Hendrik Wouters was een beetje koortsig vanmorgen, en zijn zuster wilde
absoluut bij hem blijven. Ik ging dus alléén met Mary en Annie naar den
Penandjaän. Wij namen shawls en wollen dekens en verwarmende dranken
mee, voor de koû....
Om half zes reden we al uit, met een gids voorop. Dáár ergens in ’t
Zuid-Oosten, héél ver, ligt de Penandjaän, aan den somberen, hoogen
kratermuur om de Zandzee. Dáár gaat op eens het gebergte open, in
diepe, donkere wonde, waar in vale, veege vallei het vuur woelt onder
de aarde.... Daár is het, dat de sombere Bromo broeit....
Het denken aan dien duisteren krater, in de eenzaamheid van de
zandwoestijn, beving mij met een angstige beklemming, zóó, dat ik het
mooie om mij heen bijna niet zag. Ik weet, wij gingen in diep ravijn,
en òp aan de overzijde naar Wonokitri, en vèrder en vèrder, met wolken,
en bergen, en horizonnen rondom. Toèn, langs rotsige paden, ineens in
een stil, vredig denne-bosch. De grond was zacht van de bruine naalden.
Hoe stil en rustig werd het dáár! Hoe gracieus stapten de twee
damespaardjes voor mij uit, en hoe vertrouwd en intiem was het, daar
Mary en Annie zoo vroolijk pratend voor mij uit te zien rijden, in de
rustige stilte van het dennewoud! Zóó klommen wij door het bosch den
hoogen bergkam op naar ’t Zuiden. Die heerlijke, gezonde geur van de
dennen.... En die stilte, die stemmige stilte rondom....
Maar het angstige denken àldoor maar rondgaande in mijn hoofd, dat
straks, inééns, in wreeden val, de aarde zal opengaan, naar wreede,
droeve, vallei des doods....
Ik hoor wel Mary en Annie zooiets zeggen van hoe mooi, en van
edelweiss, en alpenkruiden, en viooltjes.... Ik zie ook de teêre,
bleek-blauwe vergeet-mij-nietjes, bloeiend in het groen.... en even
hoor ik het blij getjiep van vogels....
Maar al dichter en dichterbij, zonder te zien, voel ik den krater. Mijn
ziel voelt het sombere, donkere, zondige wat nu gaat komen....
Dit lijkt wel uren en uren te duren, tot opeens, met een schok in mijn
hoofd, het bosch opengaat, en een ijzige, scherpe wind snijdt fel om
mijn ooren.... Een koude, wreede woestijn-wind, zonder erbarmen.....
„De Goenoeng Pret,” zegt de gids. En wij staan bij den berg, aan den
rand van den kratermuur.
Opeens, een apothéose van verre bergen, van luchten, en horizonnen....
Hoog in ’t Zuid-Westen rijst de blauwe Semeroe grootmachtig in de
lucht....
En beneden, beneden.... Maar „nog niet kijken” heeft een toerist in ’t
Hôtel mij gezegd. „Bij den Goenoeng Pret nog niet kijken, als ge kunt.
Dadelijk links af naar den Penandjaän gaan.”
Ik voél, even, een duizeling, ik zie het vèr, vèr beneden, grauw, vaal,
en des doods.... Een somber, veeg mysterie....
Maar ik wend mijn hoofd om, en rijd, met afgekeerd gelaat, naar ’t
Noorden, linksom een hoogeren berg op. Weer door boschjes, en wilde
struiken, een moeilijk, steil pad, met de paarden voorzichtig, langzaam
stappend, zoekend een steun met de tastende pooten.
Dán ligt de Penandjaän-top voor ons, begroeid met ruw geel helm, als
een duin.
Nu klimmen, klimmen den kalen top op, de paarden moeilijk loopend door
het mulle, witte zand. Stijgen, stijgen met een kouden wind snijdend
langs je ooren, en een bange beklemming om je hart, een voorgevoel van
iets verschrikkelijks dat komen gaat, iets ontzettend doodsch en ijzig,
uit den Booze, dat straks inééns voor je oogen zal zijn.
Dáár gaat het, langzaam, langzaam den hoogsten top op en, plotseling,
een ruk aan de teugels, dat het paard steigerend achteruit wijkt, een
duizeling in je hoofd, en het koude zweet parelend langs je slapen....
