afgebroken woorden, deelden zij elkander mede, wat zij van het jonge
meisje wisten en dat konden slechts vermoedens zijn!
Nu traden ook Raffles en zijn beide metgezellen binnen en na te zijn
voorgesteld, aten zij haastig wat van het geroosterde brood, staken nog
wat voedsel in hun knapzakken, dronken een kop heete thee, en namen
toen afscheid.
Onder het snelle voortloopen zeide Dobrinsky:
—Nu zullen wij wel niet langer bij elkander kunnen blijven, want gij
zult natuurlijk achter de vuurlinie uw taak verrichten, terwijl ik mij
naar mijn regiment moet spoeden, dat zich thans op het marktplein in
marschorde opstelt. Ik zal u daar wel introduceeren bij den officier
van gezondheid die aan het hoofd staat van den Verplegingsdienst Leo
Anatof. Hij is een zeer vriendelijk man, en hij zal uw bijstand op
grooten prijs stellen.
Toen zij al dravend het marktplein bijna bereikt hadden, vroeg Raffles:
—Zeg mij eens, mijn waarde Iwan—dragen de witten uniformen?
—Ja, voor de overgroote meerderheid dragen zij nog de oude militaire
uniform! Waarom vraagt gij dat?
—Omdat ik wellicht een bezoek aan den overkant ga brengen, gij weet met
welk doel. Neen, zeg niets! Het is mijn vast plan—en ik blijf er bij!
Juist op dit oogenblik trad hun een slanke officier tegemoet met den
Rooden Kruisband om den arm en een fraai gevormd, bijna vrouwelijk
gelaat.
Het was Leo Anatof, de officier van gezondheid.
Iwan Dobrinsky stelden de Engelschen vlug voor, dezen lieten hun passen
zien, benevens hun armband en zij werden aanstonds door den officier
medegenomen, zoodat zij bijna geen tijd hadden afscheid van Dobrinsky
te nemen.
—Uw regiment- en divisie-nummer! schreeuwde Charly hem nog achterna.
—2e Divisie, veertiende regiment! riep Dobrinsky terug.
Hij wuifde hun nog eens toe, en het volgende oogenblik was hij in de
schijnbaar ordeloos dooreenloopende massa’s strijders verdwenen.
Anatof had zich intusschen tot Raffles gewend, en zeide op zachten toon
in gebroken Engelsch:
—Wij hebben last om voorloopig hier te blijven, teneinde het transport
niet nog meer te bemoeilijken. Maar over een paar uren zullen wij ons
ook wel marschvaardig moeten maken om naar voren te gaan—want wij
willen ons niet in de mogelijkheid indenken, dat wij nogmaals zouden
moeten retireeren.
En daarop bracht hij de drie mannen naar de bovenzaal van hetzelfde
feestgebouw, waar zij den vorigen nacht aan de stafofficieren waren
voorgesteld.
Daar vonden zij een aantal Roode Kruiszusters en ziekenverplegers,
allen stille, zwijgende menschen, met een ernstig gelaat.
Zij traden naar het venster en zagen op het drukke gewoel aan hun
voeten neer.
Er klonken korte commando’s door de ijle vrieslucht, en de rooden
schaarden zich in gelederen.
Er waren er slechts weinigen onder, die nog een complete uniform
droegen.
De meesten waren gedost in een zonderling allegaartje—een
uniformpantalon, een schapenpels, en als hoofddeksel een muts van
berenvel, of een jockey-pet, of zelfs een ouden vilten hoed, dien zij
den hemel weet waar hadden gevonden.
Maar allen waren voorzien van uitmuntende geweren, en overvloed van
ammunitie—want de fabrieken te Petrograd werkten dag en nacht voort!
Velen droegen bovendien een revolver in een lederen tasch op de heup,
en allen torsten op den rug een ransel of knapzak.
Zij schaarden zich vlug in gelederen, en trokken dadelijk weg, om
plaats te maken voor anderen.
