Het was nog zeer koud, maar gelukkig was de wind gaan liggen

LORD LISTER

GENAAMD RAFFLES

DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 310 HET GEHEIM DER STEPPEN.

HET GEHEIM DER STEPPEN.

HOOFDSTUK I.

RAFFLES GAAT OP JACHT.

Het was op een laten winterdag, en de zon neigde reeds ter kimme, toen

een groote slede, een zoogenaamde Troika, door drie vurige en sterke

paarden getrokken, onder luid belgerinkel stilheid voor een fraai

landhuis, niet verre van Pudoz, een vrij groote stad aan de Wodla

gelegen, welke rivier ontspringt in het Wodla-meer, en dan in

zuid-westelijke richting naar het meer van Onega vloeit, met het meer

van Ladoga het grootste van Rusland, en ten noord-oosten van Petrograd

gelegen.

Als wij van stroomen spreken, dan kan dat woord, in den tijd waarin ons

verhaal speelt, slechts in overdrachtelijken zin worden opgevat, want

meren zoowel als rivieren waren onbewegelijk—een dikke ijskorst had hun

wateren gestremd.

Reeds sedert een paar weken heerschte er een zeer strenge vorst in dit

gedeelte van Rusland en de barometer bewoog zich omtrent

vijf-en-twintig graden onder nul.

In de laatste dagen had het bovendien onophoudelijk gesneeuwd en een

zuiver witte wade overdekte het ijs dat de rivieren onbewegelijk had

gemaakt, zoowel als de eindelooze vlakte die zich ten oosten van het

Onegameer uitstrekte, en waar men, behalve eenige kleine dorpen, ver

uit elkander gelegen, slechts twee of drie plaatsen van eenig belang

aantreft.

Spoorwegen vindt men hier in het geheel niet.

Het verkeer heeft plaats met behulp van wagens in den zomer en van

sleden in den winter.

Als men van het eene dorp naar het andere wil trekken in deze woestenij

van sneeuw en ijs, dan heeft men er soms een vollen dag en meer voor

noodig, en wee den reiziger, die verdwaalt en door een sneeuwstorm

overvallen wordt of door een troep uitgehongerde wolven wordt

overvallen, die hier in het barre jaargetijde de bosschen verlaten,

welke verder Oostwaarts zijn gelegen, en naar de vlakte komen afdalen,

waar de dorpen gelegen zijn, in de hoop, dat zij daar wel voedsel

zullen vinden.

Zoodra de kleine dampende paarden stil stonden, vloog er een deur open

van het landhuis en bovenaan een soort terras verscheen een man van

krachtigen lichaamsbouw, met een fraai geteekend gelaat en gitzwart

haar dat in krullen in zijn hals neerviel, die een kreet van blijdschap

slaakte en daarop met uitgespreide armen de trede van het terras

afdaalde en naar de slede toesnelde.

Hij droeg een soort jagerscostuum van dik laken, waarvan het buis met

een zwart gelakten riem om het middel was dichtgesnoerd.

De breede kraag van een witte trui bedekte den halsboord.

De wijde broek verdween in een paar hooge kaplaarzen, die met bont

waren gevoerd en van zeer dikke zolen voorzien waren.

Het hoofd was bedekt door een muts van wit astrakan.

De man die zooeven de deur geopend had droeg een jachtgeweer met twee

loopen, hetwelk hij echter tegen de deurpost had aangezet.

Achter hem in de deuropening waren de gestalten van eenige bedienden

zichtbaar geworden.

De eigenaar van het landhuis die zooeven op de slede was toegesneld,

was Baron Iwan Dobrinsky.

Hij wendde zich tot een van de drie personen die in de slede gezeten

waren, van wie weinig meer te onderscheiden viel dan het topje van hun

neus, en riep:

—Wees welkom mijn waarde Finsbury en gij ook mijnheer Wilburn! Om u de

waarheid te zeggen dacht ik niet dat gij vandaag nog zoudt komen, want

zooals gij ziet, staat de zon op het punt van onder te gaan en het is

hier gevaarlijk reizen in een onbekende streek, nu de sneeuw alles

overdekt heeft, al blijft hier ook des nachts vooral bij volle maan die

eigenaardige schemering hangen, waardoor de poolstreken gekenmerkt

worden.

Stap spoedig uit en kom u warmen bij het vuur!

Baron Dobrinsky had zich van de Engelsche taal bediend, welke hij bijna

zonder accent sprak, hetgeen niet te verwonderen was, daar hij vier

jaren lang op een Engelsche landbouwschool en aan een universiteit had

gestudeerd.

De man die de slede bestuurd had, iemand van reusachtigen lichaamsbouw,

was reeds van den bok gesprongen en voor de drie snuivende paarden gaan

staan die met de hoeven in de bevroren sneeuw trappelden.

Hij droeg een dikken korten pels, die hem nog grooter en breeder scheen

te maken.

Na hem stapten de twee andere reizigers uit, eveneens in dikke

pelsjassen gestoken, en met bontmutsen op, waarvan de kleppen over hun

ooren waren getrokken, ten einde zooveel mogelijk beschermd te zijn

tegen den ijskouden wind.

De een was een man van omstreeks veertig jaar met heldere grijze oogen

en scherp geteekende gelaatstrekken, terwijl zijn metgezel veel jonger

was, en op het bezit van een groot blozend gelaat en lachende blauwe

oogen kon bogen.

De beide reizigers, die door Baron Dobrinsky met zooveel hartelijkheid

begroet waren, waren John Raffles met zijn trouwen vriend Charly Brand.

Het spreekt echter van zelf dat de eigenaar van het landhuis hen niet

als zoodanig kende!

De heeren hadden eenige jaren geleden kennis met elkaar gemaakt te

Petrograd, waarheen Raffles zich begeven had, slechts gedreven door

zijn lust tot avonturen, en zonder een bepaald doel, hetgeen hij zoo

menigmaal placht te doen.

De gentleman-inbreker had indertijd den naam van Graaf Finsbury

gevoerd, reizende met zijn secretaris Alfred Wilburn.

Hij had aanstonds sympathie opgevat voor den baron, die toen pas uit

Engeland was teruggekeerd en wiens liberale beginselen hem niet weinig

verrasten en de heeren hadden vriendschap gesloten en elkander de

belofte gedaan, ieder jaar eenigen tijd bij elkander te komen

doorbrengen met het doel om gezamenlijk te jagen.

Raffles op het uitgestrekte jachtterrein van Baron Dobrinsky, en deze

laatste op het landgoed hetwelk Raffles toen juist in het noorden van

Schotland gekocht had.

Ten tijde van hun kennismaking woedde de oorlog nog altijd en de val

van de Romanoffs was aanstaande—in de verte gromde het onweder van de

revolutie.

Niet dan met groote moeite was Raffles er in geslaagd zich naar

Petrograd te begeven, maar toch was hem dit gelukt.

Zoodra de wapenstilstand gesloten was, had hij zijn eerste bezoek aan

Dobrinsky gebracht, en deze was den daarop volgenden herfst naar

Schotland gekomen.