Want dáár, diep, diep onder je, is het eensklaps wijd, vèr opengegaan,
en, dreigend, in een ijzig, somber zwijgen, ligt de vale Vallei des
Doods, de Zandzee Dasar....
Een diep, roerloos meer, vaal blikkerend, grauw-grijs in kille
verstarring, wijd-gapend in den afgrond beneden.... De zware, zondige
stilte over dat eeuwig beslotene, het in woeste wanhoop verstomde
zwijgen zwáár broeiend boven die veege vallei.... Is het een meer van
ijs?.... Van onder giftigen adem roerloos geslagen water?.... Is het
een wilde woestijn van zand?.... Diepe wreede voren rekken als stijf
versteende slangen in alle richtingen er over heen.... Koud en
genadeloos wreed blikt het vaalgrauwe woestijn-gelaat òp ten hemel, uit
de donkere afgrond-diepte daar vèr, vèr beneden....
Het ligt daar zoo gansch droef verloren, onverbiddelijk en
onherroepelijk, in een sombere, genadelooze ommuring van hooge
rotsgevaarten àlom. Als donkere, gigantische wachters staan aan alle
zijden de resoluut-rijzende, steile berg-wanden, wakend over dat vale,
veege dal des doods....
Dáár, diep in dien wijd-uitgestrekten, eindeloos lijkenden afgrond
rijzen, als mysterieuze, sombere eilanden, drie groote, grillige
eruptie-kraters, ontzaglijk en satanisch grandioos. Geel-groen, met
glinsterende kleuren als van slangen, de ruige tulband van den Batok,
daarachter, naar ’t Zuid-Westen, de donkerzwartige, zwaar-geribde massa
van den Widodaren, maar o! daar vooruit, naast den Batok, naar ’t
Zuid-Oosten, de slijkgrijzige en vaal-gele krater van den Bromo, als
een groote, gapende wonde met wreed-puntige omranding, een ding des
doods, vol somber geheim....
Langzaam, langzaam stijgt een blauwe rookdamp daaruit omhoog, rijst
hooger en hooger, in trage, wanhopig-droeve rekking, spreidt zich wijd
en wijder uit, en vaart in een statig-geplooiden wolkpluim, met
vaal-gele glanzen, dreigend omhoog....
Maar zoo langzaam, zoo langzaam, of de minste ontroering die kille rust
der ijswoestijn verstoren zou, met de nauw merkbare, spookachtige
beweging des doods....
Moeilijk-zwaar wolkt de rook-kolom de lucht in. dof neêrgehouden door
het ijzig zwijgen dat loom als lood over het dal van droefenis
hangt....
Leêg en kaal ligt de vallei, onder den druk van een eeuwigen,
genadeloozen vloek.... Dit is de zonde, de donkere, sombere zonde, dit
is het absolute, gansch volmaakte kwaad, waar nooit een zweem van ’t
goede in kan wonen, dit is de koude levenshaat, de kille Gods-negatie,
dit is dan eindelijk gezien, van aangezicht tot aangezicht, in
onuitwischbaar, veeg visioen, het Rijk der Duisternis, het starre,
naakte dooden-land van Satan, den valen vijand van het Licht en het
Leven....
IJzig snijdt de scherpe wind langs mijn suizende ooren, en loeiend
galmt het langs de scherpe ruggen der berggevaarten. Een donderend
gerommel mompelt dof-zwaar in de verte.... Is het de droeve beroering
van ’t helle-vuur onder de aarde?.... Is het een onweer, broeiend in
verre, donkere wolken?....
De diepte trekt mij aan, het is om nu maar alle hoop te laten varen,
en, gehoorzaam aan ’t duister Noodlot, met een angstig gillen in ’t
donker omlaag te duizelen, waar de sombere zonde ligt verstard....
Maar ’t leven is nog sterk in mij. Ik stijg van ’t paard, en deins weêr
achteruit, ga voorzichtig zitten op een goed beschutte plek. Nu even
niet meer kijken in dien afgrond, nu recht vooruit zien, zonder
vreezen....
En het is een apothéose....
Vèr over het dooden-rijk zien mijn oogen in de levende wereld.
