V.

Jachtfanfares klonken door de eenzaamheid van het Odenwoud. Karel de

Groote en zijn getrouwen beoefenen het edele jachtvermaak. De oude

keizer, die overal vergetelheid zoekt heeft de speer ter hand

genomen om de herten van het woud te treffen.

Hij heeft zich van zijn begeleiders afgezonderd en vervolgt juist

een trotsch hert met zestienpuntig gewei. De zon staat reeds hoog

aan den hemel als het vervolgde dier de richting van den Main

uitsnelt welks water door de takken glinstert. Hij ontdekt den

vloed, staat een oogenblik onthutst stil, maar stort zich dan, door

de nabijheid van den vervolger opgejaagd, in de rivier, welks

overkant hij zwemmende bereikt. De keizer verschijnt en staat

uitgeput aan den oever. Nu eerst bemerkt hij, dat de avond hem

onmerkbaar overvallen, en de streek, waarin hij zich bevindt, hem

geheel onbekend is.

Voor zich heeft hij den vloed, achter zich het woud. De eerste

sterren schitteren reeds aan den hemel. Tevergeefs zoekt Karel den

rechten weg langs de rivier te vinden. Het woud, dat hij zooeven

doorsneden heeft, schijnt nu ondoordringbaar. Volslagen duisternis

omgeeft hem.

Daar schittert onverwachts een licht in de verte. De keizer ziet het

en richt met blijde verrassing zijn schreden daarheen. Vlak bij den

oever ontdekt hij een hutje. Door het verlichte venster ziet de

koninklijke bespieder een armoedig vertrek.

Wellicht is dit de kluis van een vroom man, denkt hij en klopt aan

de deur. Een man met blonden baard verschijnt. De keizer deelt,

zonder zich bekend te maken, mede in welk een verlegenheid hij zich

bevindt en vraagt huisvesting voor den nacht. Bij den klank zijner

stem ontroert de man hevig. Hij laat den keizer binnentreden. Een

jonge vrouw zit op een laag stoeltje en wiegt een kind op haar

knieën. Als zij den keizer ziet, glinstert haar donker oog en wordt

haar gelaat wit als marmer. Snel begeeft ze zich in de aangrenzende

ruimte om haar snikken te verbergen. Karel neemt plaats en steunt,

terwijl hij iedere verfrissching, die zijn gastheer hem aanbiedt,

weigert, het moede hoofd in de handen.

Minuten verstrijken.

Slaapt hij?

Neen, hij is in treurig gepeins verzonken.

Hij denkt aan vervlogen dagen. In zijn verbeelding ziet hij een

jongen man, wiens zacht karakter en meisjesachtig gelaat zeer afstak

bij de schaar stoere krijgslieden. Met welk een vuur had hij steeds

de heerlijke heldenzangen voorgedragen, alsook de roerende

volksliederen, die de keizer zoo ijverig verzamelde. Als hij dan

voorgelezen had uit het grauwe perkament, dat hij zelf met sierlijke

letters geschreven had, dan was er dikwijls een jong meisje met

donkere oogen tegenwoordig geweest, de lievelingsdochter van Karel

den Grooten.

[Illustratie: Der letzte Hohenrätier

Nach dem Gemälde von E. Stückelberg

The Last Hohenrätier Le dernier Hohenrätier]

Tegen vaders knie aangevleid, luisterde zij naar de zachte stem van

den voorlezer en in haar helder oog blonk dikwijls een traan van

ontroering.

De keizer slaakte een diepen zucht.

Een zilveren kinderstem deed hem uit zijn overpeinzingen

opschrikken. Een meisje van ongeveer vijf jaar, meer op een engel

dan op een aardsch wezen gelijkend, naderde hem bedeesd en bracht

den vreemden gast den nachtgroet van haar moeder. Getroffen keek de

keizer op het kindje neer, dat hem het witte handje toestak. Dubbel

bekoorlijk kwam de onschuldige schoonheid in de schramele omgeving

uit: een pastelteekening in een donkere lijst.

"Hoe heet je, kleine?" vroeg de keizer.

"Emma," antwoordde het kind.

"Emma!" herhaalde Karel en een traan gleed over zijn wangen. Hij

trok het engelachtige kind naar zich toe en drukte een kus op haar

rein voorhoofd.

Toen hoorde men gedruisch. Aan de voeten van den keizer lagen de man

met den blonden baard en de jonge vrouw en smeekten snikkend om

vergeving.

"Emma, Eginhard!" roept Karel met trillende stem en omarmt hen

weenend. "Gezegend zij de plaats, waar ik u weergevonden heb!"

Boven de eenzame hut zweeft de engel des vredes.

Sagen van den Rijn(#60942) · 第 20 / 108 题