Jaren zijn intusschen verstreken. Uit het woud te Godesberg is
destijds een man geijld, radeloos en angstig, bleek en ontsteld.
Gisteren nog koesterde hij het misdadige verlangen naar de erfenis
van zijn broeder, en heden droeg hij het Kaïnsteeken van zijn
broedermoord op het voorhoofd. Bleek en angstig is hij uit het bosch
gevlucht. Het helsche plan om zijn broeder in enkele minuten uit
den weg te ruimen, dat hij in koelen bloede gesmeed had, is te niet
gegaan, toen het slachtoffer met een smartkreet neerzonk. De
moordenaar, wiens hand gesidderd had, werd door booze geesten
verdreven.
Jaren zijn intusschen verstreken.
Daar klopte op een dag een vreemde pelgrim aan het klooster
Heisterbach, dat de vrome monniken van Bernhard in het dal van het
Zevengebergte hadden laten bouwen, Half pelgrim, half bedelaar. Het
gewaad versleten, het gelaat vaal en vervallen, het lichaam
gebroken, zooals wellicht de ziel.
Fluisterend smeekte hij den broeder portier medelijden met hem te
hebben. Hij kwam van de heilige plaatsen en zijn voeten wilden hem
niet verder dragen.
De broeder deelt dit den prior mede, tot wien hij den vreemden
pelgrim geleidt. Zwijgend ziet de prior den man aan, die aan zijn
voeten neerzinkt. Dan komt er plotseling een andere uitdrukking op
zijn oud gelaat.
"Bij God, zijt gij het, ridder --"
Verder komt hij niet. Kermend houdt de ridder zijn knieën omklemd en
smeekt hem, zich zijner te erbarmen.
"Ik ben het, die twintig jaar geleden den broeder in het Godesberger
woud versloeg," klaagt de ongelukkige. "Reeds tweemaal tien jaar
boet ik mijn vervloekte schuld en smeekte als pelgrim aan het
heilige graf, als slaaf in de ketenen der ongeloovigen,
Godserbarming over mij af. Sedert drie maanden vielen de ringen van
mijn handen, en met moeite en zorg ben ik naar mijn vaderland
getrokken. Hierheen werd ik gedreven en u, dienaren Gods, die mij
als knaap en als jongeling gekend hebt, smeek ik om een plaatsje
tusschen deze muren, waar ik de ruïne van Godesberg aan den overkant
kan zien, en waar ik boete kan doen en bidden, totdat de dood mijn
arme ziel wegdraagt."
Toen legde de prior de handen zegenend op het hoofd van den armen
zondaar.
* * *
Hij heeft boete gedaan en zeer veel gebeden in de eenzame
kloostercel. Vele jaren heeft hij het zondige lichaam gegeeseld en
vol berouw de vloekwaardige daad beweend. Toen is ook tot hem de
dood gekomen, en hebben de monniken van Heisterbach hem onder het
zingen van treurliederen grafwaarts gedragen.
Daar, waar de broedermoord gepleegd is, heeft de aartsbisschop van
Keulen een kruispyramide doen oprichten, en hoewel er eeuwen
overheen zijn gegaan, zoo staat het sombere "Hochkreuz" nog steeds
op deze plaats.