Rechts, in ’t Zuid-Westen, vèr achter den kratermuur, in een licht,
teeder blauw als van een maagde, rijst de ontzaglijke, zachte
reuzen-bol van den Semeroe hoog in de hoogste luchten. Hij staat daar
glanzend als een heilige Hemel-God, van majesteit overtogen. En ziet!
met een machtigen stoot schiet een blanke licht-wolk uit zijn top, een
sneeuwen smettelooze puurheid, fèl in de lucht. Hoe triomfantelijk
vliegt die witte rook-panache in de lichte hemelen, ziet, hoe zij zich
plooit, en spreidt, en kronkelt, hoe dat blinkende, schitterende wezen
daar ópdroomt in de hoogste sferen, en dan langzaam, langzaam
henedrijft, in wuivend, wit gewaad, stralend van zoo statige, blanke
glorie......
Links, vèr in ’t Oosten, rijzen grillige, kartelige berggevaarten aan
den horizon, de reuzen-massa’s van het Yang-Plateau, de Argapoera, en,
dichterbij, de blauwe kegel van den Lamongan, een rookwolk om zijn
top....
Nu even òmzien, met den rug naar den grauwen afgrond, naar den kant van
waar wij zijn gekomen.
Dáár liggen de golvende bergkammen, en de ravijnen, daar blinken de
prachtige dessa’s, en vèr, vèr schemert de vlakte, en de zee, en ziet!
rijst daar niet, in ’t allerverste Westen, aan den lichten horizon,
Ardjoenå’s goddelijk lichaam in maagdelijk blauw omhoog, met een
blinkende glorie van witte, pure wolken droomende om zijn statig
hoofd?....
Het is of de wereld nu àl grooter wordt, àl grooter.... het is of mijn
ziel zich nu àl wijder spreidt, àl wijder.... Het is zoo zalig en zoo
rijk van licht, het is zoo in volmaakte, grenzelooze goedheid uit een
God gegeven, het is blinkend, het is aanbiddelijk, en het is
eindeloos.... Is het niet, om nu ál hooger en hooger òp te rijzen,
hooger dan deze hoogste top van den Penandjaän, en met een luiden jubel
in de lichte hemelen te vergaan!....
Zóó sta ik lang te staren, totdat ik mij eindelijk weer omwend. En het
is als een wonder, opeens gebeurd. De lichte Semeroe is verdwenen
achter nevelen, de verre apothéose in het Oosten, van het Yang-Plateau,
wordt door wolken verduisterd.
Beneden, in het doodendal, is het nog donker licht. Over mij, in ’t
Zuiden, staat de Ider-Ider-muur nog onbeneveld, recht omhoog; de
Moengal-muur, naar rechts in ’t Noorden, begint te deinzen in een
fijnen mist, en vèr in ’t Westen is de Idjo al niet meer te
onderscheiden.
En nu zie ik voor het eerst, daar vlak beneden mij, den lagen wal, die
in een bijna rechte lijn de Noordelijke en Zuidelijke muren van den
kraterrand verbindt. De Penandjaän, waar ik sta, is al over den wal
heen, aan den overkant is de hoogste Ider-Ider berg, de Poendaq-Lemboe,
al van een wolkensluier overtogen.
Die wal, de Tjemara-Lawang, de scheiding van een paradijs en een hel!
Rechts ligt de vale vallei der dooden, naakt en kaal. Links, boven de
lava-beddingen, van den wal, liggen àl bloeiende terrassen en velden,
rijk begroeid, en blinkende van lichte, gele en groene kleuren. Het
stralende, glanzende Leven, vlak aan den rand van den Dood....
Maar dra verdooft nu ook die glans van blijde weelde. Want van den
Tjemara-Lawang komt het nu aan, daar komen de grijze, vale
wolken-nevelen aan....
En ’t is of ’t Licht nu wel voor goed daar sterven zal, want langzaam,
langzaam begint het wreede spel des doods.
Als vage geesten drijven de grauwe nevelen, over den bloeienden
paradijswand, naar de duistere vallei. Hoe langzaam, langzaam schuiven
zij voort, en waaien traag en troosteloos over de starre, kille
woestijn! Zij wolken in de laagte, maar rijzen weer terug, zich
òpstrekkend tegen de muren, met gebaren als van hopeloos smeeken en
droef weêr vallen, zij wijken weêr rechts en links, kruipen angstig
over de kraters, en zinken geruischloos weêr neder in het dal. Het
lijken geen wolken meer, het zijn de vale, droef-verdoemde geesten van
dit duistere rijk van den Booze, die daar eeuwigzwijgend rondwaren in
de vervloekte doodenvelden, eindeloos en onherroepelijk verloren....
