groote rol, die
groeit daar soms als een echte boom met een stam van wel twee decimeter
dik.
In de lagere gedeelten zijn de erven hier omgeven door slooten en die
zijn dan aan den wegrand meestal met elzen beplant. Waarschijnlijk om
het uitzicht vrij te houden zijn die struiken zoowat op driekwart
manshoogte afgekapt en nu vormen de onderste twijgen een dak over de
sloot heen, die geheel verscholen ligt onder zijn elzentunnel. Dat zag
er nog al vreemd uit.
Voorbij Nijehorne werd het al boschrijker, we naderden nu een van de
groote beroemdheden van Friesland, het Oranjewoud (13). Eer we dat
bereikten, passeerden we nog een klein dorpje, dat den griezeligen naam
draagt van Katlijk, maar er overigens heel vriendelijk uitziet. Hier
vonden we weer een bijzonderheid van den Frieschen bodem: het
klokkenhuis (95). De kerk heeft geen toren, tenminste niet een, die
groot en stevig genoeg is om de zware klokken te dragen en nu heeft men
uit zwaar balkenwerk een alleraardigste stellage gebouwd, daarin hangen
de klokken open en bloot, maar hoog en droog onder een afdakje. Een
Hollander kijkt daar zijn oogen aan uit, wij zullen dergelijke
klokkenhuizen nog op menige plaats ontmoeten.
En nu, na nog een bocht, kwamen de zware grove dennen en de forsche
eiken, en naast de koningsvaren (15) de adelaarsvarens, die met
allerlei krullen en bochten uit den bodem ontsproten, dien zij later in
den zomer onder hun dicht loover geheel zullen verbergen. Er bloeiden
nog boschbessen en lelietjes van dalen en al de planten, die we, op
onzen langen weg hierheen, verdwaald hadden aangetroffen tusschens
akkers en weiden, tierden hier echt op de plekken, waar ze thuis
behoorden, in het heerlijke bosch, dat nu op zijn mooist was, want wij
schreven 10 Juni. En het leek er ons zoo aardig, dat we voorloopig
Heerenveen in den steek lieten en voor de volgende dagen ons
hoofdkwartier opsloegen in een alleraardigst hotelletje midden in dat
Oranjewoud.
Eigenlijk komt die naam toe aan het groote witte paleisachtige buiten,
dat de weduwe van stadhouder Willem Frederik, Albertina Agnes, in het
laatst van de zeventiende eeuw heeft laten bouwen. Het zat toen in de
lucht, dat vorstelijke personen en andere voorname lieden groote
buitens lieten bouwen met uitgestrekte parken. Lodewijk XIV had het
voorbeeld gegeven en dat werd overal vlijtig nagevolgd, o.a. door den
Hollandschen stadhouder Willem III, die in dien tijd Het Loo opnieuw
liet bouwen en aanleggen. Die bouw- en plantlust heeft ons, nazaten,
heel veel mooie kasteelen, huizingen en wouden bezorgd en daaronder mag
het Oranjewoud met eere genoemd worden. Wij hadden de zeer mooie
Wandelkaart van Heerenveen en Oranjewoud bij ons, die uitgegeven is
door de Vereeniging tot Bevordering van het Vreemdelingenverkeer te
Heerenveen en waren er dus spoedig geheel en al thuis en genoten naar
behooren van de Witte Brug, de Dominé’s Singel, de vijvers (13) en
Oranjegrift, de ietwat kinderachtige aantrekkelijkheden van het Doolhof
en den Berg van Brongerga, maar bovenal van het heerlijke sparrenbosch.
