aanval der witten plaats had, die ons het bezit van het stadje kostte,
had zij mij met dure eeden bezworen dat zij over een maand mijn vrouw
zou zijn. Ik meende op hare liefde te kunnen bouwen als op een rots.
—Nu moet ik u nog een vraag stellen, die u wellicht pijn zal doen, maar
die toch noodig is, als ik uw toestand geheel wil begrijpen:
—Weet gij zeker dat er niemand anders....?
—Niemand! riep Dobrinsky met kracht uit. Haar ouders leefden zeer stil
en zij had met weinig personen omgang, en ik had het moeten zien!
Gelooft gij zelf dat er in de eerste paar dagen van mijn ziekte een man
gekomen kan zijn, die mij uit haar hart verdreven heeft?
—Het klinkt tenminste niet zeer waarschijnlijk! antwoordde Raffles op
weifelenden toon.
—Niet waarschijnlijk? herhaalde Dobrinsky, ik zeg u dat het volstrekt
onmogelijk is.
Raffles kwam haastig eenige schreden naar hem toe, greep hem bij den
arm en riep:
—Is het onmogelijk? Ziet gij dan wel dat er iets raadselachtigs heeft
plaats gehad! Gij zegt het nu zelf, zonder het te weten, al is het dan
met andere woorden.
Dobrinsky greep zich met beide handen naar het hoofd, en waggelde
achteruit, alsof hij een knotsslag had gekregen.
—Ik begrijp het niet... Ik begrijp het niet, stamelde hij. Ik weet niet
wat gij bedoelt en wat ge mij wilt voorspiegelen. Wat gaat er in u om?
Wat vermoedt gij?
—Dat kan ik u thans niet onder woorden brengen, baron—maar voor zoover
ik het vrouwenhart doorzie, is zulk een plotselinge ommekeer
onverklaarbaar! Maar ik heb een afschuw van onverklaarbare dingen....
Hij voltooide den zin niet, maar vroeg eensklaps:
—Zijt gij in telefonische gemeenschap met Kolodoserskoi?
—Ik geloof ten minste dat de telegrafische verbinding hersteld is,
antwoordde Dobrinsky. Waarom vraagt gij dat?
—Dat zult gij spoedig genoeg vernemen! Kan ik van hier uit
telegrafeeren?
—Neen, het dichtstbij gelegen telegraafkantoor ligt op twaalf wersten
hier vandaan.
—Dan gaan wij er aanstonds heen! zeide Raffles kortaf. Ik zal bevel
geven dat men de slede inspant.
—Maar waartoe? hernam Dobrinsky dringend.
—Dat kan ik u thans nog niet zeggen, want misschien zoudt gij het mij
wel beletten.
Hij wendde zich snel naar de deur, maar juist ging deze open en een
bediende trad binnen met een brief in de hand—de zilveren
presenteerbladen van Iwan Dobrinsky waren reeds lang afgeschaft.
—Een brief voor u, Iwanowitsch! zeide hij, terwijl hij zich tot
Dobrinsky wendde.
—Een brief voor mij? kwam de baron verwonderd.
—Hij is door een militaire koerier gebracht, en hij wacht in de
vestibule of gij misschien antwoord voor hem hebt.
—Breng den man hier, en geef hem een glas heeten wijn! zeide Dobrinsky.
Terwijl de bediende wegging om het bevel op te volgen, scheurde
Dobrinsky haastig den omslag van den brief, verontschuldigde zich met
enkele woorden en begon te lezen.
En terwijl hij las werd zijn gelaat krijtwit, en hij tastte met de
linkerhand naar den tafelrand, terwijl zijn borst heftig op en neder
ging.
Toen hij den brief ten einde had gelezen, wierp hij een verwilderden
blik om zich heen, alsof hij niet wist waar hij was en vestigde dien
toen op Raffles.
—Hij had gelijk! stamelde hij heesch. Er moet iets gebeurd zijn hetwelk
ik mij niet kan begrijpen.
—Wat is er dan? vroeg Raffles haastig.
