Boven Koblenz, waar de Rijn zich een weg baant door met druiven
begroeide heuvels, verheft zich een steile rots: de Loreleirots. Als
de boot van den schipper bij het vallen van den avond over het water
glijdt, ziet hij met angst en eerbied naar den onmetelijk hoogen
rotsachtigen top op. Evenals praatzieke kinderen fluisteren de
nimmer moede golfjes elkaar wonderlijke sprookjes toe, terwijl de
sage den grijzen top verheerlijkt en vreemde verhalen vertelt van
een schoone, valsche nimf, die eens daar boven op den berg gezeten
en zachte sirenenliederen gezongen heeft, totdat zij door een
treurig voorval voor altijd verdreven werd.
Lang, zeer lang is het geleden! Of het waar is, wie zal het zeggen?
Destijds, als de nacht in een donker gewaad van de met druiven
beplante heuvels neerdaalde en zijn stille gezellin, de bleeke maan,
haar zilveren brug van schitterende arabesken over den groenachtig
gouden vloed spande, dan klonk van de rots een wonderlijk
vrouwengezang en een vrouw van goddelijke schoonheid verscheen op
den top. Evenals een koningsmantel golfde haar goudblond haar over
haar volle schouders en viel in fraaie lokken op het sneeuwwit
prachtgewaad, dat haar trotsche gestalte in een lichte wolk scheen
te hullen.
Wee den schipper, die op dit uur -- waarop moegewerkte oogen zich
sluiten en levenslustige harten zich openen -- de rots passeerde.
Evenals eens de dwalende held der Grieken, werd ook hij door het
gezang betooverd. In zalige verrukking vergat hij alles om zich
heen, zoodat zijn oog, even verblind als zijn ziel, geen acht op
draaikolken en klippen sloeg. Maar de teedere vrouwelijke bloem,
wier bekoorlijkheid hem boeide, bloeide op een graf. Terwijl hij,
beroofd van zijn zinnen, op haar af stuurde, reeds droomende van
haar bezit, maakten de afgunstige golven zich van zijn schip meester
en slingerden het op het laatste oogenblik verraderlijk tegen de
rots, die het, evenals de Magneetberg in het Noorden meedoogenloos
aan haar harde borst verpletterde.
De doodskreet van het slachtoffer overstemde het woeste kabbelen van
den Rijn. Nooit zag men den ongelukkige weer.
De jonkvrouw, die nog nooit door iemand van nabij gezien was, ging
elken avond voort met zingen, zacht en verleidelijk, totdat de nacht
door de kus van den aanbrekenden morgen verdreven werd, en de
stralende dageraad den grijzen morgennevel uit de dalen verdreef.