Hij had nu zijn beide gasten krachtig de hand gedrukt, en hun ieder

onder den arm genomen, terwijl James Henderson, de trouwe chauffeur van

den Grooten Onbekende, de geweren uit de slede had genomen en daarmede

het terras op ging.

Toen de reus de wapens in de ruime, goed verwarmde vestibule op een

bank had neergelegd, en zich weder wilde verwijderen, riep Baron

Dobrinsky hem toe:

—Zoodra gij de paarden gestald hebt, komt gij naar de groote zaal, om u

bij het houtvuur te warmen, mijn vriend!

Henderson bleef staan, en wierp zijn meester een vragenden, verbaasden

blik toe.

Ook Raffles had even verwonderd naar het bleeke, een weinig

zwaarmoedige gelaat van zijn gastheer gekeken.

Hij kende diens vrijzinnige beginselen, maar hij had toch nog nimmer

gehoord, dat hij de bedienden toestond in de groote zaal te verschijnen

teneinde zich daar bij het vuur te komen koesteren.

—Ik weet niet of de graaf...... stamelde Henderson verlegen.

—Als mijnheer de baron het vraagt is het natuurlijk in orde, James,

zeide Raffles glimlachend.

Henderson kwam even aan zijn bontmuts, en begaf zich daarop weder naar

de kleine, langbehaarde paardjes, die als het ware voorbestemd zijn om

uren lang bij de bitterste koude een zware slede over de sneeuw voort

te trekken.

In de vestibule was het heel wat beter dan daarbuiten, want in een

reusachtige schouw brandde een geweldig vuur van houtblokken! Daarom

heen zaten een aantal zwijgende mannen, waarin Raffles en Charly Brand

aanstonds eenige Moejiks herkenden, dat wil zeggen Russische boeren.

Zij waren allen op dezelfde wijze gekleed, in een soort wollen wambuis,

dat bijna tot aan de knieën reikte en met een breeden lederen riem om

het middel was bevestigd.

Aan dien riem hing, in een lederen schede gestoken, een breed en sterk

mes met een hoornen heft.

De wijde broeken, eveneens van een wollen stof, verdwenen in vetlederen

kaplaarzen.

Deze mannen hadden ternauwernood even omgezien toen de vreemdelingen

binnen kwamen, en staarden nu weder in de rossige vlammen van het

houtvuur.

Dobrinsky had Raffles glimlachend aangezien, en zeide nu op zachten

toon:

—Het verwondert u misschien een weinig dat ik mijn boeren toe sta in de

vestibule van mijn landhuis te komen en zich daar te warmen!

—Om u de waarheid te zeggen, wist ik niet dat het de gewoonte was! kwam

Raffles.

—O, gij zult u nog wel over meer dingen verbazen, daar ben ik zeker

van, hernam Dobrinsky glimlachend. Laat ik u om te beginnen maar zeggen

dat gindsche boeren zich niet in mijn huis, maar in het hunne bevinden!

Dat wil zeggen—in het onze! Zij zijn dus in zekeren zin evengoed uw

gastheeren als ik het ben.

—Ah, nu begrijp ik het, hernam Raffles glimlachend, terwijl hij zijn

stem liet dalen, het zijn Bolsjewiki en zij hebben u uw huis ontnomen.

Baron Dobrinsky schudde het hoofd en antwoordde:

—Het eerste is juist, maar wat het tweede betreft vergist gij u! Zij

hebben mij mijn huis niet ontnomen,—ik heb het hun geschonken! en niet

alleen mijn huis, maar ook al mijn bezittingen.

Deze mededeeling had Raffles zeker niet verwacht.

Hij wist dat Iwan Dobrinsky reeds jaren geleden door zijn adellijke

vrienden met een scheef oog werd aangezien, omdat hij, naar zij zeiden,

socialistische denkbeelden aankleefde, maar dat hij zich zoo kalm zou

schikken in zulk een staat van zaken als deze, dat verbaasde hem wel

een weinig!

Maar hij zou spoedig nog meer reden tot verwondering krijgen!

—Wat hebt gij zelf dan overgehouden? vroeg Raffles zachtjes, terwijl

hij en Charly met hun gastheer de breede trap opgingen ten einde zich

naar hun logeerkamer te begeven.

—Wat ik heb overgehouden? Niets—en alles! Ik deel het nu met een paar

honderd anderen—en toch kan ik volstrekt niet merken dat ik minder heb

dan vroeger!

—Maar dan zijt gij......!

—Bolsjewiek! vulde Dobrinsky den zin rustig aan. Ik zie met genoegen

dat gij van mijne mededeeling niet schrikt zooals vele anderen zouden

hebben gedaan, want helaas maakt men zich in Westelijk Europa een

volkomen verkeerde voorstelling van ons! Men beschouwt ons daar als

weinig beter dan wilde beesten, die in bloed waden, en die zich aan

allerlei vreeselijke misdaden schuldig maken! Men wil het schoone in

onze beginselen niet zien, en men let alleen op de noodlottige

uitwassen, die nu eenmaal het onvermijdelijk begeleidingsverschijnsel

zijn van iedere omwenteling! Ik zeg u dat de revolutie in Rusland niet

te vergelijken is met de groote Fransche Juni-Omwenteling, en wat daar

twee dagen lang op volgde! Zeker, het grauw heeft zich hier en daar aan

zware misdrijven te buiten gegaan,—maar men mag nimmer vergeten dat de

vroegere maatschappij zelve dat grauw gekweekt heeft! Gelooft gij dat

ooit deze allerlaagste stand had kunnen ontstaan, als er steeds

voldoende arbeid, voldoende onderwijs, voldoende voedsel en een goede

woning voor allen was geweest, voor allen zonder onderscheid?

Raffles gaf geen antwoord op deze rechtstreeksche vragen, ofschoon dat

zeker ontkennend had moeten luiden, zoozeer was hij verwonderd over

dezen ommekeer in een Russischen edelman.

—Ik geloof, dat ik weet wat er in u omgaat! vervolgde Dobrinsky

glimlachend. Gij denkt met een gek te doen te hebben of minstens met

een zonderling, met een uitzondering op den regel. Laat mij u dan

zeggen, dat er duizenden Russische edellieden zoo denken als ik! Hoe

vreemd klinkt het ons Russen in de ooren als gij Westerlingen meent dat

het leger der Bolsjewiki is samengesteld uit het laagste gespuis! Maar

is het u dan ganschelijk onbekend, dat er in de gelederen van het Roode

Leger professoren, hoogleeraren, studenten, en ook duizenden edellieden

van den hoogsten rang meestrijden? Gelooft gij dat dit mogelijk zou

zijn als de zaak waarvoor zij strijden, niet schoon en edel ware?

Raffles zweeg, niet omdat hij geen antwoord kon geven op deze vraag,

maar omdat hij nog altijd nadacht over de evolutie, die zich voltrokken

had in het gemoed van dezen edelman, den spruit een der rijkste en

invloedrijkste geslachten van geheel Rusland.