De slijkgrauwe wonde van den Bromo gaapt nog door de wolken-warreling
heen.... Nog éven lichten de groene en valsch-gele ribben van den
Batok. Op den Widodaren [7] zetelen de zwarte, donkere wolken-massa’s,
in somberen triomf.
En altijd de doffe, blauwe rook-kolommen, met gelige glanzen,
langzaam-traag ópstijgend uit de duistere diepten onder den Bromo,
treurig wègdrijvend door den mist, met de wanhopige, troostelooze
traagheid des doods....
En het loeiend metaal-gezang van den wind langs scherpe bergruggen....
en het rommelend mompelen van verren donder....
Het trekt mij aan, met een vreemde bekoring, als van haat, en negatie,
en zonde. Ik voel mij buigen naar het wolken-omnevelde dal in den
afgrond beneden mijne voeten....
En het is als boog ik mij nu droevig over mijn eigen ziel, en of het
mijn eigen, eenzaam leven is, daar zoo ganschelijk verloren, in dorre
woestenij....
Zóó, koud-negeerend, zonder liefde, met het warmste en allerbeste
kil-versteend, verteerd in zich zelf....
Maar ik wil dien dood niet, o! ik voel het nu, ik haat het, ik haat dit
schoon, dat uit den Booze is, ik haat den dorren, starren dood! Nu ik
hem heb gezien, van aangezicht tot aangezicht, in zijn koud, vaalbleek
nacht-gelaat, nu haat ik hem, en ik wil het leven weêr, het Leven, het
Leven!....
Toen,.... een lieve, vriendelijke stem, een stem als uit heel oude
tijden, lang geleên....
En Annie zit naast mij, boven het dorre dooden-dal. Zij kijkt nu niet
kluchtig meer, er is een zachte, teedere uitdrukking in haar oogen.
„Wat rilt u,” zegt ze, „is de koorts weer terug?.... Kom maar gerust
hier bij me liggen in mijn schoot.... hier heb ik een warme wollen
deken.... Mary haalt wat wijn bij de koelie’s, dat zal u goed doen....
wat is uw hoofd koud, en wat ziet u bleek!.... kom nu maar even bij me
rusten.... en nu niet meer naar beneden kijken..”
Ik schrik op, als uit een bangen, boozen droom.. Haar lief, vriendelijk
gezicht, haar warme stralende oogen.... Zij is de blijheid, en de
vreugde, en het geluk.... Zij is het lachen, en het licht, en het
leven.... En het roept mij, het roept mij, hoor! het Leven roept mij
terug!....
Toen heb ik mij afgewend van het droeve dal des doods, en mijn hoofd
heb ik heel stil gelegd in haar veiligen schoot..... Ik voel, hoe zij
bezorgd de warme deken over mij uitspreidt, ik hoor de muziek van haar
stem, die mij zegt te rusten.... te rusten,.... ik wil niet den
duisteren dood, maar het Lichte Leven,.... en zachtjes, zachtjes lig ik
te snikken, te snikken van vreugde en berouw, met haar handen
lief-troostend op mijn hoofd....
Nu is het inééns bewust in me, als een groot licht na lang, lang
duister over mijn arm hart: „Ik hoû van haar, ik hoû van haar!”
O! ik hoû van haar, omdat mijn hart weer sterk en jong is, en weer
lieven kan; het is door de groote kracht, die de milde lucht mijn lijf
gegeven heeft, en haar lichte lachen mijn ziel. Ik hoû van haar, omdat
de wereld zoo eindeloos schoon is, omdat het groen zoo blinkt, en de
blanke bloemen, omdat de vogels zoo zingen in de boomen, omdat de
bergen zoo hoog ten hemel staan, en zoo zalig glanst Gods groote licht
over de schitterende vlakte en de zee.
Ik hoû van je, inééns, inééns, mijn lief vrouwtje, dat àl maar lachen
doet en, gansch niet wetend, je vreugde zingt door het wereld-leed. Ik
hoû van je, omdat je lief tegen me geweest bent, waar jaren lang mijn
hart alleen maar droefenis kende en sombere gepeinzen; omdat je heel
niet bang was voor dat strakke kijken van mijn donker gezicht; omdat je
zoo vreezeloos je zachte handjes gelegd hebt op mijn arm, moê hoofd,
dat maar niet rusten kon.
