IV.

Jaren zijn verstreken.

Karel de Groote heeft in Saksen overwinningen behaald en ook de

Romeinsche kroon verworven, zoodat zijn roem wijd en zijd verkondigd

werd, maar niettegenstaande dat is zijn haar vergrijsd en zijn

gelaat verouderd. Een aandoenlijk schoon beeld leefde sedert jaren

in zijn gedachten, en hij was niet bij machte dit te verbannen.

's Avonds wanneer de ondergaande zon in de marmeren zuilen van het

koninklijk slot weerspiegelden en haar laatste stralen hun gouden

schijnsel in het hooge vertrek van den beheerscher der Franken

wierpen, dan zagen zij hem dikwijls onbeweeglijk op zijn rijk

gebeeldhouwden stoel zitten, het diepdenkende hoofd in de handen

verborgen.

De keizer was in treurig gepeins verzonken. Hij dacht aan vervlogen

dagen. In zijn verbeelding zag hij een jongen man, wiens zacht

karakter en meisjesachtig gelaat zeer afstak bij de schaar stoere

krijgslieden. Met welk een vuur had hij steeds de heerlijke

heldenzangen voorgedragen, alsook de roerende volksliederen, die de

keizer zoo ijverig verzamelde. Als hij dan voorgelezen had uit het

grauwe perkament, dat hij zelf met sierlijke letters geschreven had,

dan was er dikwijls een meisje met donkere oogen tegenwoordig

geweest, de lievelingsdochter van Karel den Grooten.

Tegen vaders knie aangevleid, luisterde zij naar de zachte stem van

den voorlezer en in haar helder oog blonk dikwijls een traan van

ontroering.

Sagen van den Rijn(#60942) · 第 19 / 108 题