WAARIN BAMBOE ZICH BRANDT AAN IJS EN SNEEUW, EN DE JONGENS VAN HET WED
EEN FORT BOUWEN.
December was in ’t land gekomen en had kort vóór Kerstmis koude en
sneeuw gebracht. Gedurende de heele week hadden bij tusschenpoozen de
witte vlokken als blanke duiven langs de vensters gezweefd en zich
genesteld op alle takken der kaalgeworden boomen. De daken der huizen
waren met een witten mantel omhangen en zelfs de fabrieken, waar anders
alles in den omtrek er even vuil en berookt uitzag, droegen thans een
rein-blank feestgewaad, waarboven hun donkere rookpluimen omhoog
kringelden als zwarte weduwsluiers boven een wit bruidskleed. In het
drukkere deel der stad was het heldere winterdek door de voeten der
voorbijgangers reeds spoedig vertreden en besmoezeld, maar in de
stillere wijken, waar zich het Wed bevond, lag het nog ongerept op
tuinen en pleinhekken als een witwollen vacht, opgebold tot wel een
voet hoogte.
Gedurende de eerste dagen van koude had Leo gerild in zijn wollen jas,
en de eerste sneeuw had hij slechts waargenomen van achter de vensters
der voorkamer, waar Bamboe van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat de
kachel tot boven toe rood stookte en nòg kou leed.
Maar hoeveel onaangenaamheden ze allebei ook van dezen nooit te voren
gekenden winter te verduren hadden, toch hadden zij een open oog voor
de schoonheden van het jaargetijde.
De eerste vlokken hadden Bamboe in groote verbazing gebracht.
„Zie eens, Leo,” riep hij uit, „oedjan kepas [2], wie heeft er ooit van
gehoord?”
„Neen Bamboe,” sprak Leo lachend, „dat is geen regen, maar sneeuw!”
„Er is stellig een goenoeng [3] ergens aan ’t werken, maar ik heb toch
niet hooren rommelen,” zei Bamboe nadenkend.
„Neen Bamboe,” hernam Leo, „vuurspuwende bergen zijn hier niet, en wat
je daar ziet stuiven, is dan ook geen asch uit den goenoeng, maar het
komt uit den hemel.”
„Dan is de Groote Dag op handen,” zei Bamboe ootmoedig, „want daar
staat geschreven in het Boek, dat er vuur en zwavel zal regenen.”
„Neen, Bamboe,” glimlachte Leo, „dat is het óók niet. God maakt de
sneeuw niet van vuur, maar van waterdamp, die bevroren is. En dat valt
hier in den kouden moeson bijna elk jaar uit de lucht.”
Er was echter heel wat toe noodig om Bamboe aan het verstand te
brengen, wat vriezen was, en allerminst kon hij begrijpen dat water in
witte vlokken kon veranderen.
„Ja, Bamboe,” zei Leo, „het is toch zoo. Zie maar eens tegen het
vensterglas; zoodra de vlokjes er tegen aan komen, veranderen ze in
water. Ik zal er eens een handjevol uit de vensterbank halen, dan kan
je het zelf zien.”
„Zie maar eens,” vervolgde hij, de kamer weer binnentredende, terwijl
hij een sneeuwbal in de hand hield, „het smelt dadelijk door de warmte
van de hand.”
„Wel, laat het mij ook eens vasthouden, jonker,” zei Bamboe, maar hij
had den sneeuwbal nauwelijks in de hand, of hij wierp hem terstond op
den vloer.
„Au, au!” schreeuwde hij, „dat prikt,—dat brandt! Heb ik niet gezegd,
Leo, dat het api [4] was?”
„Neen, Bamboe,” lachte Leo weer, „het is geen vuur; kijk maar eens!”
De Javaan keek op den vloer, en toen hij zag, hoe de witte stukjes
sneeuw in water veranderd waren, zeide hij eerbiedig:
„Welk een wonder, jonker Leo, welk een wonder! Dat doet Jehovah! Hij is
groot! Hij is zeer groot! Nu ik mij wel bezin, heb ik datzelfde goedje
op Java nog eens gezien. Het was op den top van den Slamat, maar ik was
er te ver van af om het goed te kunnen waarnemen, en ik meende zoowaar,
dat het witte asch was, die de berg had uitgeworpen.”
„Ik had het nooit anders gezien dan op een plaatje,” zei Leo,—„je weet:
Pa had allerlei platen over Nederlandsche toestanden en zeden, die hij
mij op de les liet zien, maar ik had toch niet gedacht, dat het zoo
mooi wit zou zijn. Nu versta ik pas goed den tekst, dien ik eens
geleerd heb: „Hij geeft sneeuw als wol!””