Het viel Raffles aanstonds op dat er in het geheel geen bereden
officieren meer waren.
Op de infanterie volgden mitrailleurs-afdeelingen, wier snelvuurgeschut
op sleden geplaatst was, die door sterke honden getrokken werden,
artillerie, en tenslotte een luchtvaart-afdeeling met geweldig groote
vrachtauto’s, waarvan de wielen echter op zware, met ijzer beslagen
slede-schoenen waren geplaatst, daar zij anders zeker niet in de dikke
sneeuwlaag vooruit hadden kunnen komen.
En boven zijn hoofd hoorde Raffles het gegons van enkele vliegmachines,
en het geknetter van mitrailleurs, hetwelk bewees, dat men daarboven in
de blauwe lucht reeds handgemeen was geworden.
En hij overdacht hoe wonderlijk het rad van het toeval weder had
gedraaid dat hem thans, zonder dat hij dit slechts weinig dagen geleden
had kunnen vermoeden, te midden der veel gehate Bolsjewiki had
gebracht.
Ook hij had zich niet kunnen onttrekken aan de algemeen gangbare
meening en zich de Roode Legers steeds voorgesteld als een ordelooze,
havelooze bende bandieten, slechts in tucht gehouden, steeds met de
wodky-flesch gewapend, en bijna den geheelen dag bedronken.
En nu zag hij voor zijn oogen een geregelde legermacht, voortreffelijk
gedrild, van een overvloed van munitie voorzien en uitstekend bewapend,
ook wat de artillerie betreft, terwijl zij alleen maar gebrek aan
vliegmachines schenen te hebben.
En hoe men dan ook over het Bolsjewisme mocht oordeelen—het stond voor
hem als een paal boven water, dat zij een niet te onderschatten macht
vormde, waarmede men niet alleen in Rusland, maar ook in de rest van
Europa rekening zou moeten houden.
Maar tevens overdacht hij hoe afschuwelijk het was, dat hier broeders
elkander bestreden met een felheid, welke zij zelfs tegenover de
Duitschers niet getoond hadden.
Zuchtend wendde hij zich af, en zag nu, hoe alles in gereedheid werd
gebracht om aanstonds zwaargewonden te kunnen ontvangen.
En hij wilde nu ook zelf iets doen, en trad op een groepje verplegers
toe, bezield door den wensch om zich nuttig te maken.
Het duurde niet lang of de drie Engelschen waren bezig met een of ander
nuttig werk.
Er werden lange tafels gereed gezet, die aanstonds als operatietafel
dienst zouden moeten doen, men droeg verbandgaas, spalken, chloroform
en allerlei instrumenten aan, die geflambeerd en gezuiverd moesten
worden, en in de benedenzaal van het groote gebouw werden de bedden nog
eens nagezien, terwijl er nog nieuwe werden bijgezet.
Want hier te Kolodoserskoi zou in ieder geval het voornaamste
evacuatiedepot van het Roode Kruis gevestigd blijven—vooropgesteld
natuurlijk, dat de Rooden niet zouden behoeven te retireeren.
De uren verliepen in groote spanning, en het was alsof het
artillerievuur voortdurend flauwer werd, of juister: dat het van
grooteren afstand klonk.
—Ik geloof, dat wij oprukken! zeide luitenant Anatof, terwijl zijn
zachte oogen glinsterden.
Een kwartier later kwam er een order—een vijandelijke granaat had een
onderkomen vernield, dat als veldambulance was ingericht en had het
geheele personeel, bestaande uit een geneesheer en zes verplegers, op
slag gedood, benevens twee gewonden en een drager, die er juist waren
binnen gebracht.
Men vroeg om versterkingen!
Dadelijk trad Raffles, die het bevel had hooren voorlezen naar voren,
nam de militaire houding aan, en zeide:
—Mijn metgezel en ik stellen ons beschikbaar, luitenant!
