Den volgenden dag in alle vroegte, nog voordat de godin van den dag
haar stralend hoofd van het purperen kussen in het Oosten ophief,
werd het levendig in het dal. Door het woud, dat nog in schemering
gehuld was, besteeg een opgewonden stoet de hoogte. Vooraan schreed
de priester, in het midden, bleek, maar kalm, de gevangene. Zwijgend
had zij het ter wille van den Heer toegelaten, dat de beenige hand
van den opperpriester den offerband om haar voorhoofd wond en
gewijde bloemen in haar loshangend haar vlocht. Menige medelijdende
blik uit het volk trof heimelijk het standvastige meisje, ook de
blauwe oogen van den jeugdigen, trotschen legeraanvoerder hadden
zich smartelijk vertrokken bij den aanblik van de aan den dood
gewijde jonkvrouw.
Het vooruitspringende gedeelte der rots was bereikt, dat reeds
dikwijls door onschuldig menschenbloed bezoedeld was. Zwijgend
wonden de dweepzieke priesters touwen om haar teeder lichaam en
bonden haar aan den heiligen, aan Wodan gewijden boom, die den rand
van den afgrond beschaduwde. Geen klacht kwam over de bleeke lippen
der christin, geen traan blonk er in haar oogen, die verrukt naar
het morgenrood aan den hemel opzagen. De volksmenigte ging uit
elkaar en verspreidde zich; zwijgend en angstig bleven de heidenen
in de verte wachten op hetgeen komen zou.
De eerste zonnestralen wierpen hun schijnsel over den berg. Zij
schitterden in de bloemenkroon, die de jonkvrouw in het haar droeg
en speelden op haar verheerlijkt gelaat, dat ze met een stralenkrans
van licht en glans omgaven. De jonge christin verwachtte den dood
evenals een verloofde haar bruigom. Haar lippen bewogen zich zacht
als in een gebed.
Daar hoorde men in de diepte dof rumoer; de draak kwam snuivend uit
zijn hol en stoof over den landweg. Hij ontdekt het offer op de
plaats, die zijn bloeddorst kent. Hoogop kromt zich zijn met
schubben bedekt lichaam, dat op ver uitgestrekte van scherpe nagels
voorziene pooten rust; gruwelijk slaat hij met zijn slangachtigen
staart en laat in zijn afschuwelijk gapenden muil zijn doodend gebit
zien. Blazend komt het ondier aangekropen, terwijl het begeerig de
tong heen en weer beweegt. Uit de bloederige oogen stralen helsche
vlammen.
Doodsangst overvalt de jonkvrouw bij den aanblik van dezen
afschuwelijken salamander. Sidderend trekt zij een schitterend
gouden kruis, dat zij op de borst draagt, te voorschijn en strekt
dit afwerend naar den draak uit, terwijl een angstige hulpkreet tot
God haar lippen ontsnapt. En, o wonder! Terwijl hij zich hoog, als
door den bliksem getroffen, opricht, treedt de draak terug en stort
achterwaarts over puntige rotssteenen in de diepte. Onder brullend
gehuil en het donderend rumoer van vallende rotsblokken verdween het
ondier in de woeste golven van den vloed. Een algemeene gil klonk
van de lippen der ter zijde wachtende heidenen. Verbazing en schrik
stond op alle gezichten te lezen. Vol berusting, met droomerig
gesloten oogleden stond de jonkvrouw daar en bad zacht tot Hem,
die haar gered had. Daar werd zij van de touwen, die haar
vastgebonden hielden, bevrijd, en twee krachtige armen omvatten haar
en droegen haar in den kring der verbaasde toeschouwers. Zij hief de
oogen op en zag den jongsten der beide legeraanvoerders; zijn ruwe
krijgsmanshand vatte de hare. Als voor een hemelsche verschijning
boog de jongeling zijn knie en raakte met de lippen de witte
vingeren aan. Luide zegenkreten klonken den ridder tegen.
De bejaarde priester trad naar voren en vol verwachting zweeg het
volk. Hij vroeg de christin plechtig, wie haar van den wissen dood
gered had, en wie de God was, die de zijnen zoo zichtbaar hielp. En
zegevierend glinsterden de van gelukstralende oogen der jonkvrouw.
"Dit beeld van Christus heeft den draak verpletterd en mij gered,"
riep zij zegevierend uit. "In hem rust het heil der wereld en de
welvaart der volkeren!"
Met schuwen eerbied beschouwde de bejaarde priester het kruis van
Christus.
"Dat het spoedig uw geest moge verlichten evenals van al deze
lieden," sprak de jonkvrouw ernstig. "Het zal u grootere wonderen
openbaren dan dit, want onze God is groot."
Men geleidde de jonkvrouw met de overige gevangenen weer naar haar
vaderland. Zij keerde spoedig terug, vergezeld van een christelijken
priester. De stem van het geloof en der onschuld richtte wonderen
uit in de harten der heidenen. Bij duizenden tegelijk begeerden zij
den doop. De oude priester en Rinbold waren de eersten, die hun
hoofd voor de nieuwe leer bogen. Vreugde heerschte er onder den
stam, toen de jonkvrouw den jeugdigen legeraanvoerder de hand voor
het leven reikte. Een christelijke tempel werd in het dal opgericht
en bovenop de rots verrees een trotsche burcht voor de jonggehuwden.
Wel tien eeuwen bloeiden het machtige geslacht der Drachenburgers in
de omstreken van den Rijn.