HOOFDSTUK II,

WAARIN DE JONGENS VAN WEVERSTEDE KENNIS MAKEN MET MOORDTUIGEN EN

AFGODEN, EN DE VREEMDE KNAAP MET EEN KOOL.

Het nieuws van de aankomst der twee vreemdelingen was den volgenden

morgen reeds door de gansche stad verbreid, en inzonderheid de jeugd

maakte er zich verbazend druk over. De jongens van de school van meneer

Selhof taalden dien morgen niet eens naar de vermaken der speelplaats.

Nieuwsgierig stonden ze in troepjes te staren naar het huis, dat zoo

lang gesloten was geweest en dat nu zulke zonderlinge bewoners had

gekregen. Ze moesten al terstond erkennen, dat deze bewoners geen

kenteekenen van luiheid vertoonden, want nog vóór schooltijd waren zij

al druk in de weer. Het middenpad van het kleine tuintje vóór het huis,

waartegen een paar breed-gekruinde kastanjeboomen hun schaduw

afteekenden, stond vol met kisten en koffers. De kleinste daarvan

droegen zij zóó naar binnen; de grootste werden eerst geopend en bleken

allerlei vreemde voorwerpen te bevatten, wier doel en bestemming den

jongens een raadsel was. Uit één kist kwamen een paar prachtige,

opgezette vogels te voorschijn; een andere bevatte een glazen kast, die

scheen te wemelen van insecten; een derde hield een groot aantal houten

en steenen beeldjes in van allerbespottelijkste vormen. Vooral de

inhoud van deze laatste kist wekte bij de jongens een soort van

vreesachtige nieuwsgierigheid op.

„Zie je wel? ’t Zijn heidenen. Dat benne d’r afgoden!” fluisterden zij

onder elkander.

Op dat oogenblik kwam meneer Selhof naar buiten en wenkte, in de

schooldeur staande, de jongens naar binnen; maar ze waren niet van hun

plaatsen te krijgen.

Maar toen de vreemde knaap uit een andere kist niets anders dan vreemde

wapens, blanke zwaarden, spitse lansen en schitterende dolken voor den

dag bracht, sloeg hun verbazing tot ontzetting over en spoedden de

meesten hunner, op het herhaalde handgeklap van meneer Selhof, zich met

haastige schreden en een kloppend hart naar school, van tijd tot tijd

nog eens angstig omziende, of de bruine man hen niet met een dezer

moordtuigen in de hand achterop zou loopen.

En bleek van schrik werden sommigen, toen eenige minuten later onder

het zingen de vreemde man met zijn kleinen reismakker in levenden lijve

de school binnentrad. Het gezangversje stokte hun in de keel en

menigeen dacht niet anders, of zijn laatste uurtje had geslagen.

Meneer Selhof scheen echter volstrekt niet bang van den „leelijken

man”. Hij trad op hem toe, drukte hem de hand en zei:

„Goeden morgen, meneer Bamboe! Welkom in Weverstede, hartelijk welkom!

En is dat nu onze Leo?”

„Jawel, meneer!” antwoordde de jongen.

De onderwijzer gaf ook hem de hand, legde die vervolgens vriendelijk en

beschermend op zijn hoofd en sprak:

„Nu Leo, ik hoop, dat je het in ons land goed zult maken, en ik

vertrouw, dat we het samen best zullen kunnen vinden.”

„Kinderen,” vervolgde hij, „dit is meneer Bamboe. Meneer komt van het

eiland Java,—dáár!” wees hij, „in het westelijke gedeelte. Zijn kleeren

en zijn kleur zijn wat anders dan die van ons, zooals je ziet, maar hij

heeft met ons denzelfden Heiland lief, nietwaar meneer Bamboe?”

De heer Bamboe knikte en liet lachend zijn witte tanden zien.

„Ja, kinders,” zeide hij, „dat is niet altijd zoo geweest. Vroeger was

ik half een Mohammedaan, half een heiden, maar thans heb ik met heel

mijn hart Toewan Jezus lief.”

„En deze jongen,” vervolgde meneer Selhof, „heet Leo. Hoe oud ben je

ook weer, Leo?”

„Elf jaar, meneer,” was het antwoord.

