Hij daalde de ladder af, die toegang gaf tot den vliering waarop zij

den nacht hadden moeten doorbrengen, en stapte voorzichtig over de

lichamen der soldaten, die in een loodzwaren slaap gezonken waren.

De hoeve had vroeger deel uitgemaakt van een klein gehucht, waarvan

echter nog slechts puinhoopen over waren.

Raffles had zich voorzien van een beddelaken, zeker het eenige stuk van

dien aard, dat vele tientallen mijlen in het rond te vinden was en

sloeg dit om, ten einde des te minder tegen de sneeuw af te steken.

Tot zijn geluk was de maan achter de wolken schuil gegaan en het was

erg donker.

Hij wierp een blik om zich heen, ten einde zich te vergewissen dat men

hem niet volgde.

Toen snelde hij weg in de richting der vijandelijke linie.

Maar spoedig bukte hij zich en kroop nu op handen en voeten voort,

gebruik makend van iederen terreinplooi en met zijn beddelaken bedekt.

Eensklaps wierp hij zich plat ter aarde en keek van onder een kleine

opening strak naar een punt op eenigen afstand aan zijn rechterhand.

Hij meende daar iets te hebben zien schitteren, het leek op het glanzen

van een bajonet.

Er moest daar dus ergens een licht of een vuur zijn door een

schildwacht ontstoken, ondanks het verbod.

Hij moest dien wachtpost ontwijken, want als men hem niet aanviel,

dacht hij er niet aan om bloed van onschuldigen te vergieten.

Hij maakte dus een grooten omweg en tot zijn geluk merkte de

schildwacht hem niet op—misschien was de man wel in slaap gevallen,

daar hij wel wist dat er voorloopig geen aanval zou volgen.

Langzamerhand werden de teekenen veelvuldiger, dat Raffles zich midden

in de vijandelijke linie bevond.

Op ongeveer een werst afstand doemden de omtrekken van een aantal

huizen op, die behoorden zeer waarschijnlijk tot het eenige dorp,

hetwelk deze verlaten streek rijk was.

Men kon er dus wel bijna op rekenen, dat het hoofdkwartier der Witten

daar gevestigd zou zijn en dat dus ook Michael Popowitsch zich daar zou

bevinden!

Zonder te aarzelen sloop Raffles verder en nog tweemalen moest hij een

wachtpost ontwijken.

Blijkbaar lag het dorp buiten de draagwijdte van het geschut, want op

eenige plaatsen brandde licht.

Toch was het zeer moeilijk er den weg te vinden en nu pas begon Raffles

in te zien welke zware taak hij vrijwillig op zijn schouders had

genomen.

Hij had het laken aan den voet van een grillig gevormden boom geborgen

en ging nu stoutmoedig voort.

Hij liep geruimen tijd voor hij werd aangehouden door een korporaal,

die hem naar zijn legitimatiepapieren vroeg.

Raffles wist zich echter uit den lastigen toestand te redden, door

botweg te verklaren, dat hij zoo juist was aangekomen en noodzakelijk

Majoor Popowitsch moest spreken.

De man wees hem een huis aan het einde van het dorp aan en Raffles kon

doorloopen. Zijn Roode Kruisband had den korporaal blijkbaar vertrouwen

geschonken en bovendien kwam het geen oogenblik bij hem op, dat deze

man, die zoo voortreffelijk Russisch sprak, een Engelschman was, die

zooeven uit de vijandelijke linies was gekomen.

Raffles voorkwam verdere ontmoetingen door zich haastig te verschuilen

zoodra hij iemand zag aankomen en eindelijk stond hij voor het huis

hetwelk de korporaal had hem aangewezen.

Het was een klein houten gebouw, zooals men ze in deze streken algemeen

aantrof en slechts het onderste gedeelte van de muren was ter hoogte

van omstreeks een meter uit steenen opgetrokken.

De deur was dicht, maar de vensters waren verlicht—blijkbaar was men

daarbinnen nog op.

En toen Raffles nauwkeurig luisterde, drongen de klanken van een lied

en van luid gelach tot hem door.