Toen zij voor de deur van een der logeerkamers stonden, en op het punt

waren binnen te gaan, vroeg Raffles: En hebt gij zelf ook mee

gestreden?

Dobrinsky knikte en zeide op ernstigen toon:

—Ik heb meegestreden als kapitein; ik ben een maand geleden ernstig

gewond, en pas dezer dagen weder hersteld! En mijn boeren hebben mij

verpleegd met een liefde en zorgvuldigheid die mij nu nog de tranen uit

de oogen perst.

—Dat brengt mij de vraag op de lippen, waarde baron, of gij nog steeds

niet aan trouwen denkt, vroeg Raffles glimlachend.

Iwan Dobrinsky legde de hand met een plotselinge beweging op het hart,

en zijn bleek gelaat vertrok zich even krampachtig.

Zijn stem klonk heesch toen hij zeide:

—Spreek daar thans niet over! Later—later zal ik u misschien mededeelen

wat er met mij geschied is.

Raffles wierp een snellen, onderzoekenden blik op het gelaat van den

gastheer en hij zag daarop een smart die bijna niet te verduren scheen.

Hij legde even zijn hand op den schouder van den baron en trad toen de

logeerkamer binnen, waar een heerlijke warmte heerschte, uitgestraald

door de groote steenen kachel, die in een hoek van het vertrek stond.

—Nu moet ik u nog zeggen, waarde gasten, dat volgens uw opvatting de

bediening nog al wat te wenschen zal laten, want in deze streek zijn er

geen bedienden meer, tenminste niet meer in de beteekenis die men in

Westelijk Europa aan dat woord hecht! Een voor een doen mijn boeren—of

liever die hier op dit landgoed den grond bewerken, het noodige om het

huis in orde te houden.

—En wie kookt er voor nu? vroeg Charly nieuwsgierig.

—Een kok en een keukenmeid—maar zij worden behandeld op den voet van

volkomen gelijkheid, antwoordde Dobrinsky. De bedienden eten

gezamenlijk in onze eetkamer.

—En hoe gaat dat toe in uw huis in Pudoz, vroeg Charly verder.

—Juist op dezelfde wijze, mijn waarde heer Wilburn, antwoordde

Dobrinsky glimlachend, daar heb ik nog huisknechts, maar zij worden

goed betaald; zij hebben een goed vertrek, zij kunnen over veel vrijen

tijd beschikken, zij hebben hun boeken, hun eigen leeskamertje dat zij

trotsch hun “Bibliotheek” noemen; in het kort, zij hebben een

menschwaardig bestaan.

Raffles en Charly waren het logeervertrek binnengegaan, waar twee

bedden stonden en hadden hun zware pelzen afgelegd.

De zon was reeds onder gegaan en bijna tegelijkertijd was de

eigenaardige schemering ingetreden, welke op deze breedte in de plaats

treedt van den avond en van den nacht.

Van uit het venster hadden zij het gezicht over den moestuin, over de

akkers en verder over een eindelooze vlakte, terwijl de horizont was

afgesloten door een bosch van pijnboomen, waarachter nog een rossige

gloed zichtbaar was, daar, waar de zon zooeven was ondergegaan.

Het vertrek bezat een grooten erker, en vandaar kon men, hoewel

onduidelijk, den loop van de Wodla volgen.

Eenige dagen geleden was het ijs gaan kruien, en er hadden zich op

sommige plekken grillig gevormde ijsbergen opgestapeld, samengesteld

uit ruwe ijsschotsen, met scherpe kanten en waarop de zon des daags een

schitterend kleurenspel tooverde.

De hemel was in enkele oogenblikken diep blauw geworden en de sterren

schitterden met buitengewonen gloed.

Het zou zeker een prachtige nacht worden, een van die geheimzinnig

schoone nachten, waaraan noordelijk Rusland zoo rijk is.

Dobrinsky had zwijgend even voor een der vensters gestaan en scheen

geheel vergeten te zijn waar hij zich bevond.

Eensklaps wendde hij zich om, wreef zich over het hooge voorhoofd,

streek eenige malen over zijn zwart glanzend haar, en zeide toen:

—Wij zullen, als gij het goed vindt, morgen vroeg op jacht gaan! Er

zijn beren in den omtrek gezien naar den kant van het bosch. Hebt gij

lust om eens uw kracht met hen te meten?

—Ik verlang niets liever! antwoordde Raffles. Ik wist echter niet, dat

de beren zoo dicht de bewoonde plaatsen durfden naderen!

—O ja, des winters doen zij dat zeker! Zij komen dan van het gebergte,

waarvan gij de toppen nog juist even in het Zuid-Oosten kunt zien

opsteken en waar de groote moerassen van de Mocha in het Westen

afsluit.

—Ik behoef zeker niet te vragen of het gevaarlijke heerschappen zijn,

vroeg Charly.

—Zeer gevaarlijk, mijn waarde Wilburn! antwoordde Dobrinsky. Zij zijn

groot van stuk; zij zijn van nature woest, en zij zijn al even

uitgehongerd als de wolven! Ik zou u dan ook niet raden mis te

schieten—want zij zijn vlugger dan gij denkt! En nu zal ik u maar even

alleen laten, men zal u aanstonds uw bagage komen brengen. Ik heb een

logeerkamer voor uw bediende naast de uwe in orde laten maken, vindt

gij dat goed?

—Uitstekend, mijn waarde baron! antwoordde Raffles. Ik ben zeer gehecht

aan mijn trouwen James en ik heb hem steeds liefst in mijn nabijheid!

—Wel, dan zijt gij ook reeds bijna een Bolsjewiek! hernam baron

Dobrinsky, met de kruk van de deur in de hand. Toen hij het vertrek

verlaten had, keek Raffles zwijgend naar de gesloten deur, en wendde

zich toen tot Charly, terwijl hij op zachten toon en met een vreemden

glimlach om de lippen zeide:

—Hij moest eens weten dat hij bijna gelijk heeft!

HOOFDSTUK II.

HET GEVECHT MET DE BEREN.

Het bleek al spoedig dat de gastheer van de beide vrienden niets te

veel had gezegd van zijn beginselen.

In de groote gemeenschappelijke zaal, waar duchtig gestookt moest

worden om ze warm te houden, troffen Raffles en Charly een dertigtal

Moejiks aan, die zich daar zeer op hun gemak schenen te gevoelen, en

waar van er een aantal uit korte steenen pijpjes rookten.

Zij allen hadden het type van den Russischen boer van deze streek, die

in ontwikkeling vrij wat hooger staat dan de boer uit Centraal-Rusland,

die het weer wint van zijn makker in het onherbergzame Siberië, hetgeen

een natuurlijk gevolg is van de omstandigheid, dat de Wit-Russische

boer dichter in de nabijheid der groote steden woont, terwijl de

Klein-Rus maar al te vaak zelfs niet weet hoe een spoortrein er uit

ziet en door zijn volmaakte afzondering nog altijd in duistere

afzondering voortleeft, zonder onderwijs en zonder de kleinste

geneugten des levens, in eeuwig durenden strijd gewikkeld met een

meedoogenloos klimaat en met een koude, waarvan men zich ten ontzent

geen voorstelling kan vormen.

