WAARIN DE LEZER KENNIS MAAKT MET „BLANK” EN „BRUIN”, EN VOORTS MET EEN
TWEETAL VOGELS EN EEN AAP.
„Zeg, zeg! Kijk e’s, wat ’n leelijkerd!” zei jonker Rudolf van
Dintelburg, terwijl hij driftig zijn kameraads tegen den arm stiet,
„kijk dan,—dáár,—achter dien vent, met dien koffer op z’n rug! Kijk,
nou kun-je hem weer zien!”
Alle jongens keken in de aangewezen richting het Stationsplein op, waar
zij te midden van de schare reizigers, die van den trein kwam, een man
zagen voortschrijden, die werkelijk—tenminste in de oogen van een
Hollandschen schooljongen—geen aanspraak kon maken op den naam, „mooi”
te zijn, al was ’t alleen maar om de kleur van zijn gelaat en om het
vreemdsoortige van zijn kleeding.
„Willen we eens gaan kijken?” stelde Frits Wildering voor.
„Nee, nee,” zei Pauw van Lockhoff. „Nee jongens, ’t is al vier uur, en
als commissaris van „Achilles” zeg ik, dat wij dadelijk moeten beginnen
te trappen.”
„Wel, wel, Pauwtje, wat pronk je met je nieuwe veeren!” gaf Frits
spottend ten antwoord, „’t Lijkt wel of je commissaris van politie
bent, in plaats van commissaris van een voetbal-club. En hoe lang
bekleed je die waardigheid al?—Een hééle week!”
„Wel, ja,” ondersteunde Prosper van den burgemeester, „laten we eens
gaan zien! ’t Is toch nog zoo warm, we kunnen best een half uurtje
wachten, vóór we beginnen.” En om aan te toonen, hoe warm hij het wel
had, haalde hij zijn zakdoek te voorschijn en veegde met een zwaren
zucht het zweet van zijn blozend gelaat. Prosper was een korte, dikke
jongen, die, naar de uitdrukking zijner makkers, gemaakt was uit „vet
zonder beentjes” en die daarom niet oneigenaardig steeds werd
aangesproken als „Prop”.
„Ik ben er tegen,” hield Pauw vol, „het reglement zegt van vier uur en
dan moeten we beginnen óók.”
„Tenminste, als ik het wil!” zei Rudolf van Dintelburg, terwijl hij het
hoofd met een zelfbewust gebaar in den nek wierp en op elk woord een
koninklijken nadruk legde.
„En ik verkies,” vervolgde hij op denzelfden toon van gezag, „dat wij
dien vreemden snoeshaan met dat leelijke jongetje eens wat nader in
oogenschouw nemen.”
„Gelukkig!” zuchtte Prop, terwijl hij den president van de voetbal-club
„Achilles” een dankbaren blik toewierp.
Pauw zweeg, want Dolf van Dintelburg regeerde over zijne makkers als
een autocraat*, zoowel in de voetbal-club als overal elders.
De knapen maakten derhalve op het pad naar de Blinde-Wei, waar zij
gewoonlijk het balspel beoefenden, rechts-om-keert, staken het
Stationsplein weer over en hadden de reizigers, waartusschen zij zulk
een zonderlinge verschijning hadden opgemerkt, al spoedig ingehaald, en
bleven ze, hoewel vooreerst nog op eerbiedigen afstand, volgen.
Vreemdelingen nieuwsgierig aan te gapen of na te loopen is een
onbeleefdheid, waaraan de jeugd in Nederland zich, helaas, veel meer
schuldig maakt dan die van andere landen. Maar in dit geval hadden onze
jongens toch eenige verontschuldiging voor hun gedrag, want ook oudere
menschen bleven allerwegen met verbazing staan, om de vreemde reizigers
nieuwsgierig aan te staren.
De Weversteders, die nog nooit veel verder dan hun geboorteplaats waren
geweest, hadden zulk een slag van menschen dan ook nooit te voren
aanschouwd.