—De heeren schijnen zich hun nederlaag niet bijzonder aan te trekken,

bromde Raffles voor zich heen. Nu, dat strookt met mijn plannen! Ik mag

lijden dat de geheele staf stom dronken is! En laten wij nu eens even

ons veldtochtplan opmaken!

Raffles wierp een blik om zich heen en deze bleef gevestigd op een paar

groote voorwerpen, die even buiten het dorp zich bevonden en wel wat

geleken op reusachtige hutten.

Toen hij wat naderbij kwam, zag hij dat het tenten waren van bruin

zeildoek, aan de voorzijde geheel open en waarin blijkbaar een paar

vliegmachines waren ondergebracht.

Achter een van deze tenten was een rood schijnsel zichtbaar, blijkbaar

het schijnsel van het kampvuur.

—Wie weet kan een van die machines ons wel van pas komen, mompelde

Raffles. Het is in ieder geval goed te weten, dat ze daar zijn!

Hij wendde nu zijn blik weder naar het huis en zag tot zijn

teleurstelling, dat er een schildwacht met afgemeten schreden en het

geweer op den schouder, voor het huis heen en weder liep.

In de duisternis had hij den man aanvankelijk niet gezien, maar nu stak

zijn gestalte met geregelde tusschenpoozen scherp tegen het verlichte

venster af.

—Ik moet tot iederen prijs daarbinnen zijn, aldus zette Raffles zijn

alleenspraak voort; is het niet goedschiks, dan maar kwaadschiks.

Hij had gedurende al dien tijd verscholen gestaan in de schaduw van een

zwaren eik.

Hij liep echter gevaar, dadelijk te worden gezien, zoodra hij op de

deur toetrad en dan zou de schildwacht zeker alarm maken en alles was

verloren, want de stafofficieren zouden zich waarschijnlijk niet

evenals de korporaal met een kluitje in het riet laten sturen.

Een oogenblik stond Raffles in beraad, wat hij zou doen, toen er

plotseling iets geschiedde, waarop hij in het geheel niet gerekend had!

Toen de schildwacht weder langs het huis liep, sprong er plotseling een

man, van reusachtigen lichaamsbouw te voorschijn, die zich

waarschijnlijk verborgen had gehouden achter een stapel hout die tegen

den zijmuur van het huis was aangezet.

Zijn gestalte stak scherp af tegen het verlichte gordijn, toen hij

achter den schildwacht aansloop en Raffles zag, hoe hij bliksemsnel

zijn vuist ophief en die op het hoofd van den Russischen soldaat liet

neerkomen.

Zonder een kreet te slaken viel de man in de dikke sneeuw met het

gelaat voorover.

—Misschien een medeminnaar, die wraak komt nemen! zeide Raffles

verwonderd. Maar dan is het wel zonderling, dat de man zich alleen maar

van zijn vuist bediende!

Het geheele voorval had zoo snel plaats gehad, dat Raffles nauwelijks

begreep wat er was geschied.

Hij stond nog in beraad, wat hij zou doen, toen alweer iets anders zijn

aandacht in beslag nam.

De man die den schildwacht had overvallen, haalde een touw te

voorschijn en bond den ander met bekwamen spoed, waarbij hij met het

slappe lichaam omsprong als een kind met zijn pop.

—Maar voor den drommel, ik zou bijna durven zweren....., bromde Raffles

voor zich heen.

Hij maakte den zin niet af, maar had in een paar sprongen de straat

over gestoken.

Hij stond nu tegenover den man van het touw, die zich juist weder

oprichtte en een tevreden geknor liet hooren.

Het was James Henderson!

Raffles was wellicht zeer verbaasd, maar de reus legde volstrekt geen

verwondering aan den dag.

Het was alsof hij wist dat hij Raffles hier zou aantreffen.

Wel echter scheen hij wat verlegen met zijn houding.

Hij wreef zijn groote handen wat over elkaar en stond daar als een

schooljongen die door zijn meester op kattekwaad betrapt is.

Toen trad bij zoo dicht mogelijk op Raffles toe, en fluisterde

nauwelijks hoorbaar:

—Wees niet boos op mij, Mylord! Ik ben u gevolgd!

