HOOFDSTUK III,

WAARIN BAMBOE ZICH BRANDT AAN IJS EN SNEEUW, EN DE JONGENS VAN HET WED

EEN FORT BOUWEN.

December was in ’t land gekomen en had kort vóór Kerstmis koude en

sneeuw gebracht. Gedurende de heele week hadden bij tusschenpoozen de

witte vlokken als blanke duiven langs de vensters gezweefd en zich

genesteld op alle takken der kaalgeworden boomen. De daken der huizen

waren met een witten mantel omhangen en zelfs de fabrieken, waar anders

alles in den omtrek er even vuil en berookt uitzag, droegen thans een

rein-blank feestgewaad, waarboven hun donkere rookpluimen omhoog

kringelden als zwarte weduwsluiers boven een wit bruidskleed. In het

drukkere deel der stad was het heldere winterdek door de voeten der

voorbijgangers reeds spoedig vertreden en besmoezeld, maar in de

stillere wijken, waar zich het Wed bevond, lag het nog ongerept op

tuinen en pleinhekken als een witwollen vacht, opgebold tot wel een

voet hoogte.

Gedurende de eerste dagen van koude had Leo gerild in zijn wollen jas,

en de eerste sneeuw had hij slechts waargenomen van achter de vensters

der voorkamer, waar Bamboe van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat de

kachel tot boven toe rood stookte en nòg kou leed.

Maar hoeveel onaangenaamheden ze allebei ook van dezen nooit te voren

gekenden winter te verduren hadden, toch hadden zij een open oog voor

de schoonheden van het jaargetijde.

De eerste vlokken hadden Bamboe in groote verbazing gebracht.

„Zie eens, Leo,” riep hij uit, „oedjan kepas [2], wie heeft er ooit van

gehoord?”

„Neen Bamboe,” sprak Leo lachend, „dat is geen regen, maar sneeuw!”

„Er is stellig een goenoeng [3] ergens aan ’t werken, maar ik heb toch

niet hooren rommelen,” zei Bamboe nadenkend.

„Neen Bamboe,” hernam Leo, „vuurspuwende bergen zijn hier niet, en wat

je daar ziet stuiven, is dan ook geen asch uit den goenoeng, maar het

komt uit den hemel.”

„Dan is de Groote Dag op handen,” zei Bamboe ootmoedig, „want daar

staat geschreven in het Boek, dat er vuur en zwavel zal regenen.”

„Neen, Bamboe,” glimlachte Leo, „dat is het óók niet. God maakt de

sneeuw niet van vuur, maar van waterdamp, die bevroren is. En dat valt

hier in den kouden moeson bijna elk jaar uit de lucht.”

Er was echter heel wat toe noodig om Bamboe aan het verstand te

brengen, wat vriezen was, en allerminst kon hij begrijpen dat water in

witte vlokken kon veranderen.

„Ja, Bamboe,” zei Leo, „het is toch zoo. Zie maar eens tegen het

vensterglas; zoodra de vlokjes er tegen aan komen, veranderen ze in

water. Ik zal er eens een handjevol uit de vensterbank halen, dan kan

je het zelf zien.”

„Zie maar eens,” vervolgde hij, de kamer weer binnentredende, terwijl

hij een sneeuwbal in de hand hield, „het smelt dadelijk door de warmte

van de hand.”

„Wel, laat het mij ook eens vasthouden, jonker,” zei Bamboe, maar hij

had den sneeuwbal nauwelijks in de hand, of hij wierp hem terstond op

den vloer.

„Au, au!” schreeuwde hij, „dat prikt,—dat brandt! Heb ik niet gezegd,

Leo, dat het api [4] was?”

„Neen, Bamboe,” lachte Leo weer, „het is geen vuur; kijk maar eens!”

De Javaan keek op den vloer, en toen hij zag, hoe de witte stukjes

sneeuw in water veranderd waren, zeide hij eerbiedig:

„Welk een wonder, jonker Leo, welk een wonder! Dat doet Jehovah! Hij is

groot! Hij is zeer groot! Nu ik mij wel bezin, heb ik datzelfde goedje

op Java nog eens gezien. Het was op den top van den Slamat, maar ik was

er te ver van af om het goed te kunnen waarnemen, en ik meende zoowaar,

dat het witte asch was, die de berg had uitgeworpen.”

„Ik had het nooit anders gezien dan op een plaatje,” zei Leo,—„je weet:

Pa had allerlei platen over Nederlandsche toestanden en zeden, die hij

mij op de les liet zien, maar ik had toch niet gedacht, dat het zoo

mooi wit zou zijn. Nu versta ik pas goed den tekst, dien ik eens

geleerd heb: „Hij geeft sneeuw als wol!””

