Elk van de jongens schreef nu de volgende

Regelen voor het sneeuwbal-spel.

1o. Gebruik nooit harde ballen, veel minder sneeuwballen met een

steen er in.

2o. Gooi nooit naar oude menschen of naar meisjes en kleine

kinderen.

3o. Mik nooit op iemand van achteren; dat is valsch.

4o. Werp nooit zonder uw tegenpartij vooraf te hebben gewaarschuwd;

een sneeuwbal, die onverwacht aankomt, kan evenveel kwaad doen

als een steen.

5o. Zorg dat een sneeuwbal niet tegen deuren of vensterruiten

terecht komt.

Ook meneer Deurloo, de directeur van het Instituut, sprak in denzelfden

geest. Door dit alles werd een formeele vechtpartij gelukkig voorkomen.

Sneeuwballen zou men,—school tegen school! Maar van elke school kwamen

de drie oudste jongens samen, en stelden vast, dat het een

vriendschappelijk gevecht zou blijven en dat men zich houden zou aan de

regelen, door meneer Selhof en meneer Deurloo gegeven. Voorts werd er

overeengekomen, dat het gevecht plaats zou hebben op het Wed, des

Zaterdagsmiddags van half twee tot drie uur. Elke school zou zijn eigen

generaal en officieren kiezen, en omdat de jongens van de school van

meneer Selhof het zwakst in aantal waren, zouden ze zich mogen

verschansen, en de jongens van het Instituut zouden die verschansingen

trachten te vermeesteren in een aanvallend gevecht. Wie in dezen strijd

„met de hand ingezeept” werd, zou verplicht zijn zich gevangen te

geven.

Het terrein was tot het leveren van zulk een veldslag uitnemend

geschikt.

De stad Weverstede, moet men weten, was langzamerhand ontstaan uit

groepen van huizen, die eerst, bij wijze van dorpen, naast elkaar

lagen. Gaandeweg echter werd de grond, die tusschen deze dorpen in lag,

meer bebouwd, ’t geen niet verhindert dat men altijd nog zeer goed kan

zien, op welke plaats ongeveer elk van die vroegere dorpen zijn

grenslijn heeft gehad. Er zijn daar nog altijd plekken, die minder

dicht bebouwd zijn, en open vakken, die moeten blijven liggen,

eenvoudig omdat men er geen straat zou kunnen aanleggen, die in

verbinding met andere straten staat. Een dezer open plekken is het Wed,

zoo geheeten, omdat het een laag gelegen, komvormig stuk grond is, waar

in vroeger tijd, wanneer het riviertje de Lange Leye maar eenigszins

van water voorzien was, de paarden naar hartelust konden rondplassen.

In den tijd, waarin ons verhaal speelt, had dit gebruik van het Wed

reeds lang afgedaan. De Leye was door een dijkje afgedamd, en op het

lage grasveld prijkten reeds een aantal statige linden. Aan de noord-

en de zuidzijde stonden de huizen met den voorgevel naar het Wed en

hadden alle een tuintje voor de deur, maar die, welke aan den oostkant

stonden, keerden alle het mooie plein den rug toe, evenals de enkele

gebouwen, die zich aan den westkant bevonden. Het vreemdste was nog,

dat men het Wed slechts bereiken kon over het bruggetje, dat over de

Leye lag. Een plattegrond, dien ik hierbij voeg, zal dit alles den

lezer duidelijker maken.

De heele week waren de jongens van ’t Wed nu verder bezig om het

terrein in staat van verdediging te brengen, ten einde hun kansen op de

overwinning zoo groot mogelijk te maken.

Daar Leo de persoon was, die het eerst door de Instituut-jongens was

bedreigd, was het ook niet meer dan natuurlijk, dat hij tot generaal

benoemd werd.

Dirk Drijver was zijn adjudant.* Officieren waren Toontje van Tuin, Wim

Wessels, Hendrik van Helm en Joost de Korte.

Aanvankelijk was men in den „krijgsraad”, dien de zes jongens onder

elkaar belegden, van zins om den toegang tot de brug te versperren;

maar toen zij reeds bezig waren een geweldige hoeveelheid sneeuw daar

samen te brengen, verscheen er een agent, die den jongens beduidde, dat

zij op die wijze ook het verkeer van de groote menschen, die naar het

Wed moesten, bemoeilijkten.

Daar kon dus niets van komen.

Thans stelde Leo voor, om een schans te maken vlak voor de speelplaats.

Dit werd aangenomen.

