In den ouden tijd stond in een liefelijk dal van het Zevengebergte
het klooster Heisterbach. Thans staan nog eenige overblijfselen op
het met boomen omgeven grasveld. Niet door den tand des tijds, maar
door de barbaarschheid van het oorlogzuchtig tijdperk zijn de
kloosterhallen verwoest. Men heeft de monniken verjaagd, de muren
afgebroken en de steenen voor het bouwen van vestingen gebruikt.
Sedert dien tijd, zoo deelen de landlieden van het Zevengebergte
mede, wandelen 's nachts de geesten van de verjaagde monniken
tusschen de ruïnes van het koor en de puinhoopen der zuilen.
Zwijgend klagen zij hun vervolgers en de verwoesters hunner cellen
aan. Onder hen bevindt zich ook Gebhard, de laatste prior van
Heisterbach. Hij dwaalt tusschen de monniksgraven, telt ze en
bezoekt ook de graven van de heeren van Löwenburg en Drachenburg.
Een graf ontbreekt; bij de laatste verwoesting hebben de
kloosterschenders dit geopend.
Zeer beroemd waren de geleerde monniken in de middeleeuwen. Menig
kunstig afschrift van den Bijbel, menig zeer geleerd geschrift, dat
in de wereld verscheen, was afkomstig uit de stille kluis van het
klooster aan den Rijn en gaf blijk van de vlijt en kennis der vrome
monniken. Een was er onder hen, die boven allen in geleerdheid
uitblonk. Hoog stond hij bij allen in aanzien, en zelfs het bejaarde
hoofd van den vader prior boog zich deemoedig voor de door God
begenadigde geleerdheid van den jeugdigen monnik.
Maar de giftige worm van den twijfel knaagde aan zijn veelomvattende
kennis, en de spiegel van zijn geloof werd beneveld door schadelijk
gepeins. Dikwijls dwaalde zijn oog onrustig over het geel geworden
perkament, waarop het levende woord Gods geschreven stond, en
ofschoon zijn kinderlijk deemoedig hart zich onderwierp en
smartelijk uitriep: "Ik geloof, Heer, sta mij bij in mijn ongeloof!"
zoo toch omzweefden hem dikwijls hoonend de scheppingen van zijn
onrustigen geest en de pijnigende gestalten van den verderfelijken
twijfel, die zijn ziel tot het tooneel van een smartelijke
worsteling maakten.
Eens zat hij bij het aanbreken van den dag weder met gloeiend hoofd
over de perkamentrollen gebogen. Uren verstreken, en de morgenzon
verguldde de hooge zuilengangen met haar gouden glans. Verleidelijk
dansten de stralen op de beschreven rol, die de monnik in de handen
had. Hij echter zag het niet en staarde voortdurend op de regels,
die hem reeds sedert maanden met kwellenden twijfel vervulden:
"Duizend jaren zijn den Heer gelijk een dag!"
Reeds maandenlang martelde hij zijn hersenen met dit raadselachtig
woord van den apostel. Met geweld had hij de onbegrijpelijke plaats
uit zijn gedachten verbannen, en nu dansten haar letters wederom
voor zijn moede oogen. Zij werden grooter, de gekrulde teekens,
rekten en verlengden zich bovennatuurlijk en werden spottende
gestalten, die hem hoonend omzweefden: "Duizend jaren zijn den Heer
gelijk een dag!"
Het liet hem geen rust in de muffe cel en trok hem naar de
eenzaamheid van den frisschen kloostertuin. Met onrustigen tred ging
hij, in kwellend gepeins verzonken, de paden op en neer. Zijn blik
vestigde zich op den grond, zijn geest vertoefde zeer ver van de
rustige omgeving. Zonder het te weten had hij den kloostertuin
verlaten en wandelde op de boschwegen. Vertrouwelijk groetten de
vogels in de groene twijgen hem, met groote oogen zagen de bloemen
in het zachte mos hem aan. Hij echter, de peinzende denker, hoorde
en zag niets. Want de twijfel in zijn ziel zag slechts een plaats,
hoorde slechts een klank "Duizend jaren zijn den Heer gelijk een
dag!"
Vermoeid was zijn dolende voet, afgemat zijn overspannen hersenen.