Raffles keek den braven reus hoofdschuddend aan, met een ongewone

schittering in zijn oogen, en zeide toen even zacht:

—Hoe wist je dan wat ik van plan was?

—Ik was wakker, Mylord!

—Je hebt je dus maar slapende gehouden?

—Ja, Mylord, ik snurkte met opzet zoo hard mogelijk!

—Maar dan heb je mij ook over je drift hooren klagen!

—Ja, en ik had mijzelf een duren eed gedaan, dat ik onder alle

omstandigheden mijn kalmte zou bewaren.

—Maar je had je voorzorgsmaatregelen toch niet zoo kunnen nemen als ik,

jij drommelsche kerel, ging Raffles voort. Je had bijvoorbeeld geen

beddelaken.

—Dat is waar, Mylord—en daarom heb ik ook maar alleen mijn vuisten

moeten gebruiken.

—Je hebt dus een ontmoeting met een der Witten gehad?

—Ja, Mylord—ik liep om zoo te zeggen met mijn neus tegen een

schildwacht aan, dien ik pas op het laatste oogenblik had gezien.

—Wat deed je toen?

—Ik sloeg den man neer voor hij van zijn geweer kon gebruik maken!

—En vervolgens?

—Vervolgens heb ik hem gebonden en een prop in den mond geduwd!

Raffles schudde opnieuw het hoofd, maar toen wendde hij zich af;

teneinde te verbergen wat er in hem omging.

—Ik smeek u om niet boos op mij te zijn, Mylord, ging de brave kerel

voort. Ik was wakker geworden door het luide spreken van mijnheer

Brand, ik wist dat gij u in doodsgevaar zoudt begeven en ik kon het

onmogelijk op die vliering uithouden, terwijl ik wist dat gij zoudt

pogen door de vijandelijke linies te komen! Ik beloof u dat ik u niet

in den weg zal loopen!

Raffles had de hand van Henderson gegrepen, en drukte ze krachtig.

Toen zeide hij:

—Je bent een brave kerel, Henderson—en je hebt mij zooeven een grooten

dienst bewezen door dezen man onschadelijk te maken. Je hebt me zeker

geen oogenblik uit het oog verloren?

—Slechts enkele malen, Mylord! Toen kreeg ik deze huizen in het oog, en

ik begreep dat gij hierheen zoudt gaan.

—Ben je hier iemand tegen gekomen?

—Ik heb alle ontmoetingen vermeden door mij snel te verbergen als ik

iemand zag.

—Nu, begin dan maar weder met je te verbergen, Henderson, want ik vrees

dat wij onmogelijk te zamen dit huis kunnen binnengaan.

—Maar wij moesten het toch in ieder geval probeeren, drong Henderson

aan. Er zijn er misschien maar weinig; wij zijn gewapend, en wij zullen

hen wel kunnen overmeesteren.

—Maar wij zullen slechts in het uiterste geval geweld gebruiken,

fluisterde Raffles, en daarom is het beter, dat ik eerst eens afluister

wat er in deze kamer gesproken wordt, misschien hebben zij het wel over

Ilja Sykorsky, daartoe zijn zij nu juist in een stemming, zou ik

meenen.

—Ik wil geen kwaad spreken van de Witte soldaten, Mylord, maar ik

geloof dat ik niet zou zingen en drinken als ze mij op mijn gezicht

hadden geslagen.

—Een kwestie van opvatting, zeide Raffles schouderophalend, en laten

wij nu maar spoedig aan het werk gaan.

De twee mannen smeten het lichaam van den nog altijd bewusteloozen

schildwacht over de sneeuw terzijde van het huis, legden het tegen den

voet van den muur, en plaatsten er schuin eenige planken en houtblokken

over, zoodat men het niet zoo gemakkelijk zou kunnen ontdekken.

Daarna slopen zij naar de achterzijde van het huis dat geheel vrij

stond en vonden daar ook een deur, die echter niet bewaakt werd.

Zij was echter op slot gedraaid, zoodat Raffles genoodzaakt was haar

met behulp van een looper te openen.

