II.

Ronald was een fier jongeling en een der vermetelste strijders aan

het hof van zijn vader, den paltsgraaf van den Rijn. Ook hij hoorde

van het goddelijke wezen. Zijn hart brandde van verlangen om haar te

zien. Nog voordat hij de jonkvrouw aanschouwd had, vereerde hij haar

reeds.

Hij verliet het hof en ging schijnbaar ter jacht. In werkelijkheid

bracht hem een oud, ervaren schipper naar de rots. In het Rijndal

brak de schemering reeds aan, toen de boot den reusachtigen berg

naderde. Laag stond de ondergaande zon achter de bergen.

Daar verschijnt op eens een flikkering aan het blauwe uitspansel: de

avondster. Heeft de beschermengel van den droomende jongeling deze

zooeven aan den hemel geplaatst om den verblinde te waarschuwen?

Hij ziet omhoog, voor een oogenblik afgeleid.

Een zachte kreet van den ouden man aan zijn zijde.

"De Lorelei!" fluistert hij angstig, "ziet gij haar, de

toovenaarster?"

Ronald antwoordt niet. Reeds zag hij haar. Ook hem ontglipte een

zachte kreet. Met wijd opengesperde oogen keek hij omhoog. Daar

stond de Lorelei. Ja, zij was het. Een stralend godenbeeld in een

donkere omlijsting. Een welriekende wonderbloem, uit een ruïne

gesproten. Dat was haar goudlokkig haar, dat was haar wit golvend

gewaad.

Aan den rand van den afgrond zit zij en brengt haar goudblond

golvend haar in orde. Een stralenkrans omgeeft het edele hoofd en

laat, niettegenstaande de duisternis en den verren afstand, haar

bekoorlijkheid zien. Heimelijke begeerte straalt uit twee vochtige,

groote oogen, op twee zacht gekleurde wangen ligt een betooverende

blos, en twee zwellende purperen lippen, rood gelijk een kers,

openen zich om te zingen of te verhalen. Nu klinkt er gezang door de

stilte, zacht en klagend, verleidelijk evenals de heerlijke

nachtegaalslag in den stillen zomernacht.

Dan zwijgt zij.

In nadenken verzonken zit zij daar en tuurt mijmerend in het blauwe

verschiet. Dan ziet ze naar den vloed onder haar en een schitterend

oogenpaar rust lang in den starren blik van den jongeling. Haar

oogen gelijken een paar zonnen, waarvan een verterend vuur uitgaat.

Een lichte rilling gaat door het lichaam van den jongeling. Nog

steeds rust zijn blik op de trekken van de demonische vrouw, en

geheel bedwelmd leest hij daarop het teedere sprookje van de liefde.

Rots, vloed, alles smelt met den grootschen hemel samen, zijn oog

ziet slechts haar aan den rotswand; slechts de blankheid van haar

golvenden boezem, de saffieren van haar schitterende oogen. Te

langzaam kruipt de bark door den vloed. Hij houdt het niet meer uit

in de boot. Hij meent haar stem te hooren, onuitsprekelijk zacht en

verleidelijk. De smeulende vlam wordt een verterend vuur.

Evenals een losgebroken veulen stort hij zich in den vloed. -- De

oever wenkt.

"Lore!"

Een doodelijke gil weerklinkt en overstemt den kreet der liefde.

Klagend weerkaatste de echo het geluid door de rotsen.

De golven zuchtten en likten liefkoozend het ongelukkige

slachtoffer. De oude schipper stiet een klaagtoon uit en maakte een

kruis. Op dit oogenblik dreef een bliksemstraal de wolken uiteen, en

doffe donderslagen dreunden door de bergen. Beneden fluisterden

zacht de golven, en van de hoogte klonk opnieuw, dezen keer treurig

en gelijk een zucht wegstervend, het spookachtig gezang der Lorelei.

Sagen van den Rijn(#60942) · 第 49 / 108 题