—Ilja is sedert vier dagen uit de ouderlijke woning verdwenen, en haar
ouders zijn doodelijk ongerust, en vragen mij of ik soms weet waar zij
zich bevindt!
—Daarover wilde ik telegrafeeren, zeide Raffles op ernstigen toon.
—Vermoedet gij het dan? vroeg Dobrinsky, terwijl hij Raffles bij den
arm vatte.
—Ja!
—Maar waarom dan toch?
—Omdat de tegenstander u, na u in handen te hebben gehad, weder vrijuit
heeft laten gaan!
Dobrinsky deinsde achteruit, alsof een slang hem gestoken had, en stond
een oogenblik wankelend midden in het vertrek, met beide handen boven
op het hoofd gedrukt alsof hij vreesde zijn verstand te verliezen.
Toen gaf hij een luiden schreeuw, en barstte uit:
—Groote God! Ik geloof dat ik het doorzie! De Witte troepen die hier
tegen ons strijden, staan onder bevel van majoor Michael Popowitsch.
Hij is een man van omstreeks veertig jaar, en ik weet dat hij, voor het
tot den burgeroorlog kwam, menigmaal bij de ouders van Ilja aan huis
kwam, en groot belang in het jonge meisje stelde! En die Popowitsch is
een schurk, graaf, een ellendeling die voor niets terugdeinst als het
voldoening aan zijn lage lusten betreft! Ja, nu weet ik wat er gebeurd
is! Het wordt licht in mij! Hij heeft mij twee dagen lang in zijn macht
gehad, hij wist van de verhouding tusschen mij en Ilja, en hij heeft
haar toen hij nog meester in de stad was, gedreigd dat hij mij zou
laten dooden, als zij hem niet ter wille was. En nu.... Waar is zij nu?
Wat geschiedt er met haar?
Dobrinsky had deze woorden als in een droom gesproken.
Hij staarde voor zich uit, schijnbaar zonder iets te zien, en zijn
bleekheid was nu vreeselijk.
Juist op dit oogenblik kwam de koerier binnen, maar hij was niet
alleen.
Hij kwam in gezelschap van een adjudant, een ijlbode, die zooeven met
paard en slede was aangekomen, voor den jongen kapitein salueerde, en
hem een verzegelden brief overhandigde.
Dobrinsky scheurde den brief met een enkele beweging open, vloog over
de weinige regels en liet een dof gesteun hooren.
De brief bevatte het bevel van het hoofdkwartier van den sector om zich
onmiddellijk bij zijn regiment te vervoegen hetwelk zich op dit
oogenblik te Kolodoserskoi bevond, gereed om op te rukken.
HOOFDSTUK IV.
AAN DEN VOORAVOND VAN DEN SLAG.
De order was formeel en zij moest worden opgevolgd.
Men wist in het hoofdkwartier, dat baron Dobrinsky zoo goed als genezen
was, en kon geen soldaten van zijn moed en zijn bekwaamheden missen, nu
binnen enkele dagen de groote veldslag zou plaats hebben, waarvan de
uitslag in dezen sector weleens beslissend kon zijn.
Men had daarom zijn ziekteverlof met enkele dagen ingetrokken.
Dobrinsky trad op zijn beide gasten toe, stak hun de hand toe en zeide
met trillende stem:
—De plicht roept mij, mijne vrienden, en ik moet vertrekken! Het doet
mij meer leed dan ik u zeggen kan, dat er zoo spoedig een einde komt
aan ons samenzijn. Wie weet.... later....
Maar Raffles schudde het hoofd, en zeide na een snellen blik met Charly
gewisseld te hebben:
—Meen niet, waarde Iwan, dat gij ons zoo kunt afschudden! Denkt gij dat
wij nu maar aanstonds weder naar Engeland terugkeeren? Neen! Wij hebben
andere plannen.
—Wat wilt gij zeggen, vroeg Dobrinsky.
—Luister! Het lot heeft ons nu eenmaal te midden van den vreeselijken
broederstrijd gevoerd. Ik wil en kan op dit oogenblik nog niet
beoordeelen aan welke zijde het recht is. Maar dit staat vast—er zullen
dooden en gewonden vallen, en die moeten verpleegd en verzorgd worden!