Inééns heb ik het gezien, in je oogen. Ik vond je vroeger leelijk, mijn
lief, klein vrouwtje, met je bleeke wangen en die oude trekken om je
mond. Ik kon het toen nog niet zien, wat achter je oogen was. Je
zachte, zuivere ziel zag ik niet, die onbesmet was van het leven, en
waar Gods licht mysterie ongerept in woont. Dat heeft het droeve
vrouweleven, en de hartstocht waar je doorheen gegaan bent, toch nooit
in je kunnen dooden, het lieve, zachte, milde, maagdelijke in je, dat
je voor den eersten keer aan mij gegeven hebt. Die lieve gratie is in
het geluid van je stem, mijn lieveling, en in je zachte bewegingen, als
je je hand even over je voorhoofd strijkt, en als je een bloem plukt
met zoo teêre vingers, en het is in je voetjes, die gaan zoo zachtekens
op rythmischen stap. Zóó teeder-lucht beweeg je, als een lieve melodie.
Alleen je zien is al zoo zalig, en mijn ziel beeft vol van vreugde, als
je lichte lichaam vóór mij zweeft.
Heb je me dan weêr jong en sterk gemaakt, mijn vriendelijk vrouwtje,
jij zoo klein en broos maar, ik zoo donker-groot? Heb ik dan ál die
jaren in mijn sombere gepeinzen gansch niet meer geweten wat het leven
was, en heb jij met één vriendelijk knikje en één zachten handdruk mij
dan weêr geleerd dat leven lieven is en Liefde ’t eenig doel van ’t
wereld-wezen? Ik begrijp het nog niet goed, mijn lieveling, ik kan het
nog niet goed gelooven. Wat is toch in je, dat mij zoo bevangt van lief
verlangen? Je weet zou weinig, en toch weet je méér dan al mijn droef
gevonden wijsheid. Want je zacht gezicht ziet zoo blij en vreezeloos in
de wereld, en het mooie om je heen maakt je zoo dankbaar, dat je ál
maar liefelijk-lachend door de lichte dagen gaat, met zoete gratie, als
één van Godes engelen, wier ziel een lichte vreugde is van zalig
rein-zijn.
Nooit droomde ik, dat dit nog ééns voor mij kon komen. Ik dacht, de
droeve dood was alles wat mij nog kon wachten.
O! die eenzaam-stille nachten, bij ’t bleeke lamplicht in zoo duister
peinzen, met al die troostelooze boeken, waar geen liefde uit sprak!
Mijn aangezicht was bleek, mijn liefste, en mijn oogen stonden droeve.
Mijn hart, het klopte maar zoo traag, en van verlangen ganschelijk
ledig kwijnde klagelijk mijn ziel.
Is het de goede bergwind, die de nevelen uit mij waaide? Is het de
nieuwe, warme kracht, die in mijn aderen stroomt? Of is het enkel jouw
lichte lachen, en al die zoete muziek van je lieve stem? Hoe heb jij
dat gedaan, mijn ranke vrouwtje, het jonge leven weer te wekken in mijn
stervend hart? Zoo klein ben je, en zoo broos. Je handjes kan ik wel
breken in de mijne, je hoofdje reikt maar éven aan mijn schouders, en
ik zou heel bang zijn om mijn sterke armen om je heen te slaan. Hoe heb
je ’t toch gedaan, om al mijn trots te breken, en ’t donker hoofd, dat
voor de gróótsten niet wou buigen, zoo heél diep neigen te doen voor
jouw zoo teêre, zwakke gratie? Met één lachje en wat vriendelijk kijken
heb je dan dit groote hart zoo zachtelijk overheerd, dat zich aan ’t
allerschoonste nooit geheel kon geven!
De vreugde is mij vreemd geweest, mijn Lief, zoo lange, lange jaren. Ik
had zoo’n honger en zoo grooten dorst. En nu ben ik al zoo héél, héél
blij als je zachte hand maar in de mijne gloeit, en zalig klopt mijn
hart als ik je rok hoor ruischen, en een stroom van warm, warm geluk
beeft door mijn lijf als je vriendelijk hoofdje maar even rustiglijk op
mijn schouder rust.