Hij duwde nu de deur voorzichtig open en keek in een flauw verlichte

gang.

Het geluid van lallende dronkemansstemmen was nu duidelijk verneembaar.

Raffles wende zich tot Henderson, bracht zijn mond zoo dicht mogelijk

bij diens oor.

—Luister nu eens goed, Henderson! fluisterde hij. Daarginds is een

diepe nis onder de trap, waar zelfs voor jouw lichaam plaats is. Je

blijft hier staan totdat ik je een sein geef, maar misschien geschiedt

er in het geheel niets, dat zal louter van de omstandigheden afhangen.

—En mag ik vragen wat gij doet? vroeg de reus.

—Onder gindsche deur schijnt licht uit, daar zitten zij zeker achter te

slempen en te brallen, ik zal eens hooren waar zij het over hebben, wie

weet is het toeval ons wel gunstig.

—Maar als zij met minder dan acht man zijn, Mylord, zouden wij hen dan

maar niet liever neerslaan, drong Henderson koppig aan.

—Je zoudt immers niet driftig zijn, Henderson, vroeg Raffles

glimlachend, ik zeg je dat we met geweld niets verder zijn, want

daardoor komen wij toch niet achter de verblijfplaats van het meisje en

dat is toch maar de hoofdzaak, nietwaar, alles goed beschouwd komen wij

toch niet hier om met den divisiestaf van de Witten te vechten.

—Dat wel niet, Mylord—maar als het er zoo tusschen door kon gaan—gaf

Henderson te kennen.

Maar Raffles had hem reeds naar zijn schuilplaats geduwd, de achterdeur

behoedzaam weder gesloten, zonder haar echter op slot te draaien, en nu

sloop hij de gang verder in, tot hij stilstond voor de deur van het

groote voorvertrek.

Hij bukte zich en bracht zijn oog voor het sleutelgat.

En daar zag hij acht officieren rondom een groote withouten tafel

zitten, waarop in het midden een reusachtige kom gevuld met punch

stond.

De officieren hadden allen een glas voor zich staan, en schenen van den

drank reeds meer gedronken te hebben, dan misschien goed voor hen was.

Het was zeker zeer warm in het vertrek, want zij hadden allen hun

uniformen opengeknoopt en lagen lui in hun stoel, ieder met een sigaret

of een pijp tusschen de lippen.

Op dit oogenblik spraken zij ongeveer allen door elkander, en een paar

officieren lachten luidkeels.

Maar toen sloeg er een man met de vuist op de tafel, gekleed in

majoors-uniform en met een gelaat vol rimpels en kleine zwarte, sluwe

oogen, een laag voorhoofd en een reeds kaal wordenden schedel.

Het werd dadelijk stil, en de man die met de vuist op tafel had

geslagen, scheen het gezag uit te oefenen over de anderen.

—En ik zeg u dat men niet behoorlijk oorlog kan voeren zonder wijn en

zonder vrouwen! schreeuwde hij. Voor den wijn is gezorgd—en ik verzeker

u dat ik ook zorg heb gedragen voor het andere! Ik heb mijn liefje hier

op geen vijf minuten gaans! Het is nu twee uur in den nacht—morgennacht

om denzelfden tijd zal zij de mijne zijn, dat heeft zij mij beloofd!

Welnu, kunt gij voor u hetzelfde zeggen?

Een luid gelach en geschreeuw volgde op deze woorden, en een jong

kapitein riep:

—Majoor Popowitsch kan ons ook op dit gebied een lesje geven,

kameraden! Wie zou dat achter hem gezocht hebben! En dat heeft niemand

onzer geweten.

Majoor Popowitsch zette een trotsche borst, en liet een hatelijk lachje

hooren.

—Ik vereenig het nuttige steeds met het aangename, want gij moet weten

dat mijn duifje tot de Rooden behoort en ik maak mij sterk dat ik nog

wel een en ander zal los krijgen. Ik ga zoo aanstonds naar haar toe,

want wie weet wordt zij zelf niet door ongeduld verteerd en bekort zij

den termijn, dien ik haar gegund heb, om zich op het groote offer voor

te bereiden!