Te allen tijde heeft de Roode Kruissoldaat boven de partijen gestaan,
en daarom doen wij het aanbod, mijn secretaris, mijn trouwe chauffeur
en ik met u mede te trekken om de gewonden te verplegen.
—Gij? riep Dobrinsky verrast en ontroerd uit.
—Ja, wij. Gij zult misschien weten dat ik in de geneeskunde gestudeerd
heb, en dat komt mij thans goed van pas. Mijn secretaris is een
uitmuntend verpleger, en mijn chauffeur zou niets liever willen dan
behulpzaam te zijn bij het overbrengen der gewonden. En als er geen
bezwaar is onze hulp aan te nemen, wijl wij Engelschen zijn, dan kunt
gij over ons beschikken.
Diep ontroerd greep Dobrinsky de handen zijner twee gasten en zeide
aangedaan:
—Ik neem uw hulp uit naam der menschelijkheid aan, en ik weet zeker,
dat men in ons hoofdkwartier met graagte van uwe hulp zal gebruik
maken.
—Ik moet u er echter nog op wijzen, mijn waarde Dobrinsky, ging Raffles
voort, dat ik in zekeren zin door zelfzuchtige beweegredenen word
gedreven, hernam Raffles glimlachend. Ik wil namelijk onderzoek doen
naar Ilja.
Raffles had dit zonder eenigen nadruk gezegd, als ware het de
eenvoudigste zaak ter wereld.
Hij vervolgde:
—Gij zelf zult daar natuurlijk niet toe in staat zijn, daar gij uw post
niet kunt verlaten, maar ik, als vreemdeling, zal mij vrijer kunnen
bewegen, en ben aldus als het ware aangewezen om in uw plaats handelend
op te treden.
Voor Raffles goed en wel wist wat er gebeurde, had Dobrinsky hem aan
zijn borst getrokken en barstte in snikken uit.
—Als gij dat doet—dan ben ik u meer verplicht dan mijn leven! riep hij
uit, maar ik vrees, dat gij een onmogelijke taak op u neemt! Want als
zij het ouderlijke huis verlaten heeft, dan kan zij onmogelijk ergens
anders zijn dan achter de vijandelijke liniën—in handen van dien schurk
van een Popowitsch!
—Dat weet ik! hernam Raffles kalm. Wij zullen dus natuurlijk list
moeten aanwenden, maar ook in dat opzicht heb ik veel boven u voor,
omdat ik een vreemdeling ben, en desnoods kan voorgeven, dat ik
verdwaald ben.
—Maar daarbij stelt gij uw leven in de waagschaal!
—Nu, als het anders niet is! zeide Raffles luchtig. Dat heeft in deze
tijden en in dit land weinig te beteekenen! Zeg mij nu eens, wanneer
gij denkt te vertrekken!
—Nog hedennacht! Ik zal dadelijk last geven, mijn bagage te pakken.
—Hoe lang duurt de reis?
—Met goede paarden, omstreeks vijf uur.
—Het is nu tien uur—dan kunnen wij er dus om drie uur in den nacht
zijn. Wat ons zelven betreft, wij zijn in tien minuten reisvaardig.
Dadelijk werden de noodige bevelen gegeven, en Dobrinsky zelf hielp
mede bij het inpakken van zijn zware valies.
Hij verwisselde zijn jachtcostuum, dat hij nog niet had afgelegd, voor
een zeer eenvoudige uniform, welke slechts drie roode sterren op den
kraag als dinstinctief had, maar overigens volkomen geleek op die der
gewone soldaten, zette zijn uniformpet op en gespte zijn sabel aan.
Zijn dienstrevolver was reeds nagezien en in het valies geborgen.
Dit alles had nauwelijks een kwartier geduurd, en vóór de deur stond
reeds de slede met versche paarden te wachten, welke men aan het
telegraafkantoor door andere zou kunnen vervangen.
De koerier en de adjudant waren reeds weder vertrokken.