En alles zoo grandioos en statig-schoon rondom! Die wijze bergen,
rijzend hoog ten hemel, die ijle, reine luchten, en die koele wind! Het
lijkt hier wel een zalig paradijs, en vèr is nu de droge, heete aarde
van weleer, waar ééns mijn lijf in smachtte. Alles is hier zoo
ganschelijk puur, en recht, en kuisch van wezen. En jij bent hier ook
eigenlijk wèl tehuis, die zuivere atmosfeer hoort bij je lieve gratie.
Het is nu een wondere, lichte droom, na ál dat droeve, duistere leven.
Dat lijkt van lang, o! lang geleden, en we hebben ’t ganschelijk
wèggedaan. De koele wind heeft het verwaaid, mijn Lief, en wèl zijn wij
nu blank gereinigd, en waardig het geluk.
Ik weet, mijn Lief, dit kan niet blijven. Het leven is te hard, en
teêre, broze ziele-dingen breken, als niet de dood ze veilig bergt. Ik
weet, mijn Lief, hoe ’t ál te mooi zou wezen, als dit zóó kon duren. ’t
Leven is een droeve kruisgang, en zóó, aan uw zachte hand, met uw licht
lachen in de klare lucht, en al de bergen en dat blinkend groen rondom,
zou ’t ééne lange zaligheid worden, een eindelooze vreugde als van
zielen, die der droeve aarde ontstegen, herrezen in het Groote Licht.
Maar éven, voor een korte poos, mogen wij ’t misschien wel nemen, en,
der duist’re werkelijkheid onttogen, een korten droom droomen, in de
reine regionen van ’t geluk, hier in dit hooge land, zoo veilig vèr
boven der menschen stedingen, waar de zonde en de weedom wonen....
Zóó zag ik de vredige dessa Ngadiwono, [8] in het diepe dal van rust.
Een tocht, door lichte zon begonnen, te paard het steile bergpad op
naar Pådåkåjå, de schamele, simpele dessa, op den hoogen bergrug in ’t
Zuiden. Klimmen, klimmen, hooge bergpaden langs diepe ravijnen. Overal
bergkammen, waar het zien tegen stuit. Boven een rijzenden rotswand
vóór mij steekt langzaam het hoofd op een blanke prachtwolk, zwaar van
licht.... Het stijgen gaat langzaam naar dat geluk....
Nu langs de grillige grot van Pådåkåjå, en rechts een smal zijpad, en
weer links, langs hoog ravijn, met groene koolvelden langs hellingen,
zóó gaat het windend en slingerend door in die hooge regionen, tot
plotseling een hoek om, en ziet! vóór ons, liefelijk aan onze voeten,
het groote vrije opene, onverwacht, waar we langs smal bergpad gaan.
Aan de rechterhand, vlakbij, rakelings, de bergmuur; achter, in ’t
Zuiden, de donkere, sombere krater-randen, waarachter, bang vermoed, de
dorre woestijn des doods. Vóór, in ’t Noorden, hoog opgaande
berg-golven, maar links, naar ’t Westen, is ’t opengegaan en, diep
beneden, in wijdingsvolle stilte, ligt een liefelijk, vreedzaam dal.
Stil en rustig ligt daarin de dessa Ngadiwono, als een oord van
gelukzaligen. Wijd en wijd gaat alles nu open daarachter, vèr en vèr
spreidt zich, in ’t lage, de glanzende vlakte uit, in gouden
schitterlicht van den morgen. En in ijle, lente-blauwe lucht, waar héél
fijne nevel trilt, rijst Ardjoenå, in transparant parelgrijs
morgengewaad, een blanke god gelijk, in ’t bevende edele ochtendlicht.
O! hoe hij daar, na àl ’t beslotene van overal rondom bergruggen,
opeens, aan ’t einde der open, ruime vlakte oprijst, zoo
kuisch-eerwaarde, in parelen glans!.... De hooge, heilige heerscher, de
zachte-machtige, van deze wijde werelden....
En die kleine, simpele dessa, stemmige hutten met daken van lichtgele
bamboe, zoo blank en schoon, zoo zacht-tevreden en gansch vertrouwd,
daar zoo diep beneden aan mijne voeten, is in ’t vredig dal van deemoed
zoo rustiglijk gelegen, als een kind, zacht in den schoot van zijn
algoede Moeder....