Daar is het heerlijk. Er gaan slingerpaden in alle richtingen over den
flauw golvenden bodem tusschen het hoog geboomte. Getrouw aan den naam
zijn dat voor een groot deel fijnsparren, maar er staan eigenlijk toch
nog meer grove dennen (14) en ook loofhout en heestergewas, zooveel ge
maar wilt. Vooral de grove dennen zijn bijzonder prachtig, vele er van
reiken zoo hoog en zien er zoo zwaar en oud uit, dat men er de
oorspronkelijke aanplantingen van Albertina Agnes in zou kunnen meenen
te ontdekken. Misschien is er nog zoo’n enkel oudje bij, maar ik moet u
waarschuwen, dat we in ons land maar weinig boomen hebben, die
tweehonderdenvijftig jaar oud zijn. We mogen al heel blij wezen met
honderdjarige boomen en daarvan staan er in dit sparrenbosch zeker
genoeg. Wat zijn die dennen dan mooi. Het lijkt of hun wortels den
grond een eindje hebben omhoog getild, want al die oude boomen staan op
een klein heuveltje, dat weer mooi begroeid is met boschbessen en
hengel. De dikke stam is tot op een hoogte van vijftien tot twintig
meter vrij van takken en schors, blauwachtig grijs en hier en daar
bemost en gespleten in groote plakken, net de schubben van een
reusachtig slangenmonster. Hoogerop, waar de vertakkingen beginnen
wordt de schors fijner en bruinrood tot oranje toe en als daar de lage
morgen- of avondzon in schijnt, dan krijgt ge tusschen de blauwgroene
naalden een allerprachtigst kleurenspel te zien.
Daar kun je gerust een half uur naar liggen kijken en dat deden wij dan
ook met het allergrootste genoegen. En dat werd er niet minder op, toen
hoog boven de kronen op strakke vleugels een boomvalkje kwam aanzeilen,
dat onmiddellijk met veel geraas en geratel werd aangevallen door een
paar mistellijsters, de moedigste van alle zangvogels. Die hadden haar
nest zeker in een van die dennen. In een der toppen zat een groene
specht te galmen en toen we verder wandelden, meende ik op het geluid
af zijn nest te vinden ook. Ik hoorde het onophoudelijk hongergeroep
van jonge spechtjes en vond ook al spoedig het gat in een eikeboom, de
splinters van het uithaksel lagen nog op den grond. Maar toen we ons in
de nabijheid hadden verscholen, kwam daar niet een groene specht
aanvliegen, doch een bonte, prachtig zwart met wit en helderrood. Die
plofte als het ware op den eikenstam neer, klauterde langs de schors
met forsche grepen van zijn scherpgeklauwde pooten en schoot eindelijk
door het gat naar binnen. Het laatste wat je van hem zag, waren de
helroode veeren onder aan zijn staart. Hier huisde dus niet alleen de
groene specht, maar ook de bonte, wat trouwens wel te verwachten was.
Al verder wandelden we onder allerlei geboomte en belandden op een
plek, waar in den winter gekapt was. De groote stammen waren al
weggereden, de diepe sporen van den mallejan waren nog zichtbaar in den
mullen boschgrond. Het kleinere hout lag nog opgetast in schelven en
daar boven op zaten winterkoninkjes te zingen met kneutjes en paapjes
dat het een lust was. Een eekhoorn, die, ik weet heusch niet waarom,
zich tot middenin de open plek had gewaagd, holde als een bezetene over
den kalen bodem, naar den dichtstbijzijnden boom, die altijd nog wel
honderd meter ver was. Zoo iets is voor een eekhoorn in angst een heele
bijzonderheid en hij grinnikte heel tevreden, toen hij eindelijk goed
en wel in zijn sparreboom zat. Wij wandelden verder onder onafgebroken
vogelgezang van nachtegaal, roodborst, tuinfluiter, braamsluiper,
fitis, tjiftjaf, merel, zanglijster, mistellijster, houtduif,
tortelduif, het volle vogelkoor in het bosch.
Nu leidde het pad de laagte in langs een smal watertje, waar hooge
Koningsvarens (15) groeiden, het pad zelf werd leemig en glibberig.
Maar dat duurde niet lang, dra ging het weer de hoogte in en tegelijk
hoorden we nieuwe, vreemdsoortige geluiden: geblaas en gekolder,
gerommel en gekras en dat kon maar éen ding beteekenen, n.l. een
reigerkolonie. Weldra zagen we de nesten in de hooge dennen en groote
blauwe reigers vlogen af en aan. Aardig was het om te zien, hoe ze de
lange pooten lieten zakken, als ze op het nest zouden neerstrijken en
hoe ze daar door hun ega ontvangen werden met hooggeheven kuif en wijd
opengesperden snavel. Andere zaten doodstil op de hoogste takken,
scherp afgeteekend tegen de blauwe lucht.