—Mogen wij u vergezellen, majoor, riep de jonge kapitein uitgelaten.

—Geen grapjes, kapitein, riep Popowitsch uit, terwijl hij dreigend den

vinger ophief, het lieve kind is voor mij geheel alleen, en het zou den

man slecht vergaan, die het zou wagen, haar met een vinger aan te

raken!

—Maar men mag toch wel haar naam weten? riep een ander.

—Daar wil ik geen geheim van maken! riep Popowitsch met een ruwen lach.

Het lieverdje heet Ilja Petrowitsch, en zij hoort te Kolodoserskoi

thuis!

Bij het noemen van dien naam was een stilte ingetreden, want bijna alle

aanwezigen kenden de familie welke dien naam droeg. Zij hadden er

tenminste anderen over hooren spreken.

Maar hoewel menigeen zich er over verbaasde, dat de eenige dochter van

het echtpaar zich thans hier in dit dorp bevond, achter het front van

de Witten, zoo waagde toch niemand het, een opmerking te maken.

Want allen kenden den majoor en zij wisten maar al te goed, dat hij

geen gekscheren verstond in dergelijke zaken.

Raffles echter had genoeg gehoord en trad haastig in de schaduw van de

trap waar Henderson geduldig op het sein wachtte, in de hoop, dat hij

spoedig zou kunnen ingrijpen.

—Nog eenige oogenblikken, Henderson, en de officieren zullen opbreken!

zeide Raffles fluisterend.

—Laten wij hen dan gaan, Mylord? vroeg de reus verwonderd.

—Allen—op één na, vriend Henderson! antwoordde Raffles. Maar die eene

zal ons dan ook niet ontsnappen, daar sta ik borg voor!

—En het meisje?

—Daar gaat hij nu heen—en wij zullen hem volgen en aldus te weten

komen, waar hij haar verborgen heeft!

En nu bleven de twee mannen geduldig als katten wachten tot het

drinkgelag zou worden opgeheven.

Het duurde echter nog een vol half uur.

Toen werd de deur van het groote vertrek opengeworpen en er trad een

man te voorschijn, die niet al te vast meer op zijn beenen scheen te

staan.

Het was Majoor Popowitsch.

Hij liep naar de voordeur, opende ze en keek in de duisternis.

Hij uitte binnensmonds eenige vloeken, waarschijnlijk omdat hij den

schildwacht niet op zijn post vond, om hem de eerbewijzen te brengen,

en strompelde toen de duisternis in.

Aanstonds verlieten Raffles en Henderson hun schuilplaats, op de teenen

sluipend, liepen om het huis heen, en kwamen juist bijtijds, om te

zien, hoe de majoor een zijpad insloeg, dat om het dorp scheen heen te

loopen.

Zich dicht tegen de huismuren drukkend, volgden de beide mannen hem op

de hielen.

Ongeveer tien minuten later stond Popowitsch stil voor een klein huis,

geheel uit hout opgetrokken en zocht in zijn zak naar den sleutel.

—Zoodra je ziet, dat hij den sleutel in het slot steekt, sla je hem

neer! fluisterde Raffles den reus toe.

—Gij kunt op mij rekenen, Mylord! antwoordde Henderson.

Popowitsch had eindelijk den sleutel uit zijn zak te voorschijn gehaald

en stak dien in het slot.

Op hetzelfde oogenblik was Henderson bij hem en met een enkelen

vuistslag velde hij hem ter neder, zoodat de ellendeling als een blok

omviel en bewusteloos bleef liggen.

Maar ongelukkig had hij een luiden kreet geslaakt, die ver gehoord

moest zijn.

—Snel, Henderson! riep Raffles. Wie weet, heeft men dien kreet

vernomen! Wij moeten ons haasten! Houdt hier de wacht en geef het sein,

als er onraad dreigt! Ik ga naar binnen om het jonge meisje te

bevrijden!

Hij draaide den sleutel in het slot om en snelde naar binnen.

Het huis was geheel in het duister gehuld en Raffles moest op den tast

zijn weg zoeken.

Maar eensklaps hoorde hij zacht weeklagen achter een deur, welke hij

juist voorbij gegaan was.