Zij spraken slechts zeer weinig en sommigen hunner sliepen, die het

dichtst bij het vuur gezeten waren.

Raffles, die zeer goed Russisch sprak, knoopte met eenigen hunner een

gesprek aan, en het verraste hem, dat hij in deze boeren een begin van

beschaving kon ontwaren.

Wat hun tegenwoordige positie betreft—die schenen zij als de

natuurlijkste zaak der wereld te beschouwen.

De gasten werden door twee der boeren bediend, die zich van hun taak

met groote handigheid kweten.

Er verscheen een reusachtig stuk vleesch op de tafel, brood, groenten

en vervolgens een soort meelsoep, terwijl vruchten, geconfijte dadels

en schapenkaas het dessert vormden.

Het was een zeer eenvoudig, hoewel voedzaam maal, en in vroeger jaren

zou zeker geen Russisch edelman er genoegen mee hebben genomen, zelfs

niet in zijn landhuis in de sneeuw.

De boeren zaten in dezelfde groote zaal en aten volmaakt hetzelfde.

Dien avond brachten de drie heeren in een ernstig gesprek door, waarvan

bijna alleen de nieuwere denkbeelden en de vreeselijke strijd om de

macht in Rusland het onderwerp vormden.

En Raffles en Charly kwamen tot de overtuiging, dat men in Westelijk

Europa al zeer slecht en onvolledig was ingelicht omtrent den waren

aard der Bolsjewiki, dat inderdaad niets anders bleek te zijn dan de

uiting van een wil, die voor ieder schepsel een behoorlijk bestaan

mogelijk wil maken.

Maar gedurende dit gesprek waren de gedachten van den gastheer enkele

malen afgedwaald, en dan was hij telkens, als het ware met een schok,

weder tot de werkelijkheid terug gekomen.

Het was duidelijk, dat de gedachten van Dobrinsky door iets pijnlijks

in beslag werden genomen.

Raffles dacht er echter geen oogenblik aan, naar de reden van die

afgetrokkenheid te vragen, daar hij niet onbescheiden wilde zijn.

Men begaf zich vroeg ter ruste, daar de drie reizigers nog vermoeid

waren van den langen tocht van Pudoz door de sneeuw naar het landhuis

van hun gastheer, en omdat zij den volgenden morgen vroeg weder zouden

moeten opstaan.

Om tien uur was alles in het huis in diepe rust.

Den volgenden morgen werden Charly en Raffles gewekt, doordat een

stralende zon door de vensters in hun kamer scheen.

Het beloofde een heerlijke dag te worden, ofschoon de koude nog even

fel was.

Hun gastheer wachtte hen in de groote zaal, waar het vuur reeds weder

was aangelegd.

Hij stak hun beiden de hand toe en zeide:

—Wij zullen dadelijk na het ontbijt vertrekken en mondvoorraad

medenemen, want wij moeten vrij ver—tot het bosch en nog verder, tot

bij den voet der bergen, waar de beren hun holen hebben.

—Maar heb ik mij niet laten vertellen, dat er hier in de buurt nog niet

lang geleden gestreden is tusschen de Rooden en de Witten? vroeg

Charly.

—Dat is inderdaad het geval! antwoordde Dobrinsky op ernstigen toon. Er

is met afwisselend succes gevochten bij Kolodoserskoi, op veertig

wersten hier vandaan. Daar ben ik ook gewond. Eerst werden de onzen

teruggedreven, en moesten wij wijken voor de overmacht, maar later

kregen wij versterkingen en konden wij het prijs gegeven terrein en ook

het kleine stadje, dat ik zooeven noemde, weder terug nemen. Het ging

er warm aan toe, dat verzeker ik u!

Dobrinsky had dit laatste op doffen toon gezegd, en een diepe rimpel

ploegde nu zijn hoog voorhoofd.

—Gij kunt u niet voorstellen, wat het zeggen wil, bij deze vreeselijke

temperatuur te strijden! Bedenk, dat wij hier en daar juist zoo zijn

ingegraven als in het begin van den wereldoorlog, en dat onze mannen

daar dagen, soms weken, in dezelfde stellingen moeten vertoeven!

—Ja, dat moet wel veel eischen van het lichamelijk en vooral van het

moreel uithoudingsvermogen der strijders! zeide Raffles nadenkend. Maar

ik blijf het verschrikkelijk vinden, dat zonen van één volk elkander op

deze wijze vernielen!

—De schuld is niet aan ons! riep Dobrinsky uit, terwijl zijn donkere

oogen fonkelden, en hij zich in zijn volle lengte verhief. Wat wij

willen, is goed en edel en er had geen druppel bloed behoeven te

vloeien, als de rijke egoïsten en de militaristen het niet anders

gewild hadden!

—Maar hoe lang kan dit nog duren? riep Charly uit.

—Zoo lang, tot wij overwonnen zullen hebben, mijnheer Wilburn! riep

Dobrinsky met trillende stem. En als gij meent, dat deze strijd tot

Rusland alleen beperkt zal blijven—dan vergist gij u! Neen, de strijd

om een menschwaardig bestaan zal de geheele wereld aantasten—en niet

alleen de arbeiders, geloof dit maar vrij!

Er volgde een vrij langdurig stilzwijgen op deze op hartstochtelijken

toon uitgeroepen woorden.

Toen wreef Dobrinsky met dezelfde beweging, welke de beide vrienden den

vorigen dag reeds bij hem hadden opgemerkt, over zijn voorhoofd, en

hernam op geheel anderen toon:

—Kom, vrienden! Wij willen ons nu aan het jachtvermaak wijden! De

zorgen zijn voor andere tijden en daarmede mag ik u, Westerlingen, niet

lastig vallen!

Men ontbeet stevig, en daarop werden de geweren nagezien, de tasschen

met munitie werden omgehangen en men begaf zich naar buiten, waar de

groote slede, die aan Dobrinsky toebehoorde, reeds gereed stond.

Henderson zou aan de jacht deelnemen, ofschoon hij niet van een geweer

voorzien was, en bovendien ging nog de voormalige jachtopziener van den

baron mede.

Want iedereen had thans het recht op beren te jagen in het jachtgebied,

dat weleer alleen aan den baron behoorde.

In de slede waren reeds de noodige eetwaren gestapeld, benevens een

mand met lepels, glazen, een theekan, een flesch met rum en andere

zaken, welke men zou noodig hebben, daar de jacht zeker den geheelen

dag zou duren.

De jachtopziener, Nicolai Petrowitsch geheeten, zou de drie paarden

besturen, welke de slede trokken.

Het was nog zeer koud, maar gelukkig was de wind gaan liggen en men

voelde er dus veel minder van, terwijl de jagers bovendien van top tot

teen in het bont waren gestoken.

Onder vroolijk belgerinkel ging de slede op weg, en volgde een

noord-oostelijke richting.