Den volgenden dag hadden wij een ambitieus plan. We wilden n.l. een
toer maken door alle twintig dorpen van de gemeente Weststellingwerf.
Wel, dat hebben we bijna klaargespeeld, alleen doordat we in den
voormiddag overvallen werden door een zware onweersbui, hebben we het
westelijkst gedeelte gemist, wat me wel spijt. Het begin liet zich goed
aanzien. Van ons hotelletje reden we langs den aardig bebouwden
grintweg, naar den grooten straatweg, die hier bezet is met zeer mooie,
rijk beplante buitenplaatsen. Toen kwamen we door het dorpje
Oudeschoot, waar juist alles in gereedheid werd gebracht voor de groote
paardenmarkt, die ieder jaar met Pinksteren een van de voornaamste
gebeurtenissen is in deze streek van de wereld. Weldra kruisten we de
Tjonger, hier geheel gekanaliseerd en tusschen dijken besloten en een
eindje verder leidde een klein bruggetje over de beroemde
Metworst-vaart. Toen de groote rechte rijksstraatweg wat eentonig
dreigde te worden, kwam er afwisseling in den vorm van een
allerkleurigst uitspanningtje (1), half verborgen onder een reusachtige
linde en groote vlieren in vollen bloei. Een aardige hooischuur met
rieten wanden stond middenin hooge, wuivende witte wilgen. Huis en
schuur prijkten in de nationale kleuren van roode pannen, witte muren,
blauwe deuren en kozijnen, alles in stemmige tinten en boven op het dak
wiegelde een blikken reiger onrustig heen en weer als windwijzer. ’t
Was alles buitengewoon aangenaam, behalve het gewiegel van den reiger,
dat ons de donderbui voorspelde, die ons een kwartier later even
voorbij Nyelamer (2) te pakken kreeg. Een beetje nat sloegen we toen
rechtsaf een wegje in naar boven en daar kregen we weer den hoogen
zand- en boschgrond te pakken, de weg omzoomd met heel oude kortgehakte
berken (3); we waren hier weer bovenop de waterscheiding tusschen
Tjonger en Linde. In Wolvega (4) scheen het zonnetje weer, zoodat we
een aangenamen indruk kregen van het welvarend plaatsje met zijn
breede, schoone hoofdstraat en het aloude Lindenoord, waar Onno Zwier
van Haren heeft gewoond. We besloten nu toch maar weer door te zetten
en bereikten langs het kerkhof en een mooi hoog bosch de Lindebrug (5),
waar we een poosje bleven baliekluiven, want het landschap was hier in
één woord prachtig. De weg en de brug liggen hoog over het water heen,
want ’s winters rijst de rivier verscheidene voeten. In vele
kronkelingen stroomde het bruine veenwater langzaam Zuiderzeewaarts.
Het jonge riet was langs de oevers al hoog opgeschoten en daartusschen
kwamen de gele lisschen in bloei, die ook wijd landwaarts in stonden,
want het land is hier overal laag en drassig. Een klein driftig
molentje probeerde een omkaaid stukje grond droog te malen. Het was een
zoogenaamde tjasgermolen (20), dat is niets anders dan een vijzel of
tonmolen, met de noodige schuinte neergezet in het te bemalen slootje
en de vier wieken eenvoudig bevestigd op het bovenste uiteinde van zijn
as, een allereenvoudigste inrichting, die je in Friesland op veel
plaatsen nog aantreft. Ze zien er heel typisch uit, die tjasgers, en ’t
is eigenlijk jammer, dat ze gaandeweg vervangen worden door
standerdmolentjes (19), of door die witte, blikken, veelwiekige
Amerikaansche molens, of, zooals in de grootere polders, door
stoomgemalen.