Hij keerde op zijn schreden terug en een paar trappen deden de deur

krakend openvliegen.

Raffles stond in een klein vertrek, dat schaarsch door een kleine lamp

verlicht was.

En bij dat licht zag hij een schoon, jong meisje aan een tafel zitten,

met een klein fleschje in de trillende hand en dat nu met doodelijk

verschrikte oogen naar den vreemdeling staarde.

—Ongelukkige! Wat had gij willen doen! kreet Raffles.

Hij sloeg het fleschje met een snelle beweging van zijn hand uit de

vingers van het meisje en trok haar overeind.

—Ga dadelijk mede! beval hij. De tijd dringt! Gij zijt Ilja Sykorsky?

—Die ben ik! antwoordde het jonge meisje toonloos. Maar wie zijt gij

toch en wat wilt gij?

—Ik kom u redden van de schande en den dood! riep Raffles. Vraag niet

verder, maar volg mij! Iedere seconde toevens kan u noodlottig worden—u

en mij! Ik ben een vriend van Iwan Dobrinsky—laat u dat voldoende zijn!

Daar klonk een snerpend gefluit door den winternacht.

—Vlug! Vlug! drong Raffles aan. Dat is het sein, dat men ons gehoord

heeft!

Hij trok het meisje met zich mede, en snelde de kamer uit, de gang

door, en naar de deur.

—Het is tijd, Mylord! zeide Henderson op zachten toon. Daar komen al

mannen aan, die den kreet zeker hebben gehoord!

—Op weg dan! Er zijn hier vliegmachines buiten het dorp! Het is onze

eenige kans op redding! Aanstonds is overal alarm gemaakt!

Geheel versuft door dit plotseling gebeuren, waarvan zij zich niets kon

begrijpen, liet Ilja zich medevoeren.

Zoo snel zij konden, liepen de drie personen de straat ten einde, of

liever het pad, dat buiten het dorp voerde.

Er zou nu geen sprake meer van kunnen zijn op de zelfde wijze als zij

gekomen waren, den terugtocht te aanvaarden.

Reeds klonken achter hen de voetstappen hunner achtervolgers.

Maar daar stonden de tenten, die de reddende machines beschermden!

Zij vlogen er op toe en bereikten ze, juist toen de achtervolgers zich

over het lichaam van den bewusteloozen majoor heenbogen.

Het was hun geluk, dat de soldaten niet aanstonds begrepen wat er

eigenlijk was voorgevallen, en in het eerst meenden, dat de majoor het

slachtoffer van een wraakzuchtigen ondergeschikte of van een roover was

geworden.

Want nu konden zij de tent binnengaan en een lichte jachtmachine naar

buiten rollen, vóór de wachtpost achter de tent, uit twee soldaten

bestaande, ter plaatse was.

De mannen waren zoo verbaasd over wat zij zagen, dat zij een paar

kostbare seconden voorbij lieten gaan, alvorens van hunne geweren

gebruik te maken.

En die seconden waren voor Henderson juist voldoende geweest!

Zijn vuisten vielen als twee smidshamers op twee hoofden neer, en de

wachtposten rolden als kegels om.

Raffles had de benzinetank nagezien en tot zijn vreugde bemerkt, dat

deze niet meer behoefde te worden gevuld.

Blijkbaar stonden de machines daar gereed, om op het eerste bevel te

worden gebruikt.

Ilja, half bewusteloos, werd aan boord getild en Henderson draaide met

een krachtigen zwaai van zijn arm de schroef aan.

Het toestel kwam in beweging.

Onder een der vleugels doorduikend, heesch de reus zich in het

schuitje, juist toen onder luid geschreeuw een aantal soldaten kwamen

aansnellen, die in het wilde op de machine begonnen te schieten.

Maar reeds verhief zich het ranke toestel pijlsnel en bijna

rechtstandig in de lucht, welke in het Zuid-Oosten reeds zacht rose

gekleurd begon te worden—de kleur, welke het beste paste in deze

gelukkige omstandigheden!

Lord Lister No. 0310: Het geheim der steppen · 第 4 / 4 段