De koetsier moest wel zeer goed bekend zijn in deze streek, want er

viel niets meer te bespeuren van den weg, die met de omliggende akkers

en weiden één geheel vormde.

De slede volgde eenigen tijd de oevers van de Wodla, en waar de

toestand dit veroorloofde, gleed zij over de gladde ijskorst, die het

water van den stroom bedekte.

De zon speelde op de ijsrotsen langs den oever en tooverde er de

schoonste kleuren op.

Hoog in de blauwe lucht waren een paar raven zichtbaar.

En dat was het eenige teeken van leven in deze witte woestijn.

—Ditmaal zijn het levende vogels! zeide Dobrinsky, terwijl hij naar

boven wees. Maar het komt ook wel eens voor, dat wij hier mechanische

vogels te zien krijgen—en die loeren niet op aas, zooals die raven daar

boven ons, maar op levende wezens.

—Gij bedoelt, dat de strijdende troepen hier van vliegmachines gebruik

maken? vroeg Charly.

—Ja. Maar de Witten hebben er veel meer dan wij, helaas! Men heeft ons

echter uit het hoofdkwartier luchtversterkingen beloofd, welke wij

ieder oogenblik verwachten—en dan beginnen wij een groot offensief, om

den tegenstander hier uit de streek te verdrijven.

—Gij praat steeds van “wij”, mijn waarde baron! zei Raffles

glimlachend. Zijt gij dan van plan, aan dat offensief deel te nemen?

—Ongetwijfeld! antwoordde Dobrinsky. De geneesheer, die mij in het

landhuis bezocht heeft, verklaarde mij eergisteren, dat ik over enkele

dagen weder naar het front zou mogen vertrekken.

—Maar dan zijn wij u lastig komen vallen! riep Raffles uit. Wij mogen u

niet terughouden van wat gij nu eenmaal als uw plicht beschouwt, en wij

zullen zoo spoedig mogelijk weder terugkeeren!

Dobrinsky hief met een afwerend gebaar de hand op.

—Gij weet heel goed, hoe welkom mij uw beider bezoeken steeds zijn!

hernam hij. Gij blijft een week hier, en dan ga ik. Maar het behoeft u

slechts één woord te kosten, en gij kunt over mijn landhuis beschikken

alsof het van u zelf was!

—Dat is zeer vriendelijk van u, mijn waarde Dobrinsky! zeide Raffles.

Maar wij mogen uw aanbod niet aannemen!

De slede gleed intusschen bijna geruischloos over de hardbevroren

sneeuwlaag.

Men hoorde niets dan het rinkelen van de zilveren bellen der tuigen,

het gekraak van het leder en het gesnuif der paarden.

De tocht werd gedurende drie uur onafgebroken voortgezet, en het bosch

was nu zeer dichtbij.

Gedurende dien tijd was men eenige malen kleine troepentransporten

voorbij gekomen, die alle van sleden gebruik maakten, ook om de zware

kanonnen te vervoeren.

Een wagen zou zeker tot over de assen in de dikke sneeuwlaag zijn

gezonken.

Telkens moest dan Dobrinsky zijn verlofpas toonen en verklaren, wat hij

hier deed.

Want wel was men hier buiten de eigenlijke gevechtszone, maar toch

binnen het operatiegebied.

Ook de beide vreemdelingen en hun bediende moesten hun passen laten

zien, en somtijds trof hun een sombere blik van wantrouwen en haat, als

men daarop het woord “Graaf” las.

En eensklaps, toen zij nog maar een paar wersten van het bosch

verwijderd waren, ving het oor der jagers een dof geluid op......

Het was het dreigend gebonk van het kanon.

Henderson had de paarden ingehouden en keek vragend om.

—Gij kunt wel doorrijden, mijn vriend! zeide Dobrinsky. De limiet loopt

van het noorden naar het zuiden op deze plek, en wij zijn er zeer ver

van verwijderd. Slechts de klare lucht en het volkomen gemis aan huizen

en boomen op deze eindelooze vlakte doet ons het artillerievuur zoo

duidelijk vernemen!

De slede kwam weder in beweging en van dit oogenblik af, zou het dof

gedreun van het geschut de jagers voortdurend vergezellen.

Aan den zoom van het bosch werd halt gehouden en de eetwaren werden

ontpakt.

Men zou hier een vuur aanleggen en den maaltijd gebruiken.

Petrowitsch en Henderson maakten van takken een groot vuur aan en

zetten thee.

De sneeuw leverde water genoeg!

En daarop zetten de mannen zich aan den maaltijd, oogen en ooren goed

open, want zij bevonden zich thans aan den voet van het gebergte, en

het was hier zeer goed mogelijk, dat er zich uitgehongerde beren in den

omtrek bevonden.

Iedereen hield dus zijn geweer gereed, en onder het bereik van zijn

hand.

De maaltijd was spoedig geëindigd en omstreeks één uur begaven de

jagers zich weer op weg, dwars door het bosch heen, waarvan de boomen

wijd uiteen stonden, zoodat zij er op verren afstand van de slede

gebruik konden maken.

Hier en daar waren nieuwe sporen in de sneeuw zichtbaar, welke

aanstonds door Petrowitsch werden herkend—het waren afdrukken van

berenklauwen!

Het bosch liep voor een deel tegen de berghelling op en men moest hier

de uiterste voorzichtigheid in acht nemen.

Men bevond zich dicht in de buurt van een groote houthakkershut, die

thans onbewoond was, en waarbij een stal behoorde, waar de drie paarden

onder dak konden worden gebracht.

Zij werden uitgespannen en kregen een flink voer hooi, waarop de

staldeur stevig werd gesloten, zoodat de paarden niet zouden kunnen

uitbreken, en er ook geen beren of wolven in zouden kunnen doordringen.

Voor de koude behoefde men niet bevreesd te zijn, want de kleine

Russische Steppen-paarden zijn zóó gehard, dat het al bijzonder sterk

moet vriezen vóór zij er eenigen hinder van ondervinden.

Te voet gingen de vier mannen thans verder, en zij volgden het spoor

van de berenklauwen.

Nu en dan schudde Petrowitsch, de jachtopziener, het hoofd en bromde

binnensmonds:

—Wij zijn nu op de berenjacht—maar wij konden wel eens meer van die

zoolgangers ontmoeten dan waarop wij gerekend hebben! Dit spoor is niet

van een enkelen beer, maar minstens van drie of vier—misschien wel

meer!

De jagers volgden het spoor nog eenigen tijd, met de hand aan den

trekker van het geweer, toen hun oor eensklaps getroffen werd door een

luid gebrul, dat zich vlak in hun nabijheid deed hooren.

Zij richtten de blikken naar alle kanten, maar er was volstrekt niets

van een verscheurend dier te zien.

Rechts van hen verhief zich een rotswand bijna loodrecht omhoog, en

links breidde zich het bosch uit.

Maar toen zij voorzichtig nog een paar passen deden, kwamen er

eensklaps vier beren als bij tooverslag te voorschijn!