Dobrinsky nam afscheid van al zijn bedienden, die hem trouwhartig de
hand kwamen drukken, en liet het landgoed over aan de goede zorgen van
zijn voormaligen jachtopziener, die tevens de functie van rentmeester
uitoefende.
De maan stond hoog aan den hemel en verspreidde een zilverachtig licht
over de eindelooze sneeuwvlakte, welke de reizigers zouden moeten
oversteken.
Henderson had de teugels weder ter hand genomen en voort ging het, de
Steppen tegemoet.
Van tijd tot tijd riep Dobrinsky, die voor het overige diep in
gedachten verzonken scheen, den reus een korte aanwijzing toe
betreffende de richting, welke hij moest volgen.
De sneeuw knarste onder de ijzers van de slede, de bellen van de
paardentuigen rinkelden, en dat was, met het snuivend ademhalen der
drie paarden, het eenige geluid, dat vernomen werd.
Na een paar uur doemden heel in de verte een paar lichtjes op—die waren
van het telegraafkantoor.
Het was een houten gebouwtje, tamelijk primitief ingericht, waar drie
beambten woonden, waarvan er telkens twee tegelijk dienst hadden.
Zij zorgden niet alleen voor het doorseinen van telegrammen, maar
vervulden ook de plaats van postmeesters, die een zestal paarden
moesten verzorgen, welke dieren ter beschikking van doortrekkende
reizigers stonden.
Vooral des winters, die hier volle zes maanden van het jaar duurde,
leidden zij een hard en moeilijk bestaan, want het geschiedde wel eens,
dat een levensmiddelenconvooi in een sneeuwstorm bleef steken, zoodat
zij den hongersnood nabij kwamen.
Zelfs in het hartje van den zomer gingen er dagen voorbij, dat men
niemand voorbij zag gaan.
Maar op dit oogenblik, bij deze felle koude van bijna dertig graden
onder nul, was het posthuis een welkome veilige plaats.
De reizigers zouden zich daar wat kunnen verwarmen, terwijl de
vermoeide paarden tegen verschen werden omgewisseld.
Na ongeveer twintig minuten hield de slede voor het posthuis stil, en
een der beambten kwam met een kaarslantaarn naar buiten, om te zien wie
de reizigers waren.
Dobrinsky toonde zijn militairen pas en ook de Engelschen moesten hun
reispassen laten zien.
Vervolgens werden de vermoeide paarden uitgespannen en naar den stal
geleid, terwijl een goeduitgerust driespan hun plaats ging innemen.
De reizigers hadden aan het groote houtvuur plaats genomen en een glas
heete wijn droeg er het zijne toe bij, om de hevige koude daarbuiten te
doen vergeten.
Zij vertoefden ruim een half uur in het posthuis, waar men hen slechts
weinig inlichtingen omtrent den stand van zaken te Kolodoserskoi kon
geven en daarop werd de reis weder hervat.
De koude scheen nog toegenomen te zijn en men sprak onderweg zeer
weinig.
Zoo dicht waren de reizigers allen in hun zware pelzen gehuld, en met
reisdekens overdekt, dat zij bijna hun menschelijke gedaante hadden
verloren en op vormelooze massa’s geleken.
De damp uit de neusgaten der paarden had zich als een ijskorst op hun
hals en borst afgezet, maar de dieren draafden onverdroten voort in hun
eigenaardigen korten, maar zeer snellen draf, waarbij zij de pooten
slechts weinig kromden.
Een oogenblik waren de reizigers opgeschrikt door het gehuil van een
troep wolven in de verte, en reeds hadden zij naar hun geweren
gegrepen, maar gelukkig bleken zij boven den wind van de roofdieren te
zijn, en het gehuil stierf spoedig in de eindelooze verte weg.
Het was bijna drie uur in den nacht, toen eindelijk de lichten van het
kleine stadje opdoemden.
In het laatste half uur waren de reizigers reeds eenige malen een
wachtpost gepasseerd, die telkens nauwkeurig de passen onderzocht en
eenmaal was er alle overredingskracht van kapitein Dobrinsky toe noodig
om een soldaat der Rooden te bewegen de drie Engelschen door te laten,
die hij sterk scheen te wantrouwen.