Vlak voor de speelplaats waren kort geleden een aantal niet al te zware

boomen gekapt, en die lagen nu opgestapeld tegen de oostelijke

schutting. Van meneer Ogée, die er de eigenaar van was, verzocht en

verkreeg men de vergunning, deze stammen een eindje te mogen verleggen,

om ze op te stapelen tegen de drie boomen, die voor de speelplaats

stonden. Het was een zware arbeid, die met vereende krachten ten leste

toch uitstekend gelukte. De heele speelplaats was thans afgesloten door

een tamelijk hoogen wal van hout, die naar ’s vijands zijde bijna

loodrecht omhoog stond en aan den achterkant hellend afliep. Slechts in

den hoek was een opening, die, wanneer men een oude deur tusschen de

palen inschoof, snel en degelijk kon worden afgesloten.

Donderdagsavonds was dit werk reeds klaar, en niettegenstaande de felle

koude moest ook Bamboe, in een dikke, duffelsche jas gehuld, de

verschansing komen bezichtigen.

„Baïk bagitoe!” [5] sprak hij bibberend en klappertandend van de koude;

„maar jullie moet er nog sneeuw op leggen. Op de sneeuw giet je water;

en water wordt steen in dit land; de steen is glad, en de jongens van

’t Instituut tuimelen er af.”

Dit voorstel vond algemeenen bijval, maar men besloot het niet eerder

ten uitvoer te brengen dan Vrijdagavond, opdat de krijgslist niet

ontdekt zou worden.

„Jongens,” zei Dirk Drijver Vrijdagsmorgens, „nu hebben we wel een

vesting, maar we hebben geen kogels. Me dunkt, nu moesten we zooveel

mogelijk sneeuw in het fort brengen, dan kunnen we daar morgenochtend

een grooten hoop sneeuwballen van klaar maken.” Zoo gezegd, zoo gedaan.

Met sleden en schoppen togen de jongens aan het werk, en zij, die daar

niet over beschikken konden, zeulden elk hun vracht in een oude mand of

een oud vuilnisblik naar het fort.

Het was een algemeene pret, waaraan ook de kleinste jongens en zelfs de

meisjes met waar genoegen deelnamen.

„Mogen we nu morgen óók meêdoen, Wim?” vroeg een kleine kleuter van een

jaar of zes aan Willem.

„Wel nee, jongen,” gaf Willem ten antwoord, „je kunt nog geen sneeuwbal

raak gooien, al was ’t op een olifant, die vlak voor je stond.”

„Dáár dan!” riep het ventje nijdig uit, en wierp den grooten knaap een

ferme dot sneeuw vlak in het gelaat.

Al de officieren schoten in den lach en ook Willem lachte zelf

hartelijk mee.

„Jij bent een baas hoor, broekie!” zei hij, en duwde den kleinen man

schertsend achterover in den sneeuwhoop.

„Nou, màg ik?” hield het ventje aan.

„Op de wallen kunnen wij ze niet gebruiken, maar we kunnen ze, dunkt

me, wel bezigen om de ballen te kneden en aan te dragen,” zei Leo.

Met blijdschap werd deze beslissing door de kleinen begroet. Zij zouden

zich op den dag van het gevecht achter den wal bevinden, om in oude

mandjes of afgedankte schooltasschen de strijdende manschappen van

kogels te voorzien.

Daar het de laatste dagen nogal gewaaid had, was er vrij wat sneeuw

tegen den Leyedijk opgejaagd.

„Nu, wij hebben sneeuw in ’t fort gebracht, maar als de jongens uit de

Weversstraat eenmaal de brug over zijn, dan vinden zij hier genoeg om

ons op te trakteeren,” sprak Leo nadenkend, terwijl hij met de andere

officieren over den dijk wandelde.

„Laten wij den heelen boel in de Leye gooien,” stelde Dirk voor.

„Dat zal een heel werkje wezen,” was het antwoord, „maar we kunnen er

in elk geval een begin mee maken.”

Opnieuw togen de jongens aan het sneeuwscheppen, terwijl de meisjes de

opdracht kregen, wat niet verwijderd kon worden, zooveel mogelijk vast

ineen te trappen, opdat de vijand het niet licht voor ballen zou kunnen

gebruiken.

’s Avonds maakte men, volgens den raad van Bamboe, den bovenkant van

den wal met sneeuw effen en besproeide dien door middel van een ouden

gieter met water, dat spoedig bevroor, waardoor de voorkant en het

bovenvlak van de verschansing zoo glad als een spiegel werden.

Des Zaterdagsmorgens bracht het winterzonnetje juist genoeg dooi, om de

sneeuw goed kneedbaar te maken.

Vóór den eten maakten de jongens nog een paar reusachtige sneeuwmannen,

die—met heel veel moeite boven op de verschansing tegen de buitenste

boomen geplaatst—elk met een langen stok in den arm en een rood

papieren schako op het hoofd, met zwarte steenkolenoogen uitdagend over

het Wed keken.

Blank en Bruin · 第 9 / 35 题