—Zijt gij geneesheer? vroeg Anatof.
—Als ik wilde, zou ik kunnen practiseeren, luitenant! Ik heb bovendien
veel ervaring van wondbehandeling. Geef mij slechts het noodige mede,
en ik vertrek.
Anatof wierp den Engelschman nogmaals een doordringenden blik toe, en
zeide toen op zakelijken toon, waarachter hij zijn ontroering en
bewondering wilde verbergen:
—Ga dan, mijnheer—en zijt bedankt namens allen! Ik behoef er u zeker
niet aan te herinneren, dat gij en de uwen u aan levensgevaar gaat
blootstellen?
—Dat weten wij, luitenant! antwoordde Raffles eenvoudig. Onze taak is
ons echter duidelijk voorgeschreven, en iedere aarzeling is hier
buitengesloten. Wij zullen vertrekken.
Dadelijk werden de noodige bevelen gegeven en een half uur later
vertrokken Raffles, Charly en Henderson in een slede, getrokken door
twee sterke paarden, en voorzien van alles wat zij noodig konden
hebben—verbandmiddelen, eenige onontbeerlijke chirurgijns-instrumenten,
en rum.
Bovendien waren zij allen voorzien van een pas, om de linie te kunnen
passeeren.
De slede werd bestuurd door een soldaat, die het voertuig weder
dadelijk terug moest brengen, daar men alle voertuigen dringend noodig
had voor het overbrengen van munitie, leeftocht en gewonden.
De soldaat zou dan tevens eenige zwaargewonden mede naar Kolodoserskoi
terugbrengen.
Het vroor hard, en de lucht was zoo ijl, dat men zeer ver kon zien.
Zoodra de drie mannen het stadje achter den rug hadden, werd het geraas
van den veldslag, die op eenige kilometers afstand woedde, duidelijk
hoorbaar, en na een uur konden zij het blaffend geluid van de
mitrailleurs reeds tamelijk duidelijk onderscheiden van het dof
gerommel van de kanonnen, en het huilend gefluit der mijnwerpers.
Nu en dan verscheen er een vliegmachine boven hun hoofd—en meestal was
het er een van de tegenpartij, die er in geslaagd was, door het
spervuur te komen en nu achter de linie der Rooden naar een doelwit
zocht.
Een paar keeren daalde zulk een vliegmachine zelfs gevaarlijk laag, en
twee malen liet er een eenige bommen vallen, die echter gelukkig op een
twintigtal meters van de slede ontploften.
Het verwonderlijke was de houding der paarden—zij schenen aan dit alles
reeds zoo gewend te zijn, dat zij slechts even met den kop schudden, en
dadelijk rustig voortdraafden.
Uren en uren ging de tocht zoo voort, en steeds werd het geraas van den
slag beter verneembaar.
De slede was reeds eenige verbandplaatsen en munitiedepots gepasseerd
en de reizigers kwamen nu herhaaldelijk lichtgewonden tegen, die alleen
konden loopen, en die, na voorloopig te zijn verbonden, zich naar een
der veldhospitalen begaven, een kaart met den aard hunner verwonding op
de borst gespeld.
De artilleriestellingen der Rooden waren nu achter den rug, en Raffles
had voldoende kennis van strategie, om te begrijpen, dat zij een
heuvelhelling onder vuur had genomen, die op eenige kilometers afstand
in het Oosten te zien was, en om in te zien, dat het bezit van deze
helling voor de Rooden van groot gewicht was.
Door eenige vragen was hij te weten gekomen, dat het Veertiende
Regiment zich niet ver van die helling had ingegraven, reeds ernstige
verliezen had geleden, en na een paar uur zou moeten aanvallen.
De heuvelkling moest tot iederen prijs voor het vallen van de
duisternis genomen zijn.
Voor het overige schenen de aanvoerders niet ontevreden te zijn over
het verloop van den strijd.
