De paltsgraaf ontving spoedig de treurige tijding. Zijn vaderhart
was vervuld van smart en toorn. Hij beval de valsche toovenaarster
dood of levend bij hem te brengen. Op den namiddag van den volgenden
dag zeilde een goed bemande boot den Rijn af. Vier schippers
roeiden, stoere, door de zon gebruinde mannen. Somber ziet het oog
van den stuurman onder de borstelige wenkbrauwen naar de rots, die
ernstig en zwijgend wenkt. Smart en toorn staan op het gelaat van
den breedgeschouderden man te lezen. Hij had verlof gevraagd de
duivelsche verleidster van den top der rots naar beneden in de
golven te mogen werpen, waar haar een wisse dood wachtte -- want
haar tooverkunsten konden wellicht de gevangenen van hun boeien en
kerker bevrijden. De paltsgraaf had het wraakplan goedgekeurd.