De roofdieren hadden hier zeker hun holen, en kwamen met waggelenden

gang en zeer snel een soort bergpad afdalen, niet breeder dan een meter

ongeveer, en dat de jagers nu pas ontdekten.

Aanstonds brachten Raffles en Charly hun geweer aan den schouder en

drukten af.

Maar zij hadden blijkbaar op denzelfden beer gemikt, want slechts één

van de monsters stiet een gebrul uit, dat door den rotsmuur weerkaatst

werd, en stortte toen stuiptrekkend van het pad omlaag.

De andere drie echter lieten zich niet ophouden en kwamen snel

naderbij.

Dobrinsky legde op zijn beurt zijn buks aan en schoot.

Hij verwondde één der beren, maar niet doodelijk, want het dier bleef

hevig brullend en aan den schouder bloedend, voortgaan.

Raffles had zijn geweer snel weder geladen en mikte nu zeer zorgvuldig

tusschen de oogen van het dier. Hij drukte af, en het monster stortte

doodelijk gewond neder—de kogel had het juist in den loggen kop

getroffen!

Maar het gevaar was nog niet geweken—integendeel, het werd grooter—want

daar vertoonden zich op het pad nog twee reusachtig groote bruine

beren, die door het schieten en de lucht van het bloed uit hun holen

waren gelokt.

—Het is waarlijk een heel gezelschap! riep Charly uit, die opnieuw

geladen had.

—Ik heb het u wel gezegd, mijnheer! riep Petrowitsch uit, die nu snel

zijn geweer aan den schouder bracht en vuur gaf.

Eén der beren viel neder, maar richtte zich weder op en kwam dreigend,

op de achterpoorten loopend, op Raffles toe, die door dezen

onverwachten aanval verrast werd, juist toen hij bezig was zijn geweer

opnieuw te laden.

De beer greep het wapen bij den loop, vatte het in zijn beide machtige

klauwen en brak het door midden, met evenveel gemak als hij het met een

boomtak zou hebben gedaan.

Daarop liet het ondier de beide stukken van het wapen vallen en stortte

zich op Raffles.

Het volgend oogenblik zou de beer hem de hersens verpletterd hebben of

hem tusschen zijn geweldige pooten hebben doodgedrukt, toen plotseling

Henderson, die zijn meester niet uit het oog had verloren, zich

tusschen Raffles en den beer plaatste.

Hij was slechts gewapend met een breed jachtmes, maar hij aarzelde geen

seconde.

Hij greep den beer met de linkervuist in den strot en plonsde hem met

de rechterhand het jachtmes door de borst.

Het doodelijk gewonde dier vatte Henderson beet, en man en dier rolden

om en om door de sneeuw, waarbij de klauwen van het dier den lederen

pels, welken Henderson droeg, aan flarden reet.

Maar het bloedverlies had het monster spoedig uitgeput; zijn greep

verzwakte en zijn sterke pooten lieten hun slachtoffer los.

Hijgend richtte Henderson zich overeind, met een diepe krab over de

borst, welke de beer hem door al zijn kleederen heen had toegebracht,

maar voor het overige was hij ongedeerd.

De anderen hadden niet op den afloop van deze worsteling gewacht, daar

zij anders allen zeker gedood zouden zijn.

Charly en Dobrinsky hadden zoo snel zij konden hun geweer opnieuw

geladen, en twee welgerichte schoten doodden op slag twee van de beren.

De laatste, blijkbaar verschrikt, maakte rechtsomkeert, en koos het

hazenpad.

Men zond hem nog een paar kogels achterna, maar het dier wist zijn hol

te bereiken, waar men hem slechts zeer moeilijk zou kunnen volgen, want

het bergpad was zeer smal en steil, en men zou het niet anders kunnen

begaan dan achter elkander loopend.

Men bemoeide zich allereerst met Henderson, die zich echter zoo spoedig

mogelijk aan deze zorg trachtte te onttrekken, daar de schram, volgens

hem, volstrekt niets te beteekenen had.

Raffles echter was op hem toegetreden en drukte den braven kerel

krachtig de hand, terwijl hij hem diep in de oogen keek, en op zachten

toon zeide:

—Eens te meer heb je mij het leven gered, Henderson! Ik dank je

daarvoor.

—Laten wij daarover zwijgen, mylord, want als ik de keeren ging

optellen, dat gij mij het leven hebt gered, dan zoudt gij het zeker

winnen! Het zou toch ook te dwaas zijn geweest, als ik den bruinen

sinjeur maar kalm zijn gang zou hebben laten gaan!

Raffles zeide niets, maar de blik, dien hij Henderson toewierp, was

voor den braven reus een taal, die niet verkeerd begrepen kon worden!

De jachtopziener, die op dergelijke voorvallen steeds rekende, had

verbandmiddelen bij zich en verbond handig en snel de wonde van

Henderson.

Vervolgens ging men den jachtbuit bekijken.

De vijf gedoode beren bleken tot een zeer woest en gevaarlijk ras te

behooren, en zij waren alle boven de gewone maat.

—De kracht van deze monsters moet waarlijk buitengewoon zijn!

—Zij slepen soms wel eens geheel alleen een volwassen kalf mee, mijne

heeren! zeide Petrowitsch. En weet u, hoe zij dat doen? Zij nemen het

in hun voorpooten op en dragen het weg, zooals een kindermeisje het met

een zuigeling doet, terwijl zij op hun achterpooten loopen, en met een

schaap gaat het nog gemakkelijker, want dat dragen zij in hun bek mee.

—Zij richten dus zeker groote schade onder den veestapel aan? vroeg

Charly.

—Dat is bijna niet te beschrijven, mijnheer, antwoordde de

jachtopziener. Vooral des winters, als de honger knaagt, staan zij voor

niets en dringen tot in de schaapskooien door, waar zij groote

verwoestingen aanrichten, want zij vergenoegen zich er niet mede een

enkel schaap te stelen, maar bijten er bovendien nog heel wat dood, om

het bloed te drinken.

—Zoodat wij een goed werk verricht hebben, door deze bruine broeders

naar betere gewesten te zenden? vroeg Henderson.

—Een voortreffelijk werk! bevestigde Petrowitsch glimlachend.

—Dan zullen wij thans maar terugkeeren, en morgen zullen wij een paar

mannen zenden om de dieren van hun huid te ontdoen, want het zou ons te

lang ophouden, als wij moesten wachten, tot Petrowitsch dat gedaan had,

zeide Dobrinsky. De zon daalt reeds naar de kimme en over een uur is

het duister.

En zoo aanvaardden de jagers den terugtocht en een half uur later

hadden zij de hut bereikt, waar de paarden gestald waren.

Zij nuttigden weder iets, dronken een glas rum en namen vervolgens

weder in de slede plaats, waarvoor Henderson de drie paarden weder had

aangespannen.

—Wat ik zeggen wil—zullen de wolven de beren, die wij hebben

neergeschoten, niet in stukken scheuren? vroeg Charly, toen de slede

zich weder in beweging had gesteld.