Op een steen zonk de monnik neder en steunde het geplaagde hoofd
tegen een boom. Een verzoenende droom voerde zijn geest weg. In door
licht omgeven sferen vond hij zich zelf terug; aan den troon van den
Allerhoogste. Het water van de eeuwigheid ruischte om hem heen. Alle
voortbrengselen der schepping verschenen en prezen het werk zijner
handen, welks heerlijkheid de hemelen roemen: vanaf den worm in het
stof, dien nog geen sterfelijk wezen heeft kunnen scheppen, tot aan
den adelaar, dien Hij vleugels gegeven heeft en het vermogen om van
de hoogte op de diepte neer te zien; van de zandkorrel in de zee tot
aan den reuzenkegel, die op bevel van den Heer uit den sedert
duizenden jaren gesloten vuurmond spuwt. Zij allen spreken slechts
een taal, die voor den hoogmoedige onverstaanbaar is en den nederige
geopenbaard en duidelijk gemaakt wordt. De taal van Hem, die hen uit
het stof te voorschijn riep, zij het in zes dagen, zij het in
zesduizend jaren: "Duizend jaren zijn den Heer gelijk een dag!" Met
een lichte rilling opent de monnik de oogen.
"Ik geloof Heer, sta mij bij in mijn ongeloof!" mompelt hij, zich
opheffend. Luisterend staat hij stil. Van verre luidt de
kloosterklok. Vesperluiden is het. Het avondrood straalt reeds door
de takken. Snel wendt hij zijn schreden naar het klooster. De kerk
is reeds verlicht. Door de half geopende deur ziet hij de monniken
in hun stoelen. Stil snelt hij naar zijn plaats. Met verbazing
bemerkt hij, dat er een andere monnik voor zijn stoel staat. Hij
raakt hem met den vinger aan, maar tot zijn verbazing ziet hij een
vreemde, dien hij tevoren nooit gezien heeft. Nu heft ook deze en
gene zijn hoofd van het boek op en kijkt vragend naar den
binnengekomene.
Dan komt er een zonderling gevoel over hem. Slechts vreemde
gezichten ontdekt hij. Terwijl hij verbleekt, kijkt hij om zich heen
en wacht het einde van den ernstigen psalm af. Verstomd zijn gezang
en gebed. Door de rijen gaat een fluisterende vraag. De prior, een
eerwaardig grijsaard nadert den binnengetredene. Op zijn hoofd rust
de tachtigjarige sneeuw.
"Hoe is uw naam, vreemde broeder?" vraagt hij op vriendelijken,
welwillenden toon.
Afgrijzen maakt zich van den monnik meester.
"Maurus," mompelt hij toonloos, terwijl zijn stem beeft. "Bernard,
de Heilige, was de abt, die mijn gelofte afnam in het zesde
regeeringsjaar van koning Koenraad, dien men den Frank noemde."
Ongeloof en verbazing teekenen zich op de ernstige gezichten der
monniken af. En de monnik heft zijn doodsbleek gelaat tot den prior
op en deelt hem met doffe stem mede, hoe hij in het bosch
ingeslapen, en niet ontwaakt is, voordat de vesperklok luidde. De
prior wenkt een broeder.
"Het is bijna driehonderd jaar geleden, dat St. Bernhard stierf,
evenals Koenraad, dien men den Frank noemde."
De broeder brengt de oorkonden van het klooster. Zij bladeren ver
terug: driehonderd jaren tot den tijd, toen Bernhard, de Heilige,
leefde. En zoo las de bejaarde prior, wat het perkament verkondigde:
"Maurus, een twijfelaar, verdween op een dag uit het klooster en
niemand heeft sedert dien tijd vernomen, wat er van hem geworden
is."
Een rilling gaat door de leden der monniken. Dat was hij, deze
broeder Maurus, die na driehonderd jaar in het klooster terugkeerde!
In zijn ooren weerklonk het laatste woord, dat de prior gelezen had,
als bazuingeschal van het laatste oordeel: driehonderd jaren! Met
opengesperde oogen ziet hij omhoog, hulpeloos tast hij met de handen
voor zich uit. De broeders ondersteunen hem en beschouwen hem met
heimelijk afgrijzen, want zijn gelaat wordt aschgrauw, als van een
stervende, de smalle haarkrans op zijn hoofd wordt eensklaps
sneeuwwit.
"Mijne broeders," prevelt hij met brekende stem, "eert steeds het
onvergankelijke woord des Heeren en zoekt niet door te dringen in
wat Hij opzettelijk voor ons verborgen hield. Voor Hem bestaat er
geen tijd. Dat mijn voorbeeld nooit uit uwe gedachten moge
verdwijnen. Eerst heden drongen deze woorden van den apostel tot mij
door: Duizend jaren zijn den Heer gelijk een dag. Hij, de Heer, zij
mij armen zondaar genadig!"
Levenloos zonk hij ter aarde en geroerd baden de broeders bij zijn
lijk.