III.

Jachtfanfares klonken door het woud, dat zich destijds van den voet

van den Godesberg tot aan de poort van Bonn uitstrekte en zeer veel

edel wild bevatte. Evenals vroeger met hun vader, zoo gingen de

beide broeders ook thans gezamenlijk ter jacht. Gaarne had graaf

Erich de uitnoodiging van zijn broer aangenomen. Hartelijk verheugde

hij er zich over, dat de slechte stemming, die hij sedert

verscheidene dagen bij den broeder waargenomen had, verdwenen was.

Het scheen, alsof deze tot inkeer gekomen was en het besluit genomen

had, den vromen wensch zijner ouders te vervullen. Hij deelde zelfs

mede, dat hij plan had, den aartsbisschop in de heilige stad Keulen

te bezoeken en hem den brief te overhandigen, dien zijn vader hem

als een gewichtig geschrift nagelaten had.

Dat verheugde graaf Erich zeer. Welgemoed doorkruiste hij het dichte

struikgewas. Hij was zeer gelukkig op de jacht en had reeds

verscheidene groote evers gespietst, ook een groot hert viel

hetzelfde lot ten deel. Daarentegen trof de broeder slecht. Zijn

hand was onvast, zijn bewegingen verrieden onrust, een zeldzaam vuur

schitterde in zijn oogen. Hij was een prachtigen ever op het spoor,

en bereidwillig gaf de broer aan den wensch om het dier gezamenlijk

te vervolgen, gehoor.

Door heg en struik gingen de jagers, vergezeld van de blaffende

honden. Daar ritselt het loover, hijgend baant de ever zich een weg

door het bosch. Suizend snort de jachtspies uit de hand van den

jongsten broer en blijft in de schors van een eik zitten.

"Je hand is meer geschikt om vrome christenen te zegenen," zegt de

oudste schertsend.

"En om mij van lastige broeders te ontdoen," bromt de andere en

trekt bliksemsnel den degen van zijn zijde. Sissend dringt het staal

in de borst van den broeder. Een gil klinkt door het woud, in welks

duisternis de broedermoordenaar verdwijnt. Ontzet snellen de beide

schildknapen toe. Een smartkreet klinkt uit beider mond. De graaf

ligt badende in zijn bloed, met de sluier des doods over de oogen.

De schildknapen buigen zich tot den stervende over.

"Mijn broeder!" In een zucht sterven deze woorden weg. Ontsteld

worden ze door de schildknapen herhaald, en met leedwezen wordt het

bericht, dat de ongelukkige Godesberger door de broederhand gevallen

is, in het Rijnland vernomen. Innig verdriet heerschte er in den

Godesburcht, waar de jonge slotheer in het graf zijner vaderen

bijgezet werd. De burcht bleef verlaten, de naaste verwanten van het

adellijke geslacht wilden hun woning in de gezegende "Rheingau"

dicht bij de Palts niet voor de onzalige vesting verruilen, en zoo

woonde daar slechts de poortwachter.

Maar ook hij werd verdreven, want op een nacht sloeg de bliksem in

den toren, en voor dat men van beneden hulp kon bieden, had de

flikkerende straal alles vernield, alleen de zwart gerookte muren

zijn overgebleven. Zoo werd de trotsche Godesburcht een treurige

ruïne.

Sagen van den Rijn(#60942) · 第 93 / 108 题