Ook waren de uiterlijke kenteekenen zichtbaar geworden van een
verwoeden strijd, die hier niet lang geleden had plaats gehad. Half
dichtgesneden loopgraaf-prikkeldraadversperringen, grillig gevormde
stompen van stukgeschoten boomen, vernielde kanonnen, en stapels leege
hulzen van granaten en kartetsen.
Ook waren er hier en daar nog zwarte schimmen en vlekken op de
smetteloos blanke sneeuw te zien, dat waren de lijken der nog
onbegraven gevallenen.
Nu en dan waren de reizigers een huis voorbij gekomen, waarvan nog
alleen de vier muren overeind stonden met groote gaten er in, terwijl
de spanten van de stukgeschoten daken zwart tegen den helderen hemel
afstaken als de ribben van het geraamte van een gestranden walvisch.
De voorste wijken van het stadje bleken krachtig bezet te zijn en
onophoudelijk moesten nu de passen vertoond worden.
Het hoofdkwartier bevond zich in een huis op het marktplein, dat
vroeger als feestzaal had dienst gedaan in de dagen toen Rusland nog
niet door den burgeroorlog verscheurd werd.
Dobrinsky ging zich daar dadelijk aanmelden vergezeld van zijn drie
reisgenooten.
Een oogenblik vreesde hij, dat de stafofficieren zich te ruste hadden
begeven, maar de vensters waren verlicht en het bleek, dat er op dit
oogenblik krijgsraad belegd werd.
Dobrinsky moest in een soort wachtkamer met zijn metgezellen nog een
kwartier wachten en werd toen in een groot vertrek ontboden, waar tien
heeren, allen in een zeer eenvoudig uniform gestoken, sommigen nog zeer
jong, om een groote tafel gezeten waren, die met stafkaarten overdekt
was.
Dobrinsky trad op een man met een langen grijzen baard toe, die bijna
een hoofd boven de anderen uitstak, salueerde, en meldde zich present.
De andere keek hem onderzoekend aan en zeide toen goedkeurend:
—Het verheugt mij, kapitein, het verheugt mij, dat gij zoo spoedig aan
den oproep hebt gehoor gegeven. Zijt gij geheel genezen?
—Ja majoor! antwoordde Dobrinsky.
—Wij zullen u noodig hebben, mijn vriend, want alles wijst er op, dat
er over enkele dagen een hevige strijd te wachten is! De Witten zullen
er zich zeker niet in voegen, dat wij hun dit belangrijke punt weder
hebben ontnomen, maar ik zie dat gij niet alleen zijt?
Er klonk eenig wantrouwen in zijn stem, toen de majoor deze vraag deed.
—Ik vraag u verschooning, majoor, dat ik zoo vrij ben geweest drie
goede vrienden mede te brengen; zij zijn Engelschen en zeer bedreven in
het verplegen van gewonden. Zij vragen verlof om ons als Roode Kruis
soldaten te mogen helpen.
En nu deelde Dobrinsky in korte woorden mede, wie de drie Engelschen
waren en door welke omstandigheden zij zich hier bevonden.
Toen Dobrinsky geëindigd was, streek de majoor eenige malen over zijn
langen grijzen baard zonder een oog van de drie Engelschen af te
wenden.
Toen wendde hij zich tot Raffles met de vraag:
—Weet gij aan wie gij uw hulp geboden hebt, mijnheer?
—Aan de Bolsjewiki, mijnheer, antwoordde Raffles eenvoudig. Laat ik u
echter mogen zeggen, dat ik mijn hulp ook dan zou hebben aangeboden als
mijn vriend Dobrinsky toevallig tot de partij der witten hadde behoord.