De slede hield eindelijk stil dicht bij een waarnemingspost der
artillerie, in een vervallen boerenhoeve, die reeds vroeger half in
puin was geschoten.
Verder kon zij niet gaan, zonder zich bloot te stellen aan het gevaar,
door de vijandelijke artillerie te worden gezien, daar zij tot dusverre
verscholen was gebleven achter een lage terreinplooi.
De verbandmiddelen werden ontpakt, en de drie mannen namen ze op den
rug, terwijl een groot deel op een kleine slede werd geladen, welke zij
achter zich aan zouden trekken.
Men wees hun den weg die voor een deel door een verlaten loopgraaf zou
voeren en verder door een zoogenaamde naderingsloopgraaf of approche
zou leiden.
Thans dreigde het gevaar op vreeselijke wijze, want indien zij het
hoofd boven den rand van de loopgraaf uitstaken, zouden zij zeker door
de mitrailleurs van de tegenpartij worden gedood.
Nu en dan sloegen dicht bij hen granaten in, die een fontein van aarde
en sneeuw deden opspuiten.
Maar desondanks schreden zij voort, zoo snel zij konden, achter
elkander loopend, wegens de geringe breedte van de loopgraaf.
Hier en daar stond een paal met een bordje, waarop in enkele woorden de
weg stond aangeduid.
Twee malen moesten zij dwars een loopgraaf oversteken, die vol soldaten
was, wachtend op het fluitsein om op te springen en tot den aanval over
te gaan, om dien van een meer naar voren liggend regiment te steunen.
Er werd geen woord gesproken en het gezicht van al die mannen stond
strak en ernstig.
Zij zagen er uit als lieden, die volkomen bereid zijn, hun leven te
offeren, voor hetgeen zij beschouwden als een heilige zaak.
Het geraas van den slag was nu oorverdoovend geworden en de
artillerievoorbereiding had haar hoogtepunt bereikt.
Nog een half uur en de Rooden zouden opnieuw tot een bestorming
overgaan, nadat zij dien morgen reeds twee stellingen van de Witten
hadden weten te veroveren.
Eindelijk bereikten de drie Engelschen een plek, waar de grond over een
groot gedeelte was omgewoeld.
Overal lagen stukken van zware boomstammen, planken ......en
menschelijke ledematen......
Blijkbaar stonden zij bij de plek, waar eenige uren geleden een treffer
van den tegenstander een verbandplaats had verwoest.
En nu zagen zij op eenigen afstand een troep mannen, die, door een
lagen heuvel gedekt, druk bezig waren, een soort hol in de helling van
den kleinen berg te graven, dien te steunen met inderhaast stukgezaagde
boomstammen, en planken.
—Ik geloof, dat jou sterke armen daar een massa goed werk konden doen,
Henderson! zeide Raffles op zachten toon.
De drie mannen traden op het groepje mannen toe en Raffles stelde zich
voor aan een piepjongen majoor met een baardeloos gelaat en lang,
zijdeachtig haar.
Toen hij de stem hoorde, wist Raffles, dat hij met een vrouw te doen
had.
Later hoorde hij, dat het veelvuldig voorkwam, dat vrouwen dienst deden
in de gelederen der Rooden, meestal bij het verplegingsdepartement,
maar ook menigmaal bij den gewapenden dienst.
De majoor bleek Sonja Majofski te heeten en studente in de medicijnen
te zijn.
Zij ontving de drie Engelschen met eenige verbazing, maar toen Raffles
zijn passen liet zien en verhaalde hoe hij er toe gekomen was zijn
diensten aan te bieden, toen namen haar groote, zwarte oogen een zachte
uitdrukking aan en zij reikte de drie mannen de hand.
—De hulp van dappere lieden is ons altijd welkom! zeide zij eenvoudig.