De oudste was kort van gestalte, doch had in zijn loopen iets bijzonder
lenigs. Zijn gelaatskleur was koffiebruin; zijn kortgeknipt haar
blauwachtig zwart. Zijn voorhoofd was reeds gerimpeld, maar zijn oogen
glinsterden nog als gitten, terwijl, als hij sprak, twee rijen
parelwitte tanden tusschen de breed-geteekende lippen te voorschijn
kwamen. Hij droeg een gewonen Europeeschen, breedgeranden, vilten hoed
van zilvergrijze kleur en, hoewel het in de heetste dagen van Augustus
was, een met wol gevoerde demi-saison. Onder dit kleedingstuk had hij
een soort van kort buis, waaronder een veelkleurige voorschoot tot op
zijn knieën afhing. Om zijn middel droeg hij voorts een kleurigen,
geplooiden doek, waarover een smalle, platte band, die met gespen was
aangehaald.
De jongste was een knaap van een jaar of elf. Hij was eenvoudig, doch
netjes, en geheel op Europeesche wijze gekleed. Zijn gezicht was vrij
wat blanker dan dat van zijn geleider, maar toch ook vrijwat donkerder
van tint dan dat van een blonden Hollandschen jongen. En ofschoon hij
niet den platten neus en de breede lippen van zijn geleider had, en
zijn fijn besneden gelaat en zijn hoog en breed voorhoofd zijn
Europeesche afkomst teekenden,—de fraaie, licht-olijfkleurige tint van
zijn gezicht, die op zijn wangen overging in een blos van liefelijk
rood, en bovenal zijn fonkelend-zwarte oogen en glanzend-zwarte krullen
duidden genoegzaam aan, dat de wieg van dezen knaap niet gestaan had
aan het kille strand van de Noordzee.
Maar wat nog het meest de belangstelling van jong en oud gaande maakte,
was, dat de oudste, die in de linkerhand een net reistaschje droeg, in
de rechterhand een vreemdsoortig bewerkte kooi torste, die in twee
afdeelingen was verdeeld, en waarin twee papegaaien waren gezeten,
terwijl de jongste een aapje in zijn armen hield.
Vooral de laatste omstandigheid gaf aanleiding, dat de jongens weldra
hun eerste schuchterheid op zij zetten en als echte brutaaltjes vlak
naast de vreemdelingen gingen loopen. Het duurde niet lang of ook
andere jongens, die niet tot „Achilles” behoorden, kwamen hun verwarde
gelederen versterken, en in het gevoel, dat zij nu door hun groot
aantal overmachtig waren, meenden zij het recht te hebben daarenboven
ook nog overmoedig te mogen zijn.
De verschillende op- en aanmerkingen, die eerst op fluisterenden toon
en onder zacht gegrinnik waren geuit, werden thans met groote
vrijmoedigheid luid-op elkaar toegeschreeuwd.
„Ik geloof stellig, dat het een Hottentot is,” zei Dolf, „kijk maar
eens naar zijn platten mopsneus!”
„Neen,” meende Prop, „’t is een menscheneter!”
„Dan mag je wel oppassen, dat hij niet met jou begint, Proppie,” spotte
Frits, „want er zit nog al bout aan je.”
„Nee,” bromde Prop, „hij houdt van mager en dan kan hij bij jou
terecht.”
„Ik weet het, jongens,” besliste Pauw, „’t is een Atsjinees,—ik heb
laatst in „Eigen Haard” een plaatje gezien van een Atjeher, en die zag
er net eender uit.”
„Een Atsjinees,—jawel! dien zouden ze hier zoo maar vrij laten
rondloopen, dat kun-je begrijpen! Nee, ’t zijn een paar Zigeuners, die
op de kermis reizen. Dat kun-je immers wel zien aan den aap, dien dat
leelijke joggie bij zich heeft.”
Het „leelijke joggie” keek net om en staarde met zijn groote, zachte
oogen den laatsten spreker aan, alsof hij wilde zeggen: „Je moet niet
zoo luid praten; als je denkt, dat we je niet verstaan, dan heb-je ’t
mis!”
„Ik geloof warempel, dat ze kunnen hooren wat je zegt,” zei Willem van
Waanen, „die jongen tenminste kan best uit ons eigen land zijn.”
„We zullen eens probeeren,” opperde Dolf. „Zeg jonchie, waar kom je
vandaan?”
Het „jonchie” antwoordde niet, maar keek hem weer aan met iets
weemoedigs in de gitachtige oogen.
„Jongens, laat die menschen toch met rust!” vermaande een oud heer met
grijze haren en een eerwaardig voorkomen. „Ze doen je toch niks, is ’t
wel?”