„Hij is een Hollandsche jongen,” ging de onderwijzer voort, „zijn

moeder was wel een Javaansche, maar zijn vader was een Nederlander.

Beiden zijn nu overleden en hij is dus een wees. Wie is dus nu voortaan

zijn Vader?”

„De Heer!” antwoordde een der oudste jongens eerbiedig.

„Maar behalve een Vader, heeft deze jongen ook vrienden noodig. Wie van

jullie, jongens, is bereid om voor hem op te komen?”

Alle jongens staken de hand op.

„Welnu, kijk ze maar eens aan,” richtte meneer Selhof zich tot Leo,

„bevallen ze je nogal, je nieuwe makkers?”

„Best, meneer!” zei Leo, met een gelukkigen lach, terwijl hij de

jongens vrijmoedig in het gezicht keek.

Thans moest er een plaatsje voor hem worden gezocht, ’t geen vrij wat

moeite in had, want al de jongens streden om de eer den nieuweling

naast zich te mogen hebben.

„Ga hier voorloopig maar zitten,” sprak de onderwijzer, „dan zullen we

meteen wel eens onderzoeken waar je eigenlijk thuishoort.”

Bamboe vertrok, na den onderwijzer en de kinderen minzaam te hebben

gegroet, en spoedig daarop volgde het onderzoek naar de kennis en de

bekwaamheden van den nieuwen leerling.

Hoewel hij, naar hij verklaarde, nooit op een school gegaan had, liep

dit onderzoek vrij bevredigend af. In het rekenen was hij den meesten

jongens ver vooruit en hij kon zich in de Nederlandsche taal ook best

met hen meten, al was het dat hij soms wel eens een verdwaald Maleisch

woord gebruikte. Van de aardrijkskunde van Indië wist hij natuurlijk

meer dan iemand anders, en omdat dit vak dien morgen tòch behandeld

moest worden, liet meneer Selhof hem daar maar heel wat van vertellen.

Wat de kinderen van hem vernamen over Indische zeden, volksvermaken en

leefwijze, boezemde hun de grootste belangstelling in en was ten deele

ook den onderwijzer nog geheel nieuw.

Bij de taalles bleek, dat hij echter op sommige punten ook vermakelijk

onwetend was.

Er moest een „samenspraak” tusschen een vader en zijn twee kinderen

worden gemaakt over het welbekende raadsel van „de wolf, de geit en de

kool.” Het taal-boekje gaf voor dit opstel de punten aan. Maar vóór hij

deze punten door de leerlingen liet uitwerken, gaf meneer Selhof hun

eerst zelf nog eens het raadsel op.

„We zullen eerst met elkaar die samenspraak eens houden,” zei hij. „Ik

zal de Vader zijn, jij, Mina Woldering, héét Mina, en je moet dus ook

voor Mina spelen en dan zullen we doen of Leo Jan is.”

„Luistert dan eens naar het raadsel, kinderen!”

„Er was eens een man, die een wolf, een geit en een kool bij zich had.

Hij moest een rivier over. Aan den oever lag een bootje, dat echter zóó

klein was, dat de man maar één van de drie tegelijk kon overbrengen,

want nam hij er twee bij zich in het bootje dan zou het zinken. Hoe

moet hij nu handelen, om ze alle drie onbeschadigd aan den overkant te

krijgen?”

„Hij moet eerst den wolf overbrengen,” meende Leo, „want de wolf is een

verscheurend dier en liet hij dien bij de geit achter, dan zou de wolf

in zijn afwezigheid de geit oppeuzelen.”

„Dat is waar, Jan,” sprak meneer Selhof schertsende, „maar laat hij de

geit bij de kool achter, dan zal die de kool oppeuzelen!”

Leo keek erg verwonderd.

„Begrijp je dat niet, m’n jongen?” vroeg mijnheer Selhof, die zijn

verbazing wel opmerkte.

„Nee, meneer,” was het antwoord, „want,” ging hij met groote

stelligheid voort, „een geit lust immers geen kool!”

Heel de klasse schoot in den lach.

„Is een kool dan een plant, meneer?” zei Leo, die wel inzag, dat hij

zich vergaloppeerd had. „Op de boot stookten ze kolen in den haard van

de machine.”

Nog luider gelach.