Toen we verderop reden, kregen we weer sporen van vroegere verveningen
te zien. Naar links lagen midden in het bonte hooiland groote, smalle,
rechthoekige, groene plekken: uitgeveende plassen, die nu alweer geheel
en al dichtgegroeid waren met de snelst-groeiende van alle
waterplanten, de stekelige hanekam, scheeren, krabbeschaar of
water-aloë. Ieder voorjaar komen die planten uit den modderbodem
omhoog, ieder najaar verzinken ze weer en wat er van hen afsterft,
maakt de modderlaag hoe langer hoe dikker. Nu in Juni bedekten ze het
water met een wankelen vloer, waarop zwarte sterntjes en
zwartkopmeeuwen (94) hun nesten hadden gebouwd. Krijschend vlogen die
watervogels af en aan en toen een bruine kiekendief, dien ze hier
hoanskrobber noemen, kwam kijken, of hij soms een eitje kon snappen,
kreeg hij de geheele gemeente razend en tierend om hem heen, zoodat hij
geheel verbouwereerd een goed heenkomen moest zoeken.
Nu linksaf een hobbelig straatwegje op, dat oostwaarts leidt naar de
hooge venen. Die zijn, wat Weststellingwerf betreft, al lang vergraven
en in plaats daarvan is nu de weg bezet met groote en kleine
boerderijen en huizingen, die met elkaar een viertal dorpen vormen, die
onmerkbaar in elkander overgaan: Peperga, Steggerda, Finkega en
Noordwolde. Peperga (6) heeft nog al een flinken hoogen toren, maar de
kerken van de andere dorpjes zie je pas als je er vlak bij bent; een
ervan, ik kan mij heusch niet meer herinneren, of het Steggerda of
Finkega (7) was, heeft zijn kleine kerkje onder slanke wilgeboomen heel
apart en nietig in het weiland staan. Overigens was het landschap weer
echt Zevenwolderig met veel herinneringen aan het aloude Budahenna. In
Noordwolde (8) pleisterden we in „De Dolfijn,” zoo genoemd naar het
schip van een ouden veenschipper, die in de vorige eeuw of nog eerder
als zoo menig schipper de vaart er aan gaf om een tapperijtje te
beginnen. Nu huisde er een Groninger, die meent dat: „hontginnen en een
oenderpark ouden het mooiste is wat je in je leven kunt doen” en ons
opwekte, om eens een omritje te maken over Frederiksoord, om eens wat
resultaten van ontginningswerk te zien. Dat hebben we dan ook gedaan,
eerst langs de rietvlechtschool naar Boyl, toen over een mooien nieuwen
klinkerweg op Drente aan, eerst door schilderachtige natte hei, toen
door mooie nieuwe bosschen naar het oude Doldersum en vandaar naar het
nog oudere en zeer mooie Vledder met zijn grijzen zadeldaktoren.
Vandaar naar Frederiksoord was maar een ommezien, en toen hebben we op
ons gemak het ontginningswerk tusschen Frederiksoord en Noordwolde
kunnen bekijken, want we hadden een allerafgrijselijksten tegenwind.
Toch hebben wij ons dat omwegje niet beklaagd.
Nu ging het weer aan op het ons reeds welbekende Oldeberkoop (10) en
wel in het eerst langs hooggelegen graanvelden en aardige bosschen van
dennen en berken (9), tot waar de Linde (18) weer door het groenland
kronkelt en aan gene zijde van dat riviertje vonden we weer hoog
opgaande bosschen, ditmaal meest eiken en populieren met weelderig
onderhout. Daarna verder naar huis toe. Ditmaal was het hek van
Schoterland gesloten en we moesten naar het brugwachtershuis om toegang
te vragen tot de gemeente, waar we tijdelijk onze tenten hadden
opgeslagen. Daarbij kwam onder meer aan het licht, dat het hek altijd
gesloten is, en dat het een tolhek is en dat wij den vorigen keer,
hoewel bij ongeluk, de misdaad hadden begaan van den tol te passeeren,
zonder te betalen. Gelukkig konden wij het verzuim herstellen door nu
eenvoudig twee cent te geven in plaats van één. Ging het altijd maar
zoo gemakkelijk!