In de hooge zaal van den Godesburcht, keken de portretten der
voorvaderen op de beide broeders neer, die zwijgend den maaltijd
gebruikten. Treurig gestemd zaten de tegenwoordige burchtheer en
zijn jongere broeder tegenover elkaar. Er werd weinig gesproken,
maar de enkele woorden, die de jongste uitte, klonken verbitterd en
ontstemd. Tevergeefs trachtte de oudste het vertoornde gesprek van
den jongeren broeder af te weren. "Ik nam slechts, wat mij als
overoud vaderrecht toekomt," antwoordde hij zacht op de aanklacht
van den anderen. "Ik ben niet heer, maar beheerder van mijn
bezitting en zij, wier beeltenissen op ons neerzien, zouden mij in
de andere wereld vervloeken, als ik mijn erfdeel niet goed beheerde.
Voor jou echter is een hooger erfdeel voor het altaar van den Heer
weggelegd, zelfs een hooge rang zal je bekleeden, zooals je reeds
schriftelijk is toegezegd, wanneer jij, de afstammeling van een
doorluchtig geslacht, een waardig dienaar van den Heer wordt."
Maar toornig valt de broeder hem in de rede: "Nooit buk ik mij voor
den harden dwang, die den oudsten de wapenrusting, den jongsten de
monnikspij oplegt. En al werd mij de bisschopsring en de
kardinaalshoed aangeboden, dan nog wil ik geen priesterkleed dragen,
maar het ijzeren kleed, dat ik tot nu toe gedragen heb."
Treurig hoorde de andere hem aan.
"Dat God uw donker hart moge verlichten. Gaarne zou ik met je
deelen, maar het gebod onzer voorvaderen laat dit niet toe. Daarom
onderwerp je en bedenk, wat hem dreigt, die de heilige gebruiken
zijner voorouders veracht."
Toen werd het stil in de ridderzaal.