—Dat is ten minste eerlijke taal! riep de majoor uit. Ik kan van u als
vreemdeling niet verlangen, dat gij aanstonds onze beginselen zult
omhelzen, van welke gij u waarschijnlijk toch een verkeerde
voorstelling maakt, wanneer ik ten minste mag afgaan op hetgeen uwe
bladen van ons en ons doel verhalen. Ik wil u niet grieven, maar die
bladen weten er niet veel van. Wij zullen echter geen tijd verliezen
met u hier over te redekavelen. Wij willen u liever van harte dank
zeggen voor uwe hulp.
—Wij doen slechts, majoor, wat ieder ander in onze plaats denkelijk ook
zou hebben gedaan, zeide Raffles eenvoudig.
—Wij zullen u een dinstinctief geven, en een pas, opdat gij u overal
vrij zult kunnen bewegen, hernam de majoor. Wendt u slechts tot mijn
adjudant, die voortreffelijk Engelsch kent. Ja, ja, mijnheer, de
Bolsjewiki zijn niet allen analphabeten, zooals men u tracht wijs te
maken, voegde hij er glimlachend aan toe. Misschien gelooft gij mij
niet, maar hier in deze zelfde stad strijdt aan onze zijde een
voormalig grootvorst mede en nu genoeg gepraat, mijne heeren. Het is
hoog tijd om ons ter ruste te begeven, want wie weet wat de dag van
morgen ons kan brengen.
De majoor was opgestaan, en nu verhieven alle stafofficieren zich van
hun zetel, salueerden en trokken zich naar hun vertrekken terug, voor
zoover zij niet elders in kwartier lagen.
Raffles, Charly en Henderson wendden zich tot den adjudant van den
majoor, die inderdaad voortreffelijk Engelsch bleek te spreken en
kregen van hem een armband van witte zijde, waarop een rood kruis van
dezelfde stof bevestigd was.
Daarop vulde hij voor ieder een pas in, en van dat oogenblik af waren
zij als Roode Kruissoldaten bij het leger der rooden in dienst gesteld.
Dobrinsky had gewacht tot deze formaliteiten vervuld waren, en zeide
nu:
—Hebt gij den adjudant reeds een nachtverblijf opgegeven. Maar hoe kan
ik zoo dom vragen, gij zijt hier natuurlijk in het geheel niet bekend.
Hij dacht even na, en riep toen op levendigen toon:
—Daar valt mij iets in. Wij zullen naar de ouders van Ilja gaan. Zij
zullen ons met open armen ontvangen.
—Om drie uur in den nacht? vroeg Raffles glimlachend.
—O, daar zullen zij niet op letten! antwoordde Dobrinsky. Zij zullen
integendeel verheugd zijn, dat zij mij zien, daar ben ik zeker van.
—Maar ons ook? ging Raffles voort.
—Zeker, mijn vrienden zullen hen welkom zijn. Er is plaats in overvloed
in het ouderwetsche, groote huis, en op deze wijze blijven wij ook in
elkanders nabijheid.
En daarop begon de tocht door het kleine stadje, naar het huis van
Sykorsky.
HOOFDSTUK V.
DE VELDSLAG.
Het was duidelijk te zien, dat men aan den vooravond van ernstige
gebeurtenissen stond.
Ondanks het nachtelijk uur trokken onophoudelijk convooien door de
nauwe straten, waarvan hier en daar de huizen door granaten waren
vernield.
Dreunend rolden de kanonnen en de kruitwagens over de hobbelige keien,
lange afdeelingen cavalerie trokken voorbij, terwijl de paardenhoeven
stampten, de sabels rinkelden en de paarden hinnikten.
Dan volgden dozijnen eetwagens, waaruit een lichte rook opsteeg, Roode
Kruiswagens, vrachtauto’s met granaten en geweeramunitie en voorts vele
sleden, beladen met proviand.
Overal heerschte de grootste orde, en het bleek Raffles al aanstonds,
dat er streng op werd gelet, dat de tucht onder het Leger der Rooden
gehandhaafd bleef.
De officieren waren slechts herkenbaar aan de kleine roode
distinctieven en aan hun sabel en revolvertasch, maar de meesten hunner
droegen ook een geweer over den schouder.
Op sommige plaatsen was het verkeer der militaire convooien zoo druk,
dat de vier mannen op een stoep moesten vluchten, om ze te laten
passeeren.