„En wat wij doen, dat gaat jou toch niet aan, is ’t wel?” gaf Dolf op
brutale wijze ten antwoord, terwijl hij die laatste woorden op
denzelfden toon trachtte uit te spreken als de oude heer had gedaan.
„Je bent zeker schoorsteenveger van beroep, dat je zoo zwart ziet,
baasje!” vervolgde hij tot den knaap, op wien hij het bijzonder scheen
gemunt te hebben.
„Jawel,” gaf de jongen in goed verstaanbaar maar spotziek Hollandsch
ten antwoord, „en jij bent zeker koekebakker, dat je zoo wit om den
neus bent.”
De leden van de voetbalclub „Achilles” schoten allen hartelijk in den
lach om de wijze waarop hun president door den vreemden knaap getroefd
werd. Dolf was dan ook werkelijk buitengewoon bleek van gelaat en zóó
opvallend was dit, dat de clubleden van „Achilles” er reeds den bijnaam
van „de witbolletjes” door hadden ontvangen. Daarbij was het woord
„koekebakker” toen ten tijde onder de jongens van Weverstede de
uitdrukking eener zeer bijzondere minachting en stond zoo ongeveer
gelijk met „flauwerd” of „lafaard”.
„Ruiken moet je maar, Dolle,” zei de spotzieke Frits tot Rudolf,
„ruiken moet je maar!”
„’k Heb geen zakdoek bij me!” gierde Prosper en als om te toonen, dat
deze uitdrukking niet letterlijk moest worden opgevat, haalde hij den
zijne te voorschijn en veegde weer eens zijn bezweet gezicht af.
[Om deze laatste gezegden goed te verstaan, moet de lezer weten, dat
het bij „Achilles” de gewoonte was, als er iets gezegd werd, dat
bijzonder „raak” was, te roepen: „Ruiken moet je maar!” terwijl dan
iemand anders ook standvastig antwoordde: „’k Heb geen zakdoek bij
me.”]
Rudolf was op dit oogenblik te verbluft om veel te antwoorden. Hij had
waarlijk niet gedacht, dat de knaap hem zou hebben verstaan. Toch had
hij voor geen geld van de wereld zich voorgoed en heelemaal uit het
veld laten slaan.
„Zoo, zoo, baasje!” begon hij weer tegen den vreemden knaap, thans met
nederbuigende vriendelijkheid, „zoo, je kunt ons dus verstaan. Welnu,
vertel me dan eens, waarvoor heb je dat broertje van je meegebracht,
dat je daar op je arm draagt? Moet je er mee langs de huizen, om z’n
kunstjes te laten zien?”
De oogen van den vreemden knaap schoten vuur en zijn gezicht werd met
een gloeienden blos overtogen.
„Nee, dat juist niet,” was zijn bijtend antwoord, „ik ga hem bij jou
thuis brengen, om je manieren te leeren!”
Nu kreeg Dolf toch een kleur.
„Bĕrbĕhagialah sĕgala orang jang lĕmah-lĕmboet hatinja [1], Leo,” sprak
de bruine man met zachte klem. Meteen trad hij op een agent toe, die op
een hoek van de straat geposteerd stond en beleefd zijn hoed afnemend,
zeide hij tot dezen in eenigszins gebroken Nederlandsch:
„Och mijnheer, wilt u zoo goed zijn, ons van die jongens te ontslaan?
Ze doen ons last aan.”
In een oogenblik hadden nu de brutale jongeheeren van „Achilles” den
aftocht geblazen, behalve Rudolf van Dintelburg, die, evenals in de
voetbal-club, ook bij de politie een schreefje vóór scheen te hebben en
de vrijheid nam, zij het dan ook op wat bescheidener afstand, de beide
reizigers te blijven volgen. Hij zag, hoe ze langs het Wed gingen en
eindelijk stil bleven staan voor een onbewoond huis, kort bij de
„school van Selhof”, welk huis de oudste vreemdeling met een sleutel
opende.
In de deur keerde de vreemde knaap zich nog even om en keek hem nog
eenmaal aan.
„Hoor eens,” had Dolf den tijd om hem nog na te roepen, „hoor eens,
Zwart-van-de-Lamp, je bent een flinke jongen, dat moet ik zeggen, maar
toch zal ik met je afrekenen, als je hier blijft, dat beloof ik je!”