Hun landaard doet er niet toe. Zooals gij ziet, zijn wij bezig een
nieuwe verbandplaats te bouwen. Dit is volstrekt noodig, want hier in
de buurt zal aanstonds de voornaamste aanval plaats vinden en wij
zullen de handen vol krijgen.
Henderson had er geen woord van verstaan, want de jonge vrouw in de
uniform van majoor bediende zich van de Russische taal, maar hij
begreep het des te beter.
Hij greep een spade en aanstonds vlogen de aardkluiten in het rond dat
het een lust was.
Hij tilde de zwaarste stammen waaraan drie mannen stonden te zwoegen
met het grootste gemak op en verbaasde iedereen door zijn verbazende
lichaamskracht.
Kortom, hij deed het werk van een half dozijn mannen en het ging hem
zoo vlot en flink af, of hij zijn geheele leven geniesoldaat was
geweest.
Voor een deel was dat ook de waarheid, want de reus had als soldaat in
den grooten oorlog medegestreden en was op Gallipoli gewond, toen hij
nog slechts een half jaar streed, waarop hij naar huis was gezonden,
daar zijn wonde hem voor den dienst te velde ongeschikt maakte.
Maar gelukkig had die verwonding zijn geweldige kracht geen schade
gedaan!
Raffles en Charly ontpakten intusschen de medegebrachte verbandmiddelen
en maakten het hol in orde, voor zoover het gereed was.
Het werd verlicht door electriciteit, want reeds had de genie den draad
verlegd en voor de noodige lampen gezorgd.
Een paar lange tafels, bossen stroo en wat dekens maakten het
primitieve meubilair uit.
Ofschoon de hoofdaanval nog moest plaats vinden, duurde het niet lang
of er kwamen druppelgewijs enkele gewonden binnen, de meesten met
schotwonden van kleine geweren, enkele met wonden van granaatscherven,
die er gevaarlijk uitzagen.
En zoo waren de drie Engelschen reeds spoedig druk aan het
menschlievende werk, hetwelk zij vrijwillig aanvaard hadden.
Zwijgend verrichtten zij hun taak, en slechts enkele malen gaf Raffles
een kort bevel.
En toen barstte eensklaps zulk een ontzettend geschutvuur los, dat het
leek of de wereld verging.
Raffles wist wat dit beteekende—het artillerievuur van de Rooden was
naar voren verlegd om den soldaten gelegenheid te geven, de stellingen
der tegenpartij te bestormen, en tevens om te beletten dat de vijand
zijn loopgraven zou kunnen verlaten, om den aanval in het open veld op
te vangen.
Tien minuten duurde dit vreeselijk geweld—en toen stormden er van alle
zijden mannen met geveld geweer voorbij, hijgend en steunend van de
inspanning—met slechts één doel voor oogen: de stelling van den vijand
te bereiken!
Met strakke gezichten stonden de Roode Kruissoldaten bijeen, en de
vrouwelijke majoor leunde met gesloten oogen tegen den ruwen post van
den ingang van het hol.
Na verloop van een kwartier werd het eigen geschutvuur merkbaar
duidelijker—de Rooden maakten dus vorderingen en hadden hun artillerie
naar voren kunnen brengen om den wijkenden vijand onder vuur te nemen.
En nu kwamen de gewonden toestroomen, sommigen alleen met bebloede
kleederen, anderen gedragen door de brancarddragers, die zich in het
dichtst van den strijd hadden gewaagd.
Henderson was sedert een half uur verdwenen.
Hij was er geheel alleen op uitgetrokken teneinde gewonden van het
slagveld te gaan halen.
En het duurde niet lang, of de reus kwam terug met een gewonde op de
schouders geladen, terwijl hij een tweede, wiens arm was stukgeschoten,
en die erbarmelijk kreunde, bij het voortstrompelen hielp.
En niet zoodra had hij de beide mannen zorgvuldig op een bos stroo
neergevlijd of hij ging weder heen om andere gewonden bij te staan.
Raffles en Charly waren al spoedig overstelpt met arbeid—vreeselijken
arbeid!