—Dat zijn alle versterkingen, welke ons uit Petrograd zijn toegezonden,
zeide Dobrinsky. Zooals gij ziet, zijn het allen jonge, krachtige
mannen, en wij hebben gegronde hoop, dat wij den slag zullen winnen en
de “witten” ver naar het Oosten terugwerpen, tot naar de
Onega-moerassen.
—Maar velen zullen van dezen strijd niet terugkeeren, zeide Raffles op
ernstigen toon.
—Zij, die sterven, zullen het voor een eerlijke zaak gedaan hebben,
riep Dobrinsky opgewonden uit.
Raffles zweeg, want hij wilde op dit oogenblik niet redetwisten over
zulk een onderwerp.
Er zou heftig gestreden worden tusschen zonen van hetzelfde volk, en
voor zoover het in zijn macht was, zouden hij en zijn beide
reisgezellen de zieken en gewonden verplegen, van beide partijen.
Eindelijk, toen het bijna half vier in den morgen was, bereikten zij de
straat waar de ouders van Ilja woonden.
Dobrinsky belde aan, maar het duurde eenigen tijd voor de deur geopend
werd door een ouden, slaperigen bediende, die zich niet bijzonder
verbaasd toonde bij het zien der militaire uniformen.
Zoo iets was hij blijkbaar gewoon.
Hij hief de lantaarn op, welke hij in de hand droeg, en had haar van
vreugde bijna laten vallen, toen hij het gelaat van Dobrinsky herkende.
Deze trad haastig binnen, door de drie Engelschen op den voet gevolgd,
en zeide op fluisterenden toon:
—Heeft mijn schellen de oude lui gewekt, Pawel?
—Neen, Iwanowitsch, zij slapen rustig.
—Wek hen dan vooral niet, zij zijn oud en morgen kunnen wij met
elkander spreken. Wijs mij en deze heeren slechts een paar kamers, geef
ons wat brood en vleesch, en ga zelf rustig weder naar bed. Ik neem de
verantwoording op mij.
Snel werd een en ander in orde gemaakt, en een kwartier later strekten
allen hun door de koude verstijfde ledematen in een warm bed uit.
Maar lang zou de rust niet duren, want reeds om acht uur in den
volgenden morgen werd er alarm geblazen......
De trompetters renden door de nauwe straten, op hun kleine snelle
paarden gezeten, en op iederen straathoek stonden zij stil, als uit
brons gegoten, brachten de trompet aan den mond en lieten het
schetterend doorklinkend signaal hooren.
En bijna tegelijkertijd begon heel in de verte het kanon te donderen.
Dobrinsky vloog het eerst overeind, trok het gordijn voor het raam
terzijde, en keek de straat door.
Daar trokken reeds de troepen voorbij, en zijn geoefend oog had
aanstonds gezien, dat de manschappen met rantsoen voor drie dagen en
met een zeer grooten voorraad geweerpatronen belast waren—men rekende
dus blijkbaar op een beslissend gevecht.
Hij keerde in de kamer terug, schoot haastig een paar kleedingstukken
aan, en bonsde met de vuist op de deur van het groote logeervertrek.
Daar achter klonk de stem van Raffles:
—Wat beteekende dat signaal?
—Het gaat er op los! Er is alarm geblazen! Ik geloof dat de anderhalve
divisie die hier gelegen hebben, naar voren worden gezonden. Hoort gij
het geschut wel?
—Ja, ik hoor het! Is dat ver hier vandaan?
—Onze artillerie-stellingen zijn op drie uren marcheerens afstand—en
dan zal het voor ons nogmaals twee uren zijn, voor wij de vuurlinie van
de infanterie bereikt hebben.
Onder het spreken had Dobrinsky haastig zijn uniform aangeschoten en
vlug toilet gemaakt.
Hij snelde naar de eetzaal, en trof daar de ouders van Ilja Sykorsky
aan, die zooeven door den ouden Pawel op de hoogte waren gebracht van
de komst van baron Dobrinsky.