„En ik pas dien anderen, jonker Leo: „Wasch mij, en ik zal witter zijn

dan sneeuw!”” sprak de Javaan.

De nacht daarop bracht de eerste vorst, en den volgenden morgen vond

Leo een kleine hoeveelheid water, dat in een kannetje achter het huis

gestaan had, bevroren.

„Zie eens, Bamboe,” zei hij, terwijl hij het kannetje kwam aandragen,

„dat is nu ijs!”

De Javaan sloeg zijn handen in elkaar.

„Welk een land is het hier toch!” zei hij. „De boomen verliezen hun

bladeren en gaan dood; er regent katoen uit den hemel en het water

verandert in steen!”

Toen hij het ijs aanraakte, schreeuwde hij weer van pijn en riep: „dat

prikt óók alweer! ’s Morgens vroeg prikt de kachel, als ik haar

aanmaak; de steenen in de gang prikken, de knop van de buitendeur

prikt, de sneeuw prikt, en het ijs prikt nog het meest van al. Alles

prikt hier in dit land!”

Ook Leo was geen vriend van ijs en sneeuw, maar toen zijn kameraads

zooveel plezier hadden in „de witte wereld”, kon hij toch niet nalaten

óók eens mee te doen, al moest hij dan ook dikwijls in zijn handen

blazen of ze bij de kachel weer wat lenig maken.

Toen hij Donderdagsmorgens de hand leende bij het maken van een

reusachtigen sneeuwman vlak voor de school, zag hij Dolf voorbijkomen,

die natuurlijk niet naliet een welgemikten sneeuwbal op hem af te

zenden.

’s Middags lekte het reeds uit, dat Dolf met nog een stuk of wat

jongens van de School voor Meer-uitgebreid Lager Onderwijs aan de Oude

Weversstraat, het plan hadden opgevat, den Indischen jongen „bij

gelegenheid eens flink in te zeepen”.

Dirk Drijver had er het eerst van gehoord. „Ik zou wel zin hebben,” zei

hij, „om die jongeheertjes zelf eens een dikke beurt te geven, en me

dunkt, als ze wat tegen Leo beginnen, moest dat maar gebeuren óók.”

Alle jongens van de school aan het Wed hechtten hun zegel aan dit

voorstel.

Er bestond namelijk reeds sinds langen tijd een veete tusschen de

scholieren uit de Weversstraat en die van het Wed.

De school van het Wed was gevestigd in een paar huizen, die vroeger aan

den ouden heer Van Dintelburg hadden behoord, en die daartoe natuurlijk

een verbouwing hadden moeten ondergaan. Het kapitaal daartoe was

geschonken door iemand, die onbekend had wenschen te blijven bij het

groote publiek. Hoewel er niet bepaald jongens van rijke ouders op

gingen, zoo kon toch, jammer genoeg, het schoolgeld niet zóó laag

worden gesteld, dat arbeiderskinderen er gebruik van konden maken, en

Dirk Drijver, die de éénige zoon was van een wever, was dan ook de

éénige weverszoon, die deze school bezocht. Met de leerlingen van de

andere scholen in Weverstede waren de jongens van meneer Selhof op zeer

goeden voet.

De knapen van de school voor M. U. L. O. vormden hierop echter een

uitzondering. Het was de school voor de „voornaamste” kinderen van de

stad, en stond dan ook bekend als het „Instituut voor kinderen uit den

beschaafden stand”. Leerlingen van deze school waren o. a. Rudolf van

Dintelburg, Prosper van den burgemeester, en al de andere leden van

„Achilles”, waarmee wij in het eerste hoofdstuk hebben kennis gemaakt.

Natuurlijk bleef het voornemen van de jongens van het Wed voor de

knapen van het Instituut niet verborgen, en even natuurlijk was het,

dat er ook den onderwijzers iets van ter oore kwam.

„Hoor eens, jongens!” sprak meneer Selhof, „sneeuwballen is een

pleizierig spel; ik weet daar uit mijn jeugd nog alles van. Maar

bedenk, dat andere menschen daar geen pleizier in hebben. Wil je dus

sneeuwballen werpen, doet het dan onder mekaar. En doet het dan niet

uit haat en nijd, maar laat het een spel blijven en een eerlijk spel.

Eerlijk, niet alleen onder mekaar, maar ook eerlijk jegens jongens van

andere scholen. Zoolang het bij spel blijft, is het niet af te keuren,

maar als het op een vechten aangaat, dan is het slecht! God heeft ons

niet geroepen tot twist, maar tot vriendschap en liefde.

„Nu we toch „schoonschrijven” hebben, moet je allen maar eens

overschrijven, wat daar op het bord staat, en het dan goed onthouden en

in toepassing brengen óók.”

Blank en Bruin · 第 8 / 35 题