Telkens werden er nieuwe zwaargewonden voor hen op een der tafels
gelegd, die al dadelijk dropen van het bloed, en dan moesten zij snel
een arm amputeeren, die nog slechts met eenige vleeschflarden aan het
lichaam hing, of een geheel versplinterd been afzetten, een diepe
hoofdwonde verbinden, een granaatsplinter uit een borst verwijderen.
Het hol weerklonk van het gejammer der gewonden, en de stervenskreten
van hen, die ten doode waren opgeschreven.
Hier kwam in al zijn afzichtelijkheid het onmenschelijke van dezen
broederstrijd te voorschijn!
Sonja Majofski, ofschoon doodsbleek, hielp dapper mede, en Raffles
bewonderde in stilte de grootmoedigheid en de karaktersterkte van deze
jonge vrouw, die blijkens haar taal en haar manieren, tot de hoogste
standen had behoord.
Sleden gleden af en aan, brachten en haalden gewonden, de
lichtstgewonden werden voorloopig verbonden en dan doorgezonden naar
het veldhospitaal.
De artillerie der Rooden was nu zoover naar voren gerukt, dat men de
kanonnen duidelijk kon waarnemen, en het zou aanstonds tijd zijn, de
verbandplaats eveneens naar voren te verleggen.
Reeds pakten helpers de noodige verbandmiddelen in, en er verschenen
genie-soldaten om den electrischen telefoondraad te verplaatsen.
Een gedeelte van het personeel zou hier achterblijven, teneinde de nog
steeds aankomende gewonden te behandelen, terwijl de vrouwelijke majoor
en de drie Engelschen met nog eenige anderen meer naar voren zouden
gaan, en daar een nieuwe post zouden inrichten in een op den vijand
veroverd onderkomen, of wellicht in een of andere verlaten boerenhoeve.
Het bleek al spoedig dat de aanval in het centrum het meeste terrein
had gewonnen.
Op den rechtervleugel, dat wil zeggen, tegenover de heuvelhelling,
waarvoor het Veertiende Regiment had gelegen, ging de vordering minder
snel, daar de tegenstander hier een zeer sterke stelling innam, en dit
gewichtige punt hardnekkig verdedigde.
Telkens renden adjudanten voorbij, die bevelen overbrachten en hun
paarden tot den grootsten spoed aandreven.
Enkele tanks kropen als groote slakken over het sneeuwveld en braakten
dood en verderf uit in de vijandelijke loopgraven.
In de lucht gromden de motoren der vliegmachines en snel achter elkaar
vielen er twee naar beneden, in vlammen gehuld....
Zonder dat er een woord gesproken werd baanden de Roode Kruissoldaten
zich een weg door het stukgeschoten prikkeldraad, en bereikten zoo de
verwoeste loopgraven van den tegenstander.
Zij vonden vrij spoedig een onderkomen uit dikke boomstammen
samengesteld met gegolfd plaatijzer overdekt en dat plaats bood voor
een dertigtal personen, waar zij haastig een nieuwe verbandplaats in
orde maakten.
Op den rechtervleugel was het geschutvuur met verdubbelde hevigheid
losgebarsten, en men kon van hier met het bloote oog duidelijk de
granaten der Rooden zien uiteenbarsten boven de loopgraven op de
heuvelhelling.
Blijkbaar was men voornemens om een uiterste krachtinspanning te
ondernemen.
Nog tien minuten van een waarlijk helsch artillerievuur—en toen zag men
hoe de soldaten, die uit de loopgraven sprongen, voorwaarts stormden,
en het volgende oogenblik als het ware door den grond waren opgeslokt.
Zij waren in de stellingen van de tegenpartij doorgedrongen.
Dadelijk werd het artillerievuur naar voren gebracht en de kanonniers
onderhielden een hevig spervuur om te beletten dat de tegenpartij
versterkingen zou aanvoeren, of een poging zou doen om de verloren
stelling te hernemen.