„Nee, Leo,” lichtte de onderwijzer in, terwijl hij op het bord schreef,

„dat waren geen koolen, zóó,—maar kolen, met ééne o,—zóó! Dit woord:

koolen beteekent planten. Je zult ze in Indië waarschijnlijk nooit

gezien, en veel minder gegeten hebben, ofschoon ze daar wel groeien,

maar hier zul je ze wel eens te proeven krijgen, en een geit lust ze

óók wel.”

„En nu een vraag voor jullie, die daar net zoo gelachen hebt,” ging hij

voort. „Zeg mij eens: wat is een klapa? Vinger op, wie ’t weet!”

Thans was de beurt van lachen aan Leo, want er was niemand, die het

wist.

„Een klapa, meneer,” zei hij, „is een soort van palm, die kokosnoten

voortbrengt. Hij groeit in Indië overal.”

„Zie je jongens, zoo krijgt elk zijn beurt. Leo wist niet wat een kool

is; jullie wist niet wat een klapa is,—dus sta je met elkaar gelijk,

da’s pari, zeggen groote menschen.

„De jonge, opeengerolde bladeren van de klapa worden in Indië als

groente gegeten, nietwaar Leo? Welnu, die kost heeft wel overeenkomst

met onze kool.

Jij, Dirk Drijver, zult na schooltijd eens met Leo over de groentemarkt

loopen, en hem een kool laten zien.”

Toen de school uit was en Leo met Dirk Drijver en nog een paar andere

jongens naar de groentemarkt ging, had hij het voorrecht om voor de

eerste maal van zijn leven een kool, en voor de tweede maal het gelaat

van jonker Rudolf van Dintelburg te aanschouwen.

„Zeg, Bruintje, hoe heet je?” vroeg deze.

„Leo van Dintelburg,” was het antwoord.

„Van Dintelburg?” herhaalde Dolf, „zeg, hou je me voor den mal, of ben

je zelf mal?”

„Bevalt die naam je niet?” vroeg Leo.

„Mij wel,” zei Dolf, „maar voor jou is hij te goed, Zwart-van-de-Lamp!

Als dat werkelijk je naam is, dan kom je er toch niet eerlijk aan. Wie

geeft je het recht om mìjn naam te dragen?”

„Ik denk, mijn vader,” antwoordde Leo droogjes.

„Hou je Hottentotsche familie voor den gek, maar mij niet!” riep Dolf

woedend. „Je zult me dien naam teruggeven, of we zullen er om vechten.”

Rudolf was stellig een jaar ouder en vrij wat hooger opgeschoten dan de

eenigszins tengere Leo, maar toch was de laatste niet bang.

„Allons,” zei hij, „als je dàt wilt, kom dan maar op!” en meteen zette

hij zich schrap, met fonkelende oogen en gebalde vuisten.

„Wat praatje toch van een gestolen naam, jonker Witbol,” kwam Dirk

Drijver tusschenbeide; „een naam stelen, dat gaat slecht; maar appelen

stelen, dat gaat goed, hé Witbolletje? Ik weet het wel, hoe je laatst

in mijn vaders tuin bezig bent geweest en je zakken hebt volgeladen met

ooft, waar ik zelf niet eens aan mocht komen! En als je nu wat van

dezen jongen moet hebben, dan kun je ’t van mij krijgen, begrepen!”

Dirk Drijver was nogal een pootige baas, en ook de andere jongens

maakten zich gereed om zich van hun taak als Leo’s beschermers te

kwijten. Rudolf van Dintelburg oordeelde het derhalve niet raadzaam,

het aangeboden gevecht te aanvaarden.

„Eén tegen vijf, da’s geen portuur,” zei hij, terwijl hij den knapen

den rug toewendde.

„Maar jou, jongen van Drijver,” vervolgde hij, terwijl hij zich eenige

schreden verder nog eens omkeerde, „ik zal jou krijgen. Ik zal zorgen,

dat je vader van pa z’n fabriek gaat, reken er op, plebejer*!”

En alsof hij meende daarmede iets bijzonder geestigs te hebben gezegd,

mompelde hij onder het voortgaan het gewone lijfgezegde van de

Achilles-club:

„Ruiken moet je maar!”

Blank en Bruin · 第 7 / 35 题