I.

Als de reiziger de schoon gelegen Muzenstad Bonn verlaten heeft en

per stoomboot den Rijn opvaart, aanschouwt hij spoedig aan zijn

linkerhand de schilderachtige toppen van het Zevengebergte. De

steile kruin van den voorsten berg wordt thans nog versierd door den

toren en de muren van een oud ridderslot. Van dezen toren met den

griezeligen naam, waar men in den zomer voortdurend vroolijk gezang

en klinken van bokalen hoort, vertelt het volk een aandoenlijke

sage.

In de eerste eeuwen na de geboorte van den Verlosser namen de

Germanen op den linker Rijnoever gewillig de leer van het kruis aan,

zooals de heilige Maternus, een discipel van den Volksapostel, uit

Gallië hun die mededeelde. Reeds sedert langen tijd hadden de vrome

christelijke zendelingen getracht, de christenleer bij de heidensche

stammen van Midden-Germanië te doen doordringen, doch zonder gevolg.

[Illustratie: Am Sarge Kaiser Heinrich IV.

Nach dem Gemälde von L. Rosenfelder

Zur Sage von der Burg Hammerstein]

Zij hielden aan hun heidendom vast en wilden de christelijke

priesters uit het vreemde rijk niet in hun landstreken toelaten.

Reeds vroeger had dit rijk gepantserde legioenen, onder aanvoering

van listige bevelhebbers in de vrije landen gezonden.

Destijds moet er een vreeselijke draak in een hol (nog thans

"Drachenloch" genaamd) gehuisd hebben, een draak met een

afschuwelijke gestalte, die dagelijks zijn rotshol verliet en in de

bosschen van het dal verschrikkelijk te keer ging, terwijl hij

menschen en dieren op vreeselijke wijze bedreigde. Menschelijke

krachten waren onmachtig tegen dat monster en daar men meende, dat

zich een vertoornde godheid in den slangachtigen salamander verborg,

bewees men hem goddelijke eer en offerde hem bereidwillig

misdadigers en gevangenen.

Een ruwe heidensche stam woonde aan den voet van den berg. Dikwijls

ondernamen de strijdlustige mannen verwoestende rooftochten aan den

linker Rijnoever. Zij staken alles in brand en vermoordden de

christelijke broeders. Op een nacht waren ze wederom naar de andere

zijde getrokken en maakten in een verwoeden strijd met de

overvallenen vele goederen en gevangenen buit. Onder de laatsten

bevond zich een jonkvrouw van buitengewone schoonheid. Twee

legeraanvoerders, door haar bevalligheid bekoord, verlangden haar te

bezitten. De oudste heette Horsrik, hij was een beroemd hoofdman en

gevreesd strijder, krachtig als een beer en woest als een tijger, de

jongste, Rinbold was minder ruw, doch even dapper.

Huiverend wendde de lieftallige jonkvrouw zich af, toen ze de beide

vorsten met vlammende oogen om haar bezit vechten zag. Mannen,

overmoedig geworden door de behaalde overwinning, omringen hen. Toch

stellen zij nog meer belang in den strijd der aanvoerders, om de

gevangen christin, dan in hun eigen verworven buit. De toornige

woorden der beide tegenstanders vinden een echo in de harten der

omstanders. Als Horsrik, de gevreesde strijder de jonkvrouw voor

zich eischt, wordt hij door de omringende mannen aangemoedigd, maar

als Rinbold, de jeugdige trotsche legeraanvoerder haar begeert,

wordt hij veel meer door de omstanders toegejuicht. Somber staart de

andere voor zich uit, terwijl zijn vuist dreigend de strijdkolf

omklemd houdt. Daar gaat de kring der omringende mannen uiteen.

Tusschen de strijders treedt, met een ernstige uitdrukking op het

gelaat, de opperpriester, een grijsaard met zilveren haren en harde

trekken. Luid weerklinkt de toornige stem van den grijsaard:

"Vervloekt zij deze twist om het bezit van een andersgeloovige. De

christin zal geen tweedracht zaaien tusschen de edelsten van onzen

stam. De dochter van hen, die wij haten zal u geen van beiden

toebehooren. De stichteres van dezen onzaligen twist zal den draak

geofferd worden. Ter eere van Wodan, dien zij en de haren miskennen,

zal zij bij zonsopgang gewijd worden." De mannen juichten dit plan

toe, vooral Horsrik. Met opgeheven hoofd staat de jonkvrouw daar.

Smartelijk en vol bewondering rust het oog van Rinbold, de trotsche

jeugdige legeraanvoerder op het engelachtige gelaat der jonkvrouw.

Sagen van den Rijn(#60942) · 第 87 / 108 题