Telkens opnieuw zag men duidelijk de kleine zwarte figuurtjes tegen de
heuvelhelling opsnellen en dan eensklaps verdwijnen.
Een uur verstreek—en toen was de slag beslist.
Door het verliezen van den heuvel moesten de Witten ook hun centrum
achteruit brengen, en zij retireerden, en hielden niet eerder op voor
zij meer achterwaarts gelegen stellingen hadden bereikt, waar zij zich
opnieuw nestelden.
De Roode troepen waren echter door dien dag strijden zoo uitgeput, dat
er niet aan te denken viel de vervolging nog verder voort te zetten, of
de nieuwe stellingen van den tegenstander aanstonds aan te vallen.
Maar met dit al hadden de Rooden een onbetwistbaar succes behaald, al
was het ook ten koste van zware offers van dooden en gewonden.
De geheele avond verstreek met het in orde maken van de nieuwe
stellingen en pas tegen een uur of elf konden de doodelijk vermoeide
manschappen wat rust nemen.
Ook de drie Engelschen waren zeer vermoeid.
Raffles had echter aanstonds navraag gedaan naar het lot van het
Veertiende Regiment, daar dit bij den aanval zwaar geleden had en meer
dan de helft van haar effectief had verloren.
Dobrinsky was bij de bestorming gewond, maar gelukkig niet zwaar, en de
geneesheeren hadden verklaard, dat hij over acht dagen weder geheel
genezen zou zijn. Hij had een kogel door den benedenarm gekregen.
Men had hem naar de woning van het echtpaar Sykorsky vervoerd op zijn
eigen verlangen.
HOOFDSTUK VI.
EEN GEVAARLIJKE ONDERNEMING.
Raffles, Charly en Henderson waren bij elkander gebleven, en hadden een
onderkomen gezocht en gevonden in een gedeeltelijk vernielde
boerenhofstede.
Het was omstreeks half twee in den nacht toen Charly wakker schrok.
Raffles, die blijkbaar klaar wakker was, had hem aangestooten, en zeide
op fluisterenden toon:
—Het is nu tijd om te gaan, Charly!
—Wat wil je doen? vroeg Charly verschrikt.
—Kom dat weet je toch wel! antwoordde Raffles. Je weet wat ik Dobrinsky
beloofd heb. Hij is zelf gewond en kan nu niet handelen. Ik wil naar
den anderen kant oversteken.
Charly was eensklaps overeind, en fluisterde verschrikt:
—Dus dat was je ernst met dat krankzinnige voornemen. Heb je dan niet
bedacht dat de kans, dat je heelhuids terugkeert, zeer gering is.
—Al was er in het geheel geen kans, dan zou ik toch gaan, hernam
Raffles rustig.
—Dan ga ik mee! kwam Charly vastberaden.
—Neen, Charly, jij moet hier blijven, want als wij gezamenlijk gaan is
de kans dat men ons ontdekt zeker nog veel grooter. Bovendien is het
beter dat er iemand hier blijft om Dobrinsky te kunnen bijstaan als het
soms noodig mocht zijn.
—Maar neem dan tenminste Henderson mee! riep Charly wanhopig.
—Hem eerst recht niet, want hij is veel te driftig en hij zou alles
kunnen bederven!
Charly haalde met een moedeloos gebaar de schouders op.
—Ik zie het wel, zeide hij, je bent weer niet van je plan af te
brengen.
—Ik zal niet rustig kunnen ademhalen, voor je weer veilig hier bent.
—Kom, kom, het zal wel meeloopen, hernam Raffles. De tegenpartij is
natuurlijk even uitgeput van den strijd als de Rooden het zijn en de
bewaking zal zeker alles te wenschen overlaten.
Hij had de hand van Charly gegrepen, drukte die krachtig en stapte over
het lichaam van den luidsnurkenden Henderson heen.