„En ik pas dien anderen, jonker Leo: „Wasch mij, en ik zal witter zijn
dan sneeuw!”” sprak de Javaan.
De nacht daarop bracht de eerste vorst, en den volgenden morgen vond
Leo een kleine hoeveelheid water, dat in een kannetje achter het huis
gestaan had, bevroren.
„Zie eens, Bamboe,” zei hij, terwijl hij het kannetje kwam aandragen,
„dat is nu ijs!”
De Javaan sloeg zijn handen in elkaar.
„Welk een land is het hier toch!” zei hij. „De boomen verliezen hun
bladeren en gaan dood; er regent katoen uit den hemel en het water
verandert in steen!”
Toen hij het ijs aanraakte, schreeuwde hij weer van pijn en riep: „dat
prikt óók alweer! ’s Morgens vroeg prikt de kachel, als ik haar
aanmaak; de steenen in de gang prikken, de knop van de buitendeur
prikt, de sneeuw prikt, en het ijs prikt nog het meest van al. Alles
prikt hier in dit land!”
Ook Leo was geen vriend van ijs en sneeuw, maar toen zijn kameraads
zooveel plezier hadden in „de witte wereld”, kon hij toch niet nalaten
óók eens mee te doen, al moest hij dan ook dikwijls in zijn handen
blazen of ze bij de kachel weer wat lenig maken.
Toen hij Donderdagsmorgens de hand leende bij het maken van een
reusachtigen sneeuwman vlak voor de school, zag hij Dolf voorbijkomen,
die natuurlijk niet naliet een welgemikten sneeuwbal op hem af te
zenden.
’s Middags lekte het reeds uit, dat Dolf met nog een stuk of wat
jongens van de School voor Meer-uitgebreid Lager Onderwijs aan de Oude
Weversstraat, het plan hadden opgevat, den Indischen jongen „bij
gelegenheid eens flink in te zeepen”.
Dirk Drijver had er het eerst van gehoord. „Ik zou wel zin hebben,” zei
hij, „om die jongeheertjes zelf eens een dikke beurt te geven, en me
dunkt, als ze wat tegen Leo beginnen, moest dat maar gebeuren óók.”
Alle jongens van de school aan het Wed hechtten hun zegel aan dit
voorstel.
Er bestond namelijk reeds sinds langen tijd een veete tusschen de
scholieren uit de Weversstraat en die van het Wed.
De school van het Wed was gevestigd in een paar huizen, die vroeger aan
den ouden heer Van Dintelburg hadden behoord, en die daartoe natuurlijk
een verbouwing hadden moeten ondergaan. Het kapitaal daartoe was
geschonken door iemand, die onbekend had wenschen te blijven bij het
groote publiek. Hoewel er niet bepaald jongens van rijke ouders op
gingen, zoo kon toch, jammer genoeg, het schoolgeld niet zóó laag
worden gesteld, dat arbeiderskinderen er gebruik van konden maken, en
Dirk Drijver, die de éénige zoon was van een wever, was dan ook de
éénige weverszoon, die deze school bezocht. Met de leerlingen van de
andere scholen in Weverstede waren de jongens van meneer Selhof op zeer
goeden voet.
De knapen van de school voor M. U. L. O. vormden hierop echter een
uitzondering. Het was de school voor de „voornaamste” kinderen van de
stad, en stond dan ook bekend als het „Instituut voor kinderen uit den
beschaafden stand”. Leerlingen van deze school waren o. a. Rudolf van
Dintelburg, Prosper van den burgemeester, en al de andere leden van
„Achilles”, waarmee wij in het eerste hoofdstuk hebben kennis gemaakt.
Natuurlijk bleef het voornemen van de jongens van het Wed voor de
knapen van het Instituut niet verborgen, en even natuurlijk was het,
dat er ook den onderwijzers iets van ter oore kwam.
„Hoor eens, jongens!” sprak meneer Selhof, „sneeuwballen is een
pleizierig spel; ik weet daar uit mijn jeugd nog alles van. Maar
bedenk, dat andere menschen daar geen pleizier in hebben. Wil je dus
sneeuwballen werpen, doet het dan onder mekaar. En doet het dan niet
uit haat en nijd, maar laat het een spel blijven en een eerlijk spel.
Eerlijk, niet alleen onder mekaar, maar ook eerlijk jegens jongens van
andere scholen. Zoolang het bij spel blijft, is het niet af te keuren,
maar als het op een vechten aangaat, dan is het slecht! God heeft ons
niet geroepen tot twist, maar tot vriendschap en liefde.
„Nu we toch „schoonschrijven” hebben, moet je allen maar eens
overschrijven, wat daar op het bord staat, en het dan goed onthouden en
in toepassing brengen óók.”