Bladz.
Hoofdstuk I, waarin de lezer kennis maakt met „Blank” en
„Bruin” en voorts met een tweetal vogels en een aap. 1
Hoofdstuk II, waarin de jongens van Weverstede kennis maken met
moordtuigen en afgoden, en de vreemde knaap met een kool 9
Hoofdstuk III, waarin Bamboe zich brandt aan ijs en sneeuw, en
de jongens van het Wed een fort bouwen 16
Hoofdstuk IV. Een gevecht in de sneeuw. Bamboe meent, dat er in
sneeuwballen steenen groeien, en dat de engelen een bruine
kleur hebben 28
Hoofdstuk V, waarin Bamboe de ondervinding opdoet, dat de
rivieren in Holland ’s winters heet water bevatten, en Kees,
de aap, dat een bedsteêplank een hard voorwerp is, om er
zijn woede tegen te luchten 42
Hoofdstuk VI, waarin Leo dertig centen en dertig sterren telt,
en Dirk Drijver zeven „heidens” gevangen neemt 57
Hoofdstuk VII. Leo gaat rupsen zoeken en vangt een hollend
paard 71
Hoofdstuk VIII, waarin iets verhaald wordt uit de geschiedenis
van de familie Van Dintelburg 84
Hoofdstuk IX, waarin de leer der „tropen” wordt behandeld en
een leeraar als zijn meening te kennen geeft, dat de
Bijbel geen vertaald boek is 94
Hoofdstuk X. Leo en Rudolf zijn voor een oogenblik goede
vrienden, ’t geen echter voor den eerste slechte gevolgen
heeft 104
Hoofdstuk XI. Bamboe spreekt van een verbrande padi-schuur en
ondervindt dat een Christen een zacht sterfbed heeft 111
Hoofdstuk XII. Leo installeert zich ten huize van zijn oom. 120
Hoofdstuk XIII, waarin het oude spreekwoord bevestigd wordt,
dat een ongeluk nooit alleen komt 125
Hoofdstuk XIV. Rudolf raakt in ’t gedrang en vertrekt naar
Duitschland 135
Hoofdstuk XV. Leo maakt een plan voor de toekomst, en dat van
zijn oom wordt in duigen geworpen 144
Hoofdstuk XVI, waarin een gevecht wordt geleverd van man tegen
man 148
Hoofdstuk XVII, waarin blijkt, dat de liefde eindelijk
machtiger is dan de haat 163
Hoofdstuk XVIII, waarin op één dag vijf feesten worden gevierd 170
Woordenlijst 181
Wat men leest, kan nu allemaal geen „gesneden koek” zijn.
’t Kan dus best gebeuren, dat er in dit boekje hier en daar een
gedeelte voorkomt, waarvan de jonge lezer zegt: „Kijk, dat begrijp ik
niet goed!” ’t Best is om het dan nòg eens te lezen. Zelfs hebben wij
hier en daar wel eens een vreemd woord gebruikt.—Luiaards slaan zoo
iets natuurlijk maar over, doch flinke jongelui vragen: „Wat beteekent
dat?” Nu, de meeste dezer woorden—’t zijn er niet veel—hebben wij met
een * gemerkt en achter in ’t boek kortelijk verklaard.