Niets dan dit; de parelgrijze Ardjoenå, statig rijzende in ’t blanke
morgenlicht, de verre vlakte naar vage horizonnen van glans, de
vredig-zachte dessa, diep in dal van deemoed, waar ’t simpele
menschenleven woont....
Ik houd mijn paard in, en zie het éven, zalig, aan, van aangezicht tot
aangezicht.... En ’t is mij ineens zoo hoogheerlijk zeker, dat ik nu
Gods eigen, heilig Wezen zacht voor mijne aandachtige oogen voel, want
is dit niet Zijn rustige, sereene schoonheid, die daar voor mij troont
en praalt, in zoo prachtig-kalme staatsie?....
Er is in die vrouw zoo iets essentieel liefs, stellig buiten alle
zinnelijke attractie òm, dat bijvoorbeeld haar eenvoudigste gebaren
soms, als aan tafel het aanreiken van een gewone schaal vruchten met
een lief-vragend stemmetje: „Mag ik u dit eens geven!” opeens mijn ziel
op ’t allerwonderbaarst beroert. Ik geloof dat ik de éénige ben, die
dat ooit van haar gevoeld heeft, en wien zij dus het allerbeste en
zuiverste van haar heeft geschonken....
Ze is toch eerder leelijk dan mooi.... er is, zou je zoo op ’t eerste
gezicht zeggen, in ’t geheel niets bijzonders aan haar.... Haar trekken
zijn niet zoo erg fijn en om haar mond wat ouwelijk; haar glanzige,
blonde krullen zijn hier en daar wat grijs, en o, jee! haar zotte
neusje, en die twee dolle kuiltjes op zij van haar smalle, koddige
kin!....
Maar wat is het dan toch eigenlijk, dat van dat zelfde gezichtje zoo
allerliefst over mij komt, met zoo warme goedheid, dat het me zoo wèl
en zalig wordt van binnen als ze mij vriendelijk lachend aanziet? En
wat is er dan toch voor heerlijk zachts overal aan haar lijf, dat ik
met al mijn trots en donkeren weemoed als een kind het hoofd wel graag
wil leggen in haar zoeten schoot, en in zoo diepen eerbied wel het stof
wil kussen van haar voeten, en wel véél van mijn allerkostbaarst weten
zou willen geven, om nog jong met haar te zijn, in den tijd, toen ik
nog vragen kon of zij haar zachte ziel en lieve leden aan mijne liefde
wel wou geven?
Vanmiddag tegen zes uur wandelde ik op den weg naar ’t Leverlaantje, om
rechtsaf naar het „karrenplateau” te gaan. Het was een wandeling door
dikken, zwaren mist. Overal wolken de grijze nevelen wijd uit. In een
ravijn links, dat nog niet vol is, drijft langzaam een grauwe wolk,
somber onheilspellend, zich kronkelend en rekkend als een immense
slang. Boomen noch bergen zijn te zien. Het gaan is door een vaag,
grauw duister, onzeker en mysterieus.
Alleen, ziet! door vreemden weerschijn van ergens in ’t Westen
ondergaande zon, op een bergkruin boven het paadje, waar ik loop,
staat, apart en bizonder, een licht geluk. Een kleine groep
tjemårå-boomen, heel stil en rustig, onder een stuk open, teederen
hemel van een zacht, engelrein blauw, met vaag roze van avondrood
door-droomd. Alles is grijs en duister en droef. Maar die kalme groep
daar staat in een vreemde sfeer van reinen aether, zachtjes lichtend,
ongelooflijk en onreëel. Een fijne japansche teekening....
Alóm dat zware, donkere, grijze, dat alles omhult, en de dikke
mist-afgronden der ravijnen, en zwartende bergen in nevel,
somber-stom....
Maar hoog in ’t hooge daar boven mij, in een aparte sfeer, eenzaam en
vreezeloos, met zulk een vrome wijding van vrede overtogen, de stille,
maagderanke boomen in dat zacht-bloze, rein-roze licht,
liefelijk-lachend, als de morgen lacht boven den nacht....
Zóó staat het broos geluk te lichten, overtogen van zoo wonder-teederen
gloed, tot de nevelen hooger rijzen, hooger en hooger, en zachtjes
kwijnt het weg, als alles wat héél broos is en te teêr om lang te
wijlen....