—Als zij ze vinden, mijnheer, dan is er morgen geen stukje meer van

over, antwoordde Petrowitsch lakoniek.

Lang vóór de slede de zoom van het bosch bereikt had, was de zon achter

de kim verdwenen, en de koude deed zich nu feller gevoelen dan ooit.

De duisternis was bijna plotseling ingetreden en zeer ver aan den

horizon kon men nu en dan een rossig schijnsel waarnemen.

—Daar is toch geen brand? vroeg Charly.

—Neen, mijnheer Wilburn,—dat is het kanon! antwoordde Dobrinsky op

zachten toon.

Inderdaad kon men hier duidelijk het gedreun van het geschut hooren,

dat dood en verderf uitbraakte in de gelederen van de eigen

broeders—want daarginds streden Russen tegen Russen!

HOOFDSTUK III.

HET VERHAAL VAN DOBRINSKY.

De jagers kwamen zeer vermoeid thuis, en aanstonds begaven zij zich

naar hun kamer om hun zware pelzen af te leggen.

De avondmaaltijd zou ditmaal gebruikt worden in een der eigen

vertrekken van den voormaligen grootgrondbezitter.

Raffles en Charly waren spoedig gereed, en nadat zij hun zware

vetlederen laarzen verruild hadden tegen gemakkelijker schoeisel,

daalden zij de trap af en traden het vertrek binnen, waar Dobrinsky hen

zou wachten.

Tot hun verbazing was daarbinnen alles nog donker, maar hunne

verwondering nam toe, toen zij van den kant van den haard een

onderdrukt snikken hoorden—het snikken van een volwassen man, die een

duldelooze smart lijdt.

Raffles en Charly wilden zich bescheiden weder verwijderen, maar

Dobrinsky had het geluid van de opengaande deur gehoord en stond

haastig op, terwijl hij op zijn beide gasten toetrad.

Hij had iets in de hand, dat hij snel in zijn binnenzak wilde steken,

maar het voorwerp viel er nevens op den grond.

Hij raapte het weder op, maar niet snel genoeg of Raffles en Charly

hadden gezien, dat het een portret was.

De Groote Onbekende ging langzaam op Dobrinsky toe, legde hem beide

handen op de schouders en keek hem recht in de oogen, waarin nog de

sporen van tranen te zien waren.

Toen zeide hij op ernstigen toon:

—Luister eens, mijn waarde Dobrinsky—gij moet niet denken, dat het

onbescheidenheid van ons is, maar ik wil er nu niet langer over

zwijgen—er moet iets met u gebeurd zijn, dat uw gemoed bezwaart en dat

u doet lijden! Wilt gij ons niet zeggen, wat het is en zoo uw hart

ontlasten? Gij hebt geweend! Gij zijt een sterk man—en als die weent,

dan moet de reden wel heel ernstig zijn! Het is waar, wij kennen elkaar

nog niet zoo lang, maar toch—toch wil ik u vragen om uw gemoed eens bij

ons uit te storten—wellicht zal het u verlichting brengen!

Dobrinsky liet een zacht gekreun hooren en scheen in tweestrijd te

zijn.

De vlammen van het groote houtvuur in den schouw verlichtten zijn

gelaat, dat vertrokken was en zijn oogen, die met doffen blik vóór zich

uitstaarden.

Maar eensklaps scheen hij een besluit te nemen.

Hij trok Charly en Raffles bij den arm mee naar den haard en wees hun

een stoel aan.

—Ik zal u mijn verhaal vertellen! riep hij uit. Het is kort, en gij

behoeft er niet op te rekenen, dat gij iets romantisch of iets

bijzonders te hooren krijgt! Mijn verhaal is het verhaal van zoovele

mannen, die zich bedrogen zien in het dierbaarste verlangen en in hun

vertrouwen op de menschen!

Dobrinsky stak langzaam de hand in den binnenzak, waar hij zooeven het

portret had gestoken, en haalde het er even langzaam uit.

Hij stak het Raffles toe en zeide op doffen toon:

—Dat is zij! Ziet zij er niet uit als een engel, het toonbeeld van

reinheid en goedheid?

Hij bedekte het gelaat in de handen en scheen zijn vraag reeds geheel

vergeten te zijn.

Het portret, hetwelk Raffles in de hand hield, terwijl Charly zich over

hem heenboog, was dat van een jong meisje van ongeveer twintig jaar,

met prachtige oogen, waarschijnlijk donkerbruin of zwart, een schoon

gevormd, ovaal gelaat, een fijn gemodelleerd neusje en dik, hoog

opgemaakt haar.

En Raffles moest erkennen, dat hij zelden zulk een lieftallig gelaat

had gezien, waarop goedheid des harten zich vereenigde met geest en

schoonheid.

Hij bekeek het lief gelaat eenigen tijd aandachtig en gaf toen het

portret weder aan Dobrinsky terug, die zich had opgericht en zijn

gasten nu met omfloersten blik aankeek.

—Zij is schoon—en naar het gelaat te oordeelen, zou ik zeggen, dat zij

ook goed is! zeide Raffles zacht.

—Dat heb ik ook steeds gemeend, graaf Finsbury! kwam Dobrinsky. Totdat

eerst iets geschiedde...... Maar laat ik het u op geregelde wijze

verhalen!

Hij scheen even na te denken, en vervolgde toen:

—Haar naam is Ilja Sykorsky. Zij is de eenige dochter van welgestelde

lieden, die te Kolodoserskoi wonen. Ik deelde u reeds mede, dat deze

kleine stad eenige malen van de eene hand in de andere is overgegaan.

Thans hebben de Rooden er vasten voet gekregen, en wij zijn voornemens

dit belangrijke punt tot het uiterste te verdedigen. Ik leerde Ilja

ongeveer een jaar geleden kennen, en zij deelt volkomen mijn

inzichten—op ieder gebied! Haar ouders zijn bedaarde, stille lieden, en

men kan van hen niet verwachten, dat zij zich nog warm maken voor de

nieuwere denkbeelden. Wij kregen elkander lief, en reeds was de dag

voor ons huwelijk vastgesteld. Toen.... geschiedde het! Wij moesten

tijdelijk terugwijken voor de overmacht der Witten, en Kolodoserskoi

ontruimen. Met een bezwaard hart liet ik Ilja over aan de hoede van

haar ouders. Had ik het maar nimmer gedaan! Had ik haar, ondanks alles,

maar medegenomen en haar de gevaren van den oorlog laten deelen!

Weder bedekte hij het gelaat met de handen en een droge snik welde uit

zijn keel.

Hij herstelde zich echter spoedig en scheen zich te schamen voor zijn

zwakheid.

De handen krampachtig ineengestrengeld, de oogen recht voor zich uit

starend, vervolgde Dobrinsky:

—Bij dien terugtocht werd ik gewond, en toen ik genoegzaam hersteld

was, om te worden vervoerd, bracht men mij naar Pudoz, waar een

familielid en mijn trouwe bedienden mij liefderijk verpleegden. En op

mijn ziekbed kreeg ik haar brief.... Het was een korte, zakelijke

brief, dat zeg ik u! Zij deelde mij mede, dat het beter was, dat wij

van elkander gingen, want zij vreesde, dat zij mij toch niet zoo lief

had als ik het verdiende! Ha ha! Alles was dus bedrog geweest,

vroeger.... want ik zweer u, dat zij mij lief had, zooals ik nooit

hoopte, dat een vrouw mij zou lief hebben!

Dobrinsky zweeg even, en zijn borst zwoegde hevig.

Hij scheen onzegbaar te lijden, een dof gekreun ontsnapte hem.

Met gesloten oogen bleef hij een oogenblik zitten, en ging daarop

voort:

—Van de ontvangst van dien brief af, had het leven voor mij geen waarde

meer, en als ik hem eerder had gekregen, dan zouden alle geneesheeren

ter wereld mij niet hebben kunnen redden—ik was levensmoede! Mijn

krachtig gestel won den strijd en ik ging hierheen, om mijn volledige

beterschap af te wachten,—en dan opnieuw ten strijde te trekken.... en

den dood te vinden op het slagveld, voor een goede en schoone zaak! En

dit is mijn geschiedenis! Gij ziet wel, dat zij even eenvoudig als vaak

voorkomend is!

Lang bleef het stil in het vertrek, en alleen het geknapper van de

brandende houtblokken in den haard werd gehoord.

Raffles was de eerste die weder sprak.

Hij had zijn hand op den arm van Dobrinsky gelegd, en zeide op zachten

toon:

—Dat moet een vreeselijke ervaring voor u zijn geweest! Zeg mij

eens—hebt gij daarna in het geheel geen pogingen meer aangewend om Ilja

tot andere gedachten te brengen?

—Dat verbood mij mijn trots! En bovendien, als gij haar karakter gekend

hadt, dan zoudt gij mij die vraag niet gesteld hebben. Zij was geen

vrouw, die op een eenmaal genomen besluit terugkwam.

—Als ik u goed begrepen heb, dan zijt gij na dien tijd in het geheel

niet meer in Kolodoserskoi geweest.

—Neen. Al was ik er toe in staat geweest, dan zou ik die stad gemeden

hebben.

—Kunt gij u in het geheel niet voorstellen, wat Ilja bewogen kan

hebben, de banden met u te verbreken?

—Daarover heb ik nagedacht, tot mijn hersens er pijn van deden. En ik

kon geen reden vinden. Steeds ben ik tegenover haar dezelfde geweest...

—Zij deelde de communistische inzichten?

—Zij was een vurig aanhangster van Trotzky.

—Nu, dan is het een raadsel...... dan is het juist iets voor een vrouw,

bromde Raffles voor zich heen.

Daarop hernam hij luid:

—Toen gij gewond werd, zijt gij toen dadelijk geëvacueerd?

—Neen, ik moet twee dagen in handen van den tegenstander zijn geweest,

antwoordde Dobrinsky.

—Wat zegt gij daar? riep Charly uit. Weet gij dat dan niet zeker?

—Ik weet zeker, dat het zoo is, maar ik had er geen besef van, mijn

waarde Wilburn, gaf Dobrinsky ten antwoord. Men heeft het mij pas later

verteld. Ik heb twee dagen zware koorts gehad, en ijlde aan een stuk.

Het is dus wel begrijpelijk, dat ik mij van die twee dagen niets

herinner.

Raffles had het hoofd geschud en scheen ten zeerste verwonderd te zijn.

—Heeft men u ook gezegd, wat den tegenstander wel bewogen kan hebben, u

weder uit te leveren? vroeg hij toen.

—Men deelde mij mede, dat de andere partij slecht voorzien was van

sanitaire middelen, en dat ook de ruimte voor de eigen gewonden niet

groot was.

—En hebt gij later onderzoek gedaan, of dat inderdaad met de waarheid

strookte? ging Raffles voort.

—Waarom zou ik daar aan getwijfeld hebben? riep Dobrinsky verbaasd uit.

—Wel—al ware het slechts, omdat het tusschen strijdende partijen zeker

geen gewoonte is, de gewonden terug te geven, als zij niet ten doode

zijn opgeschreven ten minste.

Dobrinsky keek Raffles eenige oogenblikken strak aan, en scheen zijn

gedachten te willen lezen.

Hij wreef zich eenige malen met de witte hand over het voorhoofd, en

zeide aarzelend:

—Ik weet niet, gij schijnt daar groote waarde aan te hechten.

—Zeg eens zelf, of ik daar ongelijk in heb, drong Raffles aan. Twee

dagen zijt gij ziek in handen van den vijand geweest...... en

plotseling laat die u weder gaan, en zendt u naar de uwen terug. Duidt

het mij niet ten kwade, maar ik vind dit een hoogst zonderlinge

handelwijze.

Dobrinsky haalde de schouders op.

—Dan hebben zij er een of andere geheime reden voor gehad, welke ik

niet kan doorgronden.

—En kunt gij genoegen nemen met ondoorgronde redenen? riep Raffles uit.

Neem mij niet kwalijk, waarde baron, maar dan ben ik van een andere

constitutie. In dit alles is iets raadselachtigs, naar mijn oordeel.

Wat denkt gij ervan, waarde Wilburn? zoo wendde hij zich tot Charly.

—Ik ben het volkomen met u eens, graaf! antwoordde de jonge man. Het is

voor het eerst, dat ik hoor, dat men gewonden van de andere partij

midden in den strijd uitlevert, op gevaar af, dat zij dingen kunnen

verraden, welke beter verzwegen waren gebleven! Ik wist niet beter of

gewonden werden pas na het sluiten van den vrede uitgewisseld!

—Maar wat zou er dan toch wel achter kunnen steken? riep Dobrinsky uit.

Gij maakt mij waarlijk ongerust!

—Dat is van hieruit niet te beoordeelen, waarde baron! gaf Raffles ten

antwoord. Maar wij zijn geheel van het onderwerp van ons gesprek

afgedwaald.

—Laten wij daar liever niet verder over spreken, zeide Dobrinsky op

smartelijken toon. Gij weet nu, wat mij zoo onuitsprekelijk heeft doen

lijden—en wat mij zal dooden—dat voel ik!

—Zoo moogt gij niet spreken! zeide Raffles op ernstigen toon. Gij moet

een man zijn! En wie weet wat er nog kan geschieden!

Maar Ivan Dobrinsky maakte een afwerend gebaar, en zeide hoofdschuddend

en diep bewogen:

—Gij tracht mij vruchteloos te troosten, Graaf! Voor de kwaal waaraan

ik lijd, is geen kruid gewassen!

Raffles was opgestaan, en liep nu het vertrek eenige malen op en neder.

Toen zeide hij, terwijl hij voor zijn gastheer stilstond:

—Wilt ge mij nog eens herhalen, dat niets in het karakter van Ilja u

den stap deed voorzien dien zij gedaan heeft?

Lord Lister No. 0310: Het geheim